Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15176

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
AWB 20/2116
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1(F), arrest K. en H.F.

Samenvatting:

Eiser heeft verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder heeft deze aanvraag mede opgevat als een verzoek om opheffing van het inreisverbod. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat op eiser artikel 1(F) Vlv van toepassing is.

De rechtbank overweegt dat in rechte vast is komen te staan dat op eiser artikel 1(F) Vlv van toepassing is. De door eiser in deze procedure ingebrachte stukken werpen geen ander licht op dit oordeel.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, in het licht van het arrest K. en H.F., deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke, voldoende en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft het belang van de openbare orde ook zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van eiser. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2116

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 maart 2019 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 13 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder is verschenen M.O. Salim, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [1970] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser verblijft sinds 1999 in Nederland. Hij heeft hier drie maal asiel aangevraagd, maar alle drie deze aanvragen zijn door verweerder afgewezen. Aan deze afwijzingen heeft verweerder steeds ten grondslag gelegd dat eiser (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden voor mensenrechtenschendingen in Afghanistan als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de periode maart 1989 tot maart 1992. Bij besluit van 13 juni 2012 is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

  2. Eiser is getrouwd en heeft vijf kinderen. Zijn echtgenote en kinderen hebben inmiddels allen de Nederlandse nationaliteit.


Moet verweerder overgaan tot opheffing van het inreisverbod?

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser tevens opgevat als een verzoek tot opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod. Verweerder is hiertoe niet overgegaan, omdat eiser naar de mening van verweerder nog altijd een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt.

4. Het toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht tot dat oordeel is gekomen, wordt gevormd door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 2 mei 2018 (het arrest K. en H.F.)1. In dit arrest heeft het Hof uiteengezet dat op grond van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch mag worden geoordeeld dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt. Het bestaan van een dergelijke bedreiging zal verweerder moeten vaststellen aan de hand van een beoordeling van zijn persoonlijke gedrag. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de vaststellingen in het 1F-besluit en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, vooral:

a. de aard en de ernst van de aan de betrokkene verweten misdrijven of gedragingen;

b. de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen;

c. het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid;

d. het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling;

e. het tijdsverloop sinds het (vermoede) plegen van de misdrijven;

f. het gedrag van de vreemdeling nadien.

5. In het primaire besluit heeft verweerder hierover overwogen dat eiser in verband wordt gebracht met zeer ernstige misdrijven, te weten het folteren van gevangenen, het plegen van buitengerechtelijke executies en het plegen van moordaanslagen. Eiser was als officier verbonden aan de Nationale Garde , onderdeel van de WAD. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 juni 2003 is geoordeeld dat eiser betrokken is geweest, althans moet hebben geweten van de mensenrechtenschendingen die door de WAD zijn gepleegd. Eiser is dus zeer nauw betrokken geweest bij het begaan van deze misdrijven. Er is geen sprake van omstandigheden die strafrechtelijke verantwoordelijkheid van eiser zouden kunnen uitsluiten. Eiser is niet strafrechtelijk veroordeeld voor de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden en er heeft ook nooit strafrechtelijke vervolging plaatsgevonden in Afghanistan. De Taliban was waarschijnlijk ook niet bekend met het feit dat eiser verantwoordelijk was voor deze misdrijven. De enkele omstandigheid dat eiser in zijn land niet strafrechtelijk is veroordeeld, zegt daarom nagenoeg niets over de ernst van de verweten misdrijven noch over eisers handelen. De misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden zijn relatief lang geleden gepleegd. Het gaat echter om dusdanig ernstige misdrijven dat ze naar hun aard zeer lang actueel blijven, waardoor het tijdsverloop sindsdien slechts een marginale betekenis kan hebben. De bedreiging van het fundamentele belang van de samenleving bestaat ook niet zozeer uit de angst voor mogelijke recidive, maar uit de aanwezigheid van eiser op Nederlands grondgebied. Tijdsverloop maakt die bedreiging niet minder actueel.
Uit eisers verklaringen door de jaren heen blijkt dat hij niet beseft welk verdriet hij door zijn misdrijven heeft aangericht en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de misdrijven. Eiser toont geen enkel berouw. Hij neemt dus geen afstand van de gepleegde misdrijven en hij conformeert zich niet aan de waarden van de Nederlandse rechtsorde.

