Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15200

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
NL20.9861
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9861


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).


Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 23 december 2015. Daarnaast is een inreisverbod van twee jaar opgelegd.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om de onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan het bij de besluitvorming betrokken individuele ambtsbericht. Deze stukken zijn aan de rechtbank verstrekt met het verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek is bij beslissing van 22 juli 2020 toegewezen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Baban. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om de stukken genoemd in het onderzoeksverslag.

Deze stukken zijn aan de rechtbank verstrekt met het verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb. Dit verzoek is in de beslissing van 23 september 2020 van deze rechtbank ten dele toegewezen, waarop de minister van Buitenlandse Zaken alsnog heeft besloten een gedeelte van de stukken voor eiser kenbaar aan het dossier toe te voegen.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij van Syrische nationaliteit is en dat hij is geboren op [1990] .

2. Aan eiser is op 2 juni 2017 met ingang van 23 december 2015 tot 23 december 2020 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend omdat geloofwaardig werd geacht dat hij de Syrische nationaliteit heeft en in dat land te vrezen had voor vervolging. In de begeleidende brief stond vermeld dat verweerder nog onderzoek verrichtte naar de mogelijke Armeense nationaliteit van eiser.

3. Op 5 september 2017 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht aan verweerder toegezonden, waaruit blijkt dat aan [alias eiser] op 5 oktober 2009 een Armeens paspoort is verstrekt met nummer [nummer paspoort] .

4. Verweerder heeft op 8 april 2020 de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht omdat voldoende aannemelijk is dat eiser ook de Armeense nationaliteit heeft. Uit het individueel ambtsbericht blijkt immers dat aan hem een Armeens paspoort is verstrekt. Als deze informatie bekend was geweest ten tijde van het inwilligend besluit, dan was de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verleend. Omdat eiser heeft verklaard dat hij alleen de Syrische nationaliteit heeft, is het voldoende aannemelijk dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt. Daarnaast heeft hij een relevant document achtergehouden, namelijk het Armeense paspoort, en heeft hij de autoriteiten misleid om een verblijfsvergunning te krijgen. De door eiser ingebrachte verklaring van de ambassade waarin staat dat hij geen Armeens staatsburger is, heeft geen juridische basis. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt welke documenten hij bij de ambassade heeft getoond.

Armenië geldt als veilig land van herkomst. Er is dus geen aanleiding om te concluderen dat er bij terugkeer een schending van het Vluchtelingenverdrag ontstaat, aldus verweerder.

5. Eiser heeft aangevoerd dat aan het individueel ambtsbericht niet de waarde kan worden gehecht die verweerder daaraan heeft toegekend. Eiser heeft een verklaring van de Armeense ambassade overgelegd van 10 december 2018, waarin wordt verklaard dat hij geen Armeens paspoort heeft ontvangen. De verklaring die door de ambassade is afgegeven heeft een legitiem traject doorlopen. Er is dan ook een concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het individueel ambtsbericht. Verder is er geen kopie van het paspoort dat aan eiser zou zijn verstrekt geleverd, terwijl er wel een paspoortnummer wordt genoemd. Hier moet een kopie van beschikbaar zijn in het OVIR-registratiesysteem. Verweerder heeft met het individueel ambtsbericht niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te (laten) verrichten.

6. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken door verweerder indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan zouden hebben geleid. Verder is van toepassing het beleid van verweerder in hoofdstuk C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De bewijslast hiervan ligt bij verweerder. Is aan die bewijslast voldaan, dan is het aan eiser om dit geleverde bewijs te weerleggen.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 is een (individueel) ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, voor zover verantwoord onder aanduiding van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend, mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. Als de vreemdeling een individueel ambtsbericht op essentiële punten weerspreekt, is het aan hem om het ambtsbericht te weerleggen.

8. In het kader van de voorbereiding van een besluit dient verweerder, voor zover mogelijk, te onderzoeken of een ambtsbericht aan voormelde eisen voldoet. Daartoe dient hij te onderzoeken op welke wijze het ambtsbericht tot stand is gekomen en zich ervan te vergewissen of de feitenvergaring voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en of de concrete feiten die aan de informatie in het ambtsbericht ten grondslag liggen de daarop gebaseerde feitenvaststelling en conclusies kunnen dragen. Pas wanneer verweerder aan deze vergewisplicht heeft voldaan, mag verweerder de informatie uit het ambtsbericht bij de beoordeling gebruiken.

