Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15170

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
AWB 19/6307 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK ongewenstverklaring. Actuele en ernstige bedreiding, terugwerkende kracht, tbs-maatregel, privéleven, banden met NL, minder vergaande maatregel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/ 6307

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 december 2020 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan beëindigd en is eiser ongewenst verklaard.

Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht

1. Eiser heeft verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek in te willigen.

Feiten

2. Eiser bezit de Duitse nationaliteit. Hij is op onbekende datum, naar eigen zeggen in november 2016, Nederland binnengekomen. Op 12 januari 2019 is eiser door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging vanwege poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De betreffende feiten zijn gepleegd op 13 en 15 januari 2017.

Bestreden besluit

3. In het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste primaire besluit, neemt verweerder het standpunt in dat de persoonlijke gedragingen van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen, waardoor het rechtmatig verblijf van eiser wordt beëindigd en hij ongewenst wordt verklaard. Eiser bevond zich ten tijde van het bestreden besluit vanaf 15 januari 2017 ononderbroken in strafrechtelijke detentie vanwege de eerder genoemde veroordeling wegens een ernstig geweldsdelict. De maatregel van terbeschikkingstelling moest op het moment van het bestreden besluit nog ten uitvoer worden gelegd. Op basis van een rapportage van het Pieter Baan Centrum van 3 november 2017 en onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam concludeert verweerder dat er een hoge kans op recidive is in een soortgelijk geweldsdelict. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser door de detentie in ieder geval met ingang van 15 januari 2017 geen rechtmatig verblijf meer heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Verweerder beëindigt het verblijfsrecht van eiser en verklaart hem ongewenst1. De verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring zijn niet in strijd zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), aldus verweerder.

Verblijfsbeëindiging met terugwerkende kracht

4. Eiser heeft aangevoerd dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland niet met terugwerkende kracht kan worden beëindigd, en dat in voorkomende gevallen een aanvullende belangenafweging en motivering is vereist. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het arrest Y.Z. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 maart 20192. Voor zover dit arrest volgens de rechtbank onvoldoende duidelijk is, verzoekt eiser de rechtbank prejudiciële vragen te stellen.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het rechtmatig verblijf is beëindigd met ingang van 18 maart 2019 met het primaire besluit van 18 maart 2019. De vermelding in het bestreden besluit dat in het primaire besluit is uitgelegd waarom het verblijfsrecht per 15 januari 2017 is beëindigd, bevat een verschrijving. In het primaire besluit is onderscheid gemaakt tussen enerzijds het eindigen van het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn door de strafrechtelijke detentie per 15 januari 2017 en anderzijds het beëindigen van het verblijfsrecht. Er is dus geen sprake van beëindiging van het rechtmatig verblijf met terugwerkende kracht, aldus verweerder.

6. De rechtbank volgt verweerder dat het rechtmatig verblijf is beëindigd met ingang van de datum van de bekendmaking van het primaire besluit. Er is geen sprake van een beëindiging met terugwerkende kracht. Het bestreden besluit bevat op dit punt een kennelijke verschrijving. In plaats dat het verblijfsrecht per 15 januari 2017 is beëindigd, zoals in het bestreden besluit staat, moet worden gelezen dat dit per 15 januari 2017 is geëindigd. Dat het rechtmatig verblijf met ingang van 15 januari 2017 is geëindigd, houdt verband met de detentie van eiser en de gevolgen daarvan voor zijn ononderbroken rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Deze vraag is enkel relevant voor de vaststelling of eiser een duurzaam verblijfsrecht heeft. Dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht heeft, is verder geen punt van discussie. Omdat het verblijfsrecht niet met terugwerkende kracht is ingetrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aangezien dit niet relevant is voor de oplossing van het geschil3. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beëindiging rechtmatig verblijf

