Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15232

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
29-11-2021
Zaaknummer
NL20.9630
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verweerder de misdrijven die eiser heeft gepleegd tijdens minderjarigheid bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb mocht betrekken. In dat artikel staat namelijk expliciet dat jeugddetentie aanleiding kan zijn voor het intrekken van een verblijfsvergunning. Dat eiser meerderjarig was op het moment van intrekking van zijn verblijfsvergunning, maakt dat niet anders.

De rechtbank oordeel dat uit het besluit volgt dat eisers land van herkomst Soedan is. Verweerder heeft daarmee gemotiveerd naar welk land eiser moet terugkeren. Dat eiser niet wordt uitgezet betekent niet dat aan het terugkeerbesluit geen betekenis meer toekomt, enkel dat verweerder het beginsel van non-refoulement in acht heeft genomen door niet tot gedwongen uitzetting over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9630

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende asielvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 9 februari 2016 en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1997] en gesteld afkomstig uit Soedan. Hij is op driejarige leeftijd met zijn moeder en zussen gevlucht naar Oeganda. Toen eiser zes jaar was, is het gezin naar Nederland gekomen. Sinds 24 januari 2005 heeft eiser een asielvergunning voor bepaalde tijd en sinds 24 januari 2010 een asielvergunning voor onbepaalde tijd (de verblijfsvergunning). Eiser is op zijn 13e jaar voor het eerst met justitie in aanraking gekomen.

2. Bij brief van 27 december 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn vergunning mogelijk wordt ingetrokken als hij weer in aanraking komt met justitie en politie.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krachtens artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingetrokken, omdat hij een aantal strafbare feiten heeft gepleegd en is veroordeeld voor een misdrijf dat met meer dan drie jaar gevangenisstraf is bedreigd. Volgens verweerder vormt eiser op basis van zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Er wordt voldaan aan de glijdende schaal als bedoeld in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Omdat eiser bij terugkeer naar Soedan een reëel risico loopt op ernstige schade zal eiser niet worden uitgezet naar zijn land van herkomst.

Toepassing glijdende schaal

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de veroordelingen voor misdrijven die hij heeft gepleegd tijdens zijn minderjarigheid op één hoop gooit met de veroordelingen voor misdrijven begaan tijdens zijn meerderjarigheid. Volgens eiser wordt in het strafrecht niet voor niets onderscheid gemaakt tussen meer- en minderjarigheid. Van eiser, die als minderjarige jongen kampt met een verstandelijke beperking en een gedragsstoornis, kon ook niet worden verwacht dat hij zijn gedrag zou aanpassen. Verweerder had daarom bij de toepassing van artikel 3.86 van de Vb alleen de misdrijven moeten meetellen die eiser heeft gepleegd vanaf zijn 18e levensjaar.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 3:86 van het Vb, behalve in het negende lid dat hier niet van toepassing is, geen onderscheid maakt voor misdrijven die tijdens minderjarigheid of die tijdens jongvolwassenheid worden gepleegd. Bovendien was eiser op de datum van de intrekking van zijn asielvergunning meerderjarig.

6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de misdrijven die hij heeft gepleegd tijdens minderjarigheid ten onrechte heeft betrokken bij de toepassing van artikel 3.86 van het Vb. In dat artikel staat namelijk expliciet dat jeugddetentie aanleiding kan zijn voor het intrekken van een verblijfsvergunning. Het is dus de bedoeling van de wetgever dat ook feiten gepleegd tijdens minderjarigheid meetellen bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb. Dat eiser meerderjarig was op het moment van intrekking van zijn verblijfsvergunning, maakt dat niet anders. Dat die misdrijven worden betrokken bij de glijdende schaal is immers beoogd en daarin is voorzien in artikel 3.86 van het Vb.

7. Eiser heeft voor het overige niet concreet betwist dat, uitgaande van de veroordelingen op zijn Justitiële Documentatie, de glijdende schaal zoals die geldt sinds 1 juli 2012 van toepassing is en dat verweerder die glijdende schaal op de juiste wijze heeft

toegepast door ook de veelplegersnorm van toepassing te achten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat is voldaan aan de glijdende schaal.

8. Eisers stelling dat verweerder voorafgaand aan het intrekkingsbesluit onderzoek had moeten doen naar zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn gebrek aan coping, volgt de rechtbank evenmin. De omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan en de bevindingen uit de rapportages van Pro Justitia en de Reclassering over eisers problematische persoonlijkheid zijn al betrokken door de strafkamer van het Gerechtshof in de uitspraak van 4 december 2018 . Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de (antisociale) persoonlijkheidsproblematiek van eiser in lichte mate van invloed is geweest op zijn handelen en dat de Reclassering de kans op herhaling groot acht. Volgens het Gerechtshof is het aan eiser zelf om in een ander kader initiatief te nemen als hij in de toekomst voor hulp en begeleiding in aanmerking wil komen. Verweerder stelt terecht dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een positieve gedragsverandering op grond waarvan hij niet tot intrekking van de verblijfsvergunning zou mogen overgaan. Zoals hierna blijkt, heeft eiser die positieve gedragsverandering onvoldoende laten zien.