9. Bij brief van 8 september 2017 heeft S. de Boode, werkzaam als landenspecialist bij TOELT, namens verweerder verklaard dat inzage in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht, de zogenoemde REK-check, tot de conclusie heeft geleid dat het individuele ambtsbericht qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is.

10. De rechtbank heeft met toestemming van partijen na het onderzoek ter zitting kennis genomen van de aan het individuele ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aan de rechtbank toegezonden stukken niet volledig waren. Daarom is het onderzoek heropend en zijn deze stukken alsnog bij de minister van Buitenlandse Zaken opgevraagd.

11. De rechtbank stelt vast dat de stukken zijn ontvangen waar om is verzocht. Het individuele ambtsbericht verschaft naar het oordeel van de rechtbank op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie. Na kennisneming van de aan het individuele ambtsbericht ten grondslag liggende stukken is de rechtbank niet gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het individuele ambtsbericht. De rechtbank licht dat hieronder toe.

12. Inzichtelijk is dat een aanvraag om onderzoek is uitgegaan met de voor eiser bekende en door hem verstrekte gegevens, waaronder de naam [eiser] , de geboortedatum [1990] en gegevens van vader en moeder. De naam [eiser] is ook de naam die bij verweerder bekend is. Als reactie blijkt dat de Armeense autoriteiten naar deze gegevens onderzoek hebben gedaan en in reactie op de vraag vanuit Nederland “Is aan betrokkene een Armeens paspoort uitgegeven?” als onderzoeksresultaat weergeven “Ja, aan [alias eiser] een Armeens paspoort is uitgereikt a op 5 oktober 2009 b nummer: [nummer paspoort] ”. Er is geen aanleiding om te twijfelen dat dit om eiser gaat. Uit de onderliggende stukken blijkt voldoende duidelijk hoe het onderzoek is verricht. Er is een REK-check gedaan met betrekking tot het tot stand komen van dit individueel ambtsbericht waarbij is geconcludeerd dat het qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand gekomen en inzichtelijk is. De rechtbank deelt deze conclusie.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de verklaring van de ambassade van 10 december 2018 geen aanleiding heeft hoeven zien te twijfelen aan het individueel ambtsbericht of nader onderzoek heeft hoeven verrichten. Verweerder heeft hierover terecht aangevoerd dat deze verklaring niet het gewicht toekomt dat eiser daaraan toekent. Uit de verklaring blijkt niet dat het onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van de identiteitsgegevens op grond waarvan aan eiser volgens het individueel ambtsbericht een Armeens paspoort is uitgereikt. Betrokkene heeft niet inzichtelijk gemaakt welke informatie hij heeft verstrekt en welke documenten hij heeft getoond bij de Armeense ambassade. Eiser heeft de conclusies van het ambtsbericht hiermee dan ook niet weerlegd. Daarbij komt dat in de verklaring van de ambassade de naam ‘ [eiser] ’ wordt genoemd, terwijl het individueel ambtsbericht uitgaat van het paspoort op de naam ‘ [alias eiser] ’. Gezien de wijze van onderzoek die uit de onderliggende stukken blijkt, komt aan de schrijfwijze ‘ [alias eiser] ’ in plaats van ‘ [eiser] ’, geen (doorslaggevende) betekenis toe.

14. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het niet meesturen van een kopie van het betreffende paspoort niet afdoet aan de zorgvuldigheid van het besluit. Dit is niet bepalend vanwege de verrichte REK-check. Gelet op de REK-check mag verweerder ervan uitgaan dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Nader onderzoek naar het paspoort was dan ook niet geïndiceerd. De rechtbank is van oordeel dat verder geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van de inhoud van het individuele ambtsbericht.

15. Verweerder heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank aan zijn vergewisplicht voldaan. Op basis van het individuele ambtsbericht heeft verweerder mogen concluderen dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt over het bezit van het Armeens paspoort. Bij bekendheid met de juiste gegevens had dit tot afwijzing van de aanvraag geleid, omdat Armenië geldt als veilig land van herkomst. Dit is door eiser niet betwist. Verweerder mocht daarom tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. P.J.M. Mol en

mr. L.A. Banga, leden, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier.

De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op:

en zal worden openbaargemaakt door publicatie op rechtspraak.nl

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2171)