7. Eiser heeft aangevoerd dat in zijn geval geen sprake is van een werkelijke bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Bij de beoordeling van zijn persoonlijk gedrag had verweerder moeten meewegen dat de strafbare feiten tijdens psychoses zijn gepleegd. Verder is sprake van een tbs-maatregel en zo lang de dreiging op recidive werkelijk actueel is, zal eiser niet vrijelijk in de maatschappij kunnen bewegen. Gelet hierop ontbreekt een werkelijke dreiging.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de tbs-maatregel van eiser nog steeds voortduurt, en hij zich niet zonder voorwaarden vrij in de samenleving mag begeven, aangeeft dat de dreiging ook nog steeds voortduurt. Verweerder verwijst naar de beschikbare psychologische rapportage en stelt dat van een positieve gedragsverandering niet is gebleken.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestaan van een werkelijke bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving deugdelijk heeft gemotiveerd. Niet in geschil is dat de bedreiging actueel en voldoende ernstig is gelet op het strafbare feit dat eiser in 2017 heeft gepleegd, namelijk poging doodslag, meermalen gepleegd, en waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en een tbs-maatregel. Uit het voortduren van de tbs-maatregel heeft verweerder ten aanzien van eiser terecht een onverminderd gevaar voor de openbare orde aangenomen4. Dat eiser als gevolg van de tbs-maatregel niet kan recidiveren en hij pas vrij zal komen indien hij geen gevaar meer vormt, zijn geen omstandigheden die van betekenis zijn voor het vaststellen van een werkelijke bedreiging. Het vaststellen daarvan vindt plaats op het moment van het nemen van het besluit tot beëindiging van het verblijf waarbij het gevaar voor recidive wordt beoordeeld. Dat dit gevaar nog steeds werkelijk is, blijkt uit de brief van de directeur van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht te Balkbrug van 21 september 2020, waarin onder meer is vermeld dat eiser lijdt aan een stoornis van zijn geestvermogens waarvan aannemelijk is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden afgewend. Dat het plegen van strafbare feiten was ingegeven door psychoses is gelet op het voorgaande niet een omstandigheid in het persoonlijk gedrag van eiser die de dreiging die van hem uitgaat, wegneemt. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de beëindiging van het rechtmatig verblijf rekening moet houden met de duur van het verblijf van een betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst. In het geval van eiser is van belang dat hij geen banden heeft met Duitsland. Hij heeft daar geen familie waarmee hij contact heeft. Ook is eiser bekend met een schizofreniespectrumstoornis dan wel een andere psychotische stoornis, waarvoor hij wisselend dwangmedicatie krijgt voorgeschreven. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden, aldus eiser.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de persoonlijke banden van eiser met Duitsland in voldoende mate heeft meegewogen en deze terecht heeft afgezet tegen de banden die eiser met Nederland heeft. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om niet tot beëindiging van het rechtmatig verblijf over te gaan. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser het grootste deel van zijn leven in Duitsland heeft gewoond, daar onderwijs heeft gevolgd en enige werkervaring heeft opgedaan. De rechtbank volgt verweerder dat niet valt in te zien dat in Duitsland opgebouwde sociale- en culturele banden met een verblijf in Nederland van slechts twee jaar volledig zijn verdwenen. Eiser heeft nooit in Nederland gewerkt en zit sinds 15 januari 2017, dus het grootste deel van zijn verblijf hier te lande, in detentie. In de door eiser genoemde gezondheidsproblemen heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om van verblijfsbeëindiging af te zien. Dat eiser door deze problemen gebonden is aan Nederland en niet terug zou kunnen naar Duitsland, is niet aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ongewenstverklaring

12. Omdat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt en eiser onherroepelijk is veroordeeld, is verweerder ook bevoegd om eiser ongewenst te verklaren5. In de enkele niet toegelichte stelling dat de tbs-behandeling voor eiser van levensbelang is, heeft verweerder niet ten onrechte geen aanleiding gezien om van ongewenstverklaring af te zien.