6. In het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd, hier onder meer aan toegevoegd dat de omstandigheid dat eiser in Nederland niet strafrechtelijk is vervolgd, evenmin indicatief is voor de ernst van de tegengeworpen misdrijven. Dit hangt namelijk samen met het verschil in bewijslast in 1(F)-zaken en de bewijslast in het strafrecht.
Toepasselijkheid artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij een actuele bedreiging is voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser bestrijdt allereerst dat artikel 1(F) aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser verwijst naar eerder door hem ingebrachte brieven van [A] van 30 januari 2014, 25 maart 2014 en 29 maart 2017, een notitie van [B] van 6 mei 2018 getiteld “Informatie over de KhAD/WAD en Nationale Garde in de periode van 1985-1992” en het artikel “Waarom het KhAD/WAD ambtsbericht van 29 februari 2000 onjuist en onbetrouwbaar is” van J. Brouwer en P. Bogaers, gepubliceerd in het NJB van 20 april 2018, p. 1104 ev.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het oordeel dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is al sinds lange tijd in rechte vaststaat en in deze procedure niet nogmaals hoeft te worden gemotiveerd.

9. De rechtbank volgt verweerder in dit oordeel. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 oktober 2003, 200304357/1, is in rechte vast komen te staan dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit oordeel is gebaseerd op eisers eigen verklaringen en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000. Eisers stelling dat dit ambtsbericht op hem niet van toepassing is, omdat de Nationale Garde geen onderdeel was van de KhAD/WAD, is eerder aan de orde geweest in de procedure die is gevoerd naar aanleiding van eisers derde asielaanvraag en heeft niet geleid tot het oordeel dat het ambtsbericht op hem niet van toepassing is. De door eiser in deze procedure ingebrachte stukken werpen geen ander licht op dit oordeel zodat verweerder niet nogmaals of nader hoeft te motiveren dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.
Het arrest K. en H.F.

10. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het arrest K. en H.F. Aangezien een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt, dient er des te meer rekening te worden gehouden met de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden. Het bestreden besluit geeft daar geen blijk van. Het is aan verweerder om te onderzoeken of sprake is van strafuitsluitingsgronden. Verder gaat het bij de tegenwerping van artikel 1(F) altijd om ernstige misdrijven; het Hof noemt tijdsverloop niet voor niets toch als een factor van belang. Niet is in geschil dat sprake is van een lang tijdsverloop. Door verweerder is ook ten onrechte niet meegewogen dat eiser in Nederland al jaren een goed burger is die nooit enig stof heeft doen opwaaien, ook niet in de Afghaanse gemeenschap.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het licht van het arrest K. en H.F., deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke, voldoende en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft niet volstaan met een verwijzing naar de tegenwerping in de asielprocedure van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar heeft in het besluit gemotiveerd aandacht besteed aan alle aspecten die het Hof noemt in het arrest K. en H.F. Verweerder heeft, anders dan eiser stelt, onderzocht of sprake is van strafuitsluitingsgronden door eiser op 24 januari 2020 te horen. Tijdens dit gehoor is eiser in de gelegenheid gesteld om eventuele strafuitsluitingsgronden naar voren te brengen, maar eiser heeft dit niet gedaan. Dat eiser stelt dat hij deze niet naar voren kán brengen, omdat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, maakt niet dat het vervolgens aan verweerder is om hier verder in het algemeen onderzoek naar te doen. Ook de mate van eisers persoonlijke betrokkenheid heeft verweerder onderzocht tijdens het gehoor op 24 januari 2020. Verweerder heeft vragen gesteld over eisers werkzaamheden en over de gepleegde misdrijven door de Nationale Garde in het algemeen en eisers wetenschap daarover. De omstandigheid dat verweerder eiser niet volgt in zijn verklaringen en teruggrijpt op de vaststellingen over de werkzaamheden van eiser die ook ten grondslag liggen aan de conclusie dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is, betekent niet dat verweerder zijn beoordeling of eiser een bedreiging vormt voor de openbare orde daarop niet mag baseren. Zoals volgt uit het arrest K. en H.F. moet bij die laatste beoordeling immers rekening gehouden worden met de vaststellingen in het ten aanzien van de betrokken persoon gegeven besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten. Ook is er geen grond om aan te nemen dat verweerder een verdergaand onderzoek naar eisers positie binnen de Nationale Garde had moeten verrichten, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat volgens het arrest K. en H.F. deze beoordeling globaal mag zijn.

