Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15180

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
NL20.20400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublinverordening Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20400

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J. de Jong), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.20401, plaatsgevonden op 15 december 2020. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat eiser en zij niet ter zitting zullen verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Duitse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.

2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In het voornemen van 19 november 2020 heeft verweerder gesteld dat eiser op 27 oktober 2020 met onbekende bestemming is vertrokken blijkens meldingen van de Vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit heeft verweerder bevestigd met het schrijven van 11 december 2020,

waarbij verweerder heeft verzocht om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 2 december 2020 laten weten dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn, omdat zij geen nadere relevante informatie meer heeft ontvangen van eiser. Zij laat weten dat eiser ook niet aanwezig zal zijn.

3. Uit vaste rechtspraak1 blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op het verzoek. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

4. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde van eiser weet waar eiser verblijft en dat hij nog contact met haar onderhoudt. De gemachtigde van eiser heeft zowel in de zienswijze als in de beroepsgronden niet gereageerd op de melding dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken per 27 oktober 2020. Vervolgens heeft de gemachtigde in haar bericht van 2 december 2020, waarin zij laat weten dat eiser en zij niet ter zitting aanwezig zullen zijn, niet verklaard dat zij nog contact onderhoudt met eiser. Ook naar aanleiding van het bericht van verweerder van 11 december 2020 met het verzoek om het beroep niet- ontvankelijk te verklaren, heeft de gemachtigde van eiser niet laten weten dat zij nog contact heeft met eiser.

5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen concreet procesbelang voor eiser meer is.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

1 Vgl. ABRvS, 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

18 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. J.J. Catsburg T.R. Vos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.