Minder vergaande maatregel

13. Volgens eiser had verweerder dienen na te gaan of andere maatregelen mogelijk zijn die de vrijheid van verkeer en verblijf van eiser minder aantasten en even doeltreffend zijn om de bescherming van de fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving te beschermen. Daarbij verwijst eiser naar een tweetal arresten van het Hof van Justitie, namelijk K. en H.F. en Aladzhov6. Eiser stelt dat zowel hij als de maatschappij beter gediend zouden zijn met een toetsing van het verblijfsrecht na afloop van zijn tbs-behandeling. Ook kan volgens eiser gedacht worden aan een voorwaardelijke verblijfsbeëindiging als doeltreffende maatregel.

14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er gelet op de ernst van de gepleegde strafbare feiten en de daarop gevolgde veroordeling geen andere doeltreffende maatregelen mogelijk zijn dan een beëindiging van het verblijf en een ongewenstverklaring.

15. Omdat sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, heeft verweerder het rechtmatig verblijf van eiser kunnen beëindigen en eiser ongewenst kunnen verklaren. Wat eiser als minder vergaande maatregelen voorstelt, betekent feitelijk dat verweerder nu niet overgaat tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en ongewenstverklaring. Gelet op de eerder vastgestelde bedreiging kan de door eiser voorgestelde minder vergaande maatregelen niet worden aangemerkt als doeltreffend of als voldoende waarborg om fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving te beschermen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

16. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het beëindigen van zijn rechtmatig verblijf en de ongewenstverklaring strijdig zijn met de uitoefening van zijn privéleven in Nederland. Hij wijst daarbij op de tbs-maatregel die hij wenst voor de behandeling van zijn psychoses. Volgens het arrest Bensaïd7 zijn geestelijke gezondheid en behoud van een geestelijke stabiliteit ook elementen die door artikel 8 van het EVRM worden beschermd.

17. Verweerder heeft aan de hand van de door het EHRM ontwikkelde criteria (guiding principles), zoals vastgesteld in de arresten Boultif tegen Zwitserland8 en Üner tegen Nederland9, beoordeeld of de beëindiging van het verblijf in strijd is met het privéleven van eiser. Verweerder heeft daarbij acht geslagen op de aard en de ernst van de gepleegde misdrijven, de duur van het verblijf in Nederland, de aard van het verblijfsrecht, het tijdsverloop sinds de misdrijven en de gedragingen gedurende die tijd, de nationaliteit van verzoeker, de sociale en culturele banden met Nederland en met Duitsland. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat het belang van de bescherming van de openbare orde tegen de aanwezigheid van eiser in Nederland zwaarder weegt dan eisers persoonlijk belang om in Nederland te mogen blijven. Eiser heeft niet nader gemotiveerd en ook niet concreet gemaakt waarom zijn geestelijke gezondheidstoestand en de behandeling daarvan in zijn specifieke geval zwaarder weegt dan het belang van de staat om eiser ter bescherming van de openbare orde, geen verblijf in Nederland toe te staan. Dat de geestelijke gezondheidstoestand en de behandeling in het licht van het arrest Bensaïd een rol speelt in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 8 van het EVRM, vormt in dit verband een onvoldoende onderbouwing. Voor het oordeel dat verweerder met het bestreden besluit een ongeoorloofde inbreuk maakt op het privéleven van eiser in Nederland, bestaat geen aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt niet.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en

mr. I. Helmich, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd om deze

uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), artikel 3.86 van het Vb, artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en Hoofdstuk A4/3.8 en B10/2.3 van de Vreemdelingecirculaire 2000

2 ECLI:EU:C:2019:203, C-557/17

3 Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10

4 Zie in dit verband ook ABRvS 28 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:237

5 Artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

6 HvJEU 2 mei 2018, ECLI: EU:C:2018:296, in de zaken K. en H.F, punt 64, en 17 november 2011, ECLI-EU:C:2011:750 in de zaak Aladzhov, punt 47,

7 EHRM 6 februari 2001, nr. 44599/98

8 EHRM 2 augustus 2001, nr. 54273/00

9 EHRM 18 oktober 2006, nr. 46410/99