12. Daarnaast stelt verweerder terecht dat de omstandigheid dat niet gebleken is van een strafrechtelijke veroordeling van eiser vanwege de door hem uitgevoerde handelingen niet van doorslaggevende betekenis is. De mogelijkheden tot een strafrechtelijk onderzoek naar de handelingen van eiser zijn immers beperkt. Bovendien bestaat er een verschil in bewijslast in vreemdelingrechtelijke 1(F)-zaken en het strafrecht.

13. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser door zijn gedrag en houding, namelijk het ontkennen en bagatelliseren van zijn eigen betrokkenheid bij de begane misdrijven, geen verantwoordelijkheidsbesef toont over de gepleegde misdrijven. Eiser heeft geen openheid van zaken gegeven en laat ook niet zien dat hij afstand heeft genomen van de WAD en berouw heeft van de misstanden die daar hebben plaatsgevonden. Hoewel het juist is dat de aan eiser tegengeworpen misdrijven geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, betekent dit dat eiser nog steeds een actuele bedreiging is voor de openbare orde. Hoewel tijdsverloop een relevant gegeven is om te beoordelen, kan de uitzonderlijke ernst van de betrokken handelingen, ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop, het voortbestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving inhouden (overweging 58 van het arrest K. en H.F.).
Dat verweerder hierbij (ook) belang mag hechten aan de houding die eiser aanneemt ten opzichte van de gepleegde misdrijven, volgt uit overweging 60 van het arrest K. en H.F.

14. Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is van het fundamentele belang van de samenleving.
Evenredigheidsbeginsel

14. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder geen kenbare en inzichtelijke motivering op grond van het evenredigheidsbeginsel heeft gemaakt. Eisers belangen zijn gelegen in zijn gezins- en privéleven. Ook de belangen van zijn gezinsleden, waaronder minderjarige kinderen, moeten worden betrokken. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 20202.

16. Uit het arrest K. en H.F. volgt dat verweerder de bescherming van het fundamentele belang van de samenleving moet afwegen tegen de belangen van de betrokken persoon met betrekking tot de uitoefening van zijn recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet onevenredig is om aan het inreisverbod vast te houden. Verweerder heeft alle omstandigheden meegenomen in de beoordeling. De echtgenote en kinderen van eiser hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen in Nederland. Daartegenover staat het belang van de Nederlandse samenleving om niet geconfronteerd te worden met mensen die elders zware misdrijven hebben gepleegd. Verweerder heeft het belang van de openbare orde naar het oordeel van de rechtbank zwaarder kunnen laten wegen.

16. Eisers stelling dat het inreisverbod het daarmee beoogde doel niet kan dienen, omdat eiser niet uitzetbaar is en verweerder om die reden zou moeten onderzoeken of een minder vergaande maatregel mogelijk is, slaagt niet. Eiser draagt immers de verantwoordelijkheid om Nederland (en de Europese Unie) zelfstandig te verlaten en heeft niet aangetoond dat er geen enkel ander land is waar hij zich zou kunnen vestigen.
Artikel 20 van het VwEU

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat eiser aan het arrest Chavez-Vilchez geen aanspraken kan ontlenen op grond waarvan het inreisverbod moet worden opgeheven of een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan moet worden toegekend. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat wanneer eiser een land heeft gevonden waar hij zich kan vestigen, zal worden beoordeeld of het vertrek uit Nederland tot gevolg heeft dat ook zijn minderjarige zoon uit Nederland moet vertrekken.

20. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. B. Fijnheer en

mr. I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:EU:C:2018:296 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:62016CJ0331&from=NL)

2 ECLI:NL:RBDHA:2020:3502