Actueel gevaar voor de openbare orde

9. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Eiser beroept zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I. en O . Eiser is in 2015 voor behandeling verwezen naar de Waag en hij is sinds vorig jaar niet meer in aanraking geweest met politie of justitie. Uit de brief van het Leger des Heils blijkt dat eiser sinds 19 februari 2020 de weg omhoog heeft gevonden. Hij is gemotiveerd voor de opleiding elektrotechniek en hij heeft geen contact meer met zijn foute vrienden uit het verleden.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft terecht in aanmerking genomen dat eiser vanaf 2013 doorlopend misdrijven heeft gepleegd, waaronder geweldsmisdrijven, die een gevaar voor de gemeenschap opleveren. Verweerder heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij ondanks de waarschuwing in de brief van 27 december 2016 is doorgegaan met het plegen van misdrijven. Verweerder heeft ook terecht in aanmerking genomen dat eiser onvoldoende gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat het hoge recidiverisico, dat door het Gerechtshof op basis van het Reclasseringsrapport is vastgesteld, is afgenomen dan wel niet meer bestaat. De stelling dat eiser niet meer met justitie in aanraking is gekomen, volgt ook niet uit de Justitiële Documentatie. Het feit dat eiser is gedagvaard voor een misdrijf gepleegd op 16 maart 2020, doet afbreuk aan de brief van het Leger des Heils waarin staat dat eiser de weg omhoog heeft gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn gestelde positieve gedragsverandering nog onvoldoende laten zien, waarmee het recidivegevaar niet is geweken. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

11. Eiser voert aan dat de intrekking een schending betekent van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiser alleen Nederlands spreekt en geen enkele band heeft met Soedan. Eiser kan niet terugkeren naar Soedan en er is geen ander land waar zijn toegang is gewaarborgd. Eiser beschikt ook niet over een paspoort of identiteitsbewijs om te kunnen reizen.

12. De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 24 mei 2017 niet meer staat ingeschreven op het adres van zijn moeder en geen contact heeft met zijn moeder en zijn zussen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat eiser geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven heeft. De door verweerder gemaakte belangafweging ziet daarom alleen op het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid prevaleert boven het individuele belang van eiser bij zijn verblijf in Nederland. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen, maar dat hij door het plegen van vele misdrijven de waarden en normen van de Nederlandse samenleving niet in acht heeft genomen en dat dit en zijn detentie afbreuk doet aan de hechtheid van eisers sociale en culturele banden met Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn opleiding en arbeidsverleden een sterke band met Nederland heeft opgebouwd. Dat eiser geen paspoort heeft en er een objectieve belemmering is voor terugkeer naar Soedan, is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat verweerder op grond daarvan van de intrekking van eisers verblijfsvergunning had moeten afzien. Dat verweerder eiser niet gedwongen zal uitzetten naar Soedan, laat immers onverlet dat op eiser de plicht rust om Nederland te verlaten. Dat eiser niet in enig ander land dan zijn land van herkomst kan verblijven, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Belangenafweging

13. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning onjuist, onredelijk en oneerlijk is gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Daartoe stelt eiser dat hij op zeer jonge leeftijd vanuit Soedan naar Oeganda is gevlucht en op jonge leeftijd naar Nederland is gekomen. Tijdens zijn verblijf in het AZC is eiser bedreigd en gepest. Op de basisschool is eiser gepest en gediscrimineerd en hij heeft zijn vader nooit gekend. Daarnaast is eiser gediagnostiseerd met een verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Eiser is daarmee naast jeugddelinquent ook zelf slachtoffer.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien geen bijzondere omstandigheden in zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opleveren om af te zien van intrekking van de asielvergunning wegens onevenredige gevolgen. Evenmin volgt hieruit dat intrekking in

strijd is met het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De persoonlijke omstandigheden van eiser maken niet dat het belang van bescherming van de openbare orde niet langer aanwezig is. Bovendien is eiser ondanks de waarschuwing doorgegaan met het plegen van misdrijven. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

15. Eiser voert aan dat in het terugkeerbesluit ten onrechte niet is opgenomen naar welk land hij moet terugkeren. Het terugkeerbesluit is volgens eiser daarom onrechtmatig. Nu er geen ander land is waar eiser naar kan terugkeren, heeft verweerder geen terugkeerbesluit en daarmee ook geen inreisverbod kunnen opleggen.

16. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd dat op eiser de verplichting rust om terug te keren naar zijn land van herkomst, dan wel een ander land buiten de Europese Unie waar zijn toelating is gewaarborgd. Uit het bestreden besluit volgt dat eisers land van herkomst Soedan is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd naar welk land eiser moet terugkeren. Dat eiser niet wordt uitgezet betekent dus niet dat aan het terugkeerbesluit geen betekenis meer toekomt. Dat betekent enkel dat verweerder het beginsel van non-refoulement in acht heeft genomen door niet tot gedwongen uitzetting over te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr.

I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

17 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.