Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15161

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
NL20.19662
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT, medische omstandigheden kunnen niet tot verlening van een asielvergunning leiden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.19662

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Diallo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Guinese nationaliteit en hij is geboren op [1996] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2015 bij een grootschalige demonstratie in verband met de verkiezingen door de politie is mishandeld. Hij stelt verder dat hij bij terugkeer naar Guinee geen behandeling zal kunnen krijgen voor zijn medische aandoening. Hij zal dan in een situatie terecht komen waarin hij moet vrezen voor zijn leven of voor onomkeerbare schade aan zijn gezondheid.

3. Verweerder vindt de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en problemen in 2015 geloofwaardig. Verweerder vindt het niet aannemelijk dat eiser om enige reden in de bijzondere negatieve belangstelling van de Guinese autoriteiten is komen te staan. Volgens verweerder is de vrees van eiser voor wat hem bij terugkeer in Guinee zal overkomen als gevolg van zijn medische situatie niet te herleiden tot één van de gronden in het Vluchtelingenverdrag. Aldus komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een asielvergunning op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, van

de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM1 in verband met zijn medische situatie, beoordeelt verweerder in het kader van de vraag of eiser uitstel van vertrek moet worden verleend in verband met zijn gezondheidstoestand2 en niet in de asielprocedure. Verweerder verleent eiser uitstel van vertrek voor de duur van maximaal zes maanden.

4. Eiser voert in beroep geen gronden aan tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het standpunt van verweerder dat hij niet te vrezen heeft voor vervolging door de Guinese autoriteiten. Eiser stelt slechts dat verweerder zijn medische situatie ten onrechte niet in het kader van zijn asielaanvraag heeft beoordeeld. Hij meent dat hem bij terugkeer naar Guinee een onmenselijke behandeling te wachten staat. Daarmee is de bepaling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw op hem van toepassing, aldus eiser. Volgens eiser vindt de handelswijze van verweerder, inhoudende dat zijn beroep op artikel 3 van het EVRM behandeld dient te worden in het kader van de beoordeling aan artikel 64 van de Vw, geen steun in het arrest Paposhvili tegen België3.

5. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van

18 december 2014 in de zaak M’Bodj4 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 20175 volgt dat medische omstandigheden niet tot verlening van een asielvergunning kunnen leiden. In een asielprocedure beoordeelt verweerder een beroep op medische omstandigheden alleen bij zijn ambtshalve beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Dit heeft verweerder gedaan. Verweerder heeft de beoordeling dus correct verricht. Daarmee faalt de beroepsgrond van eiser.

6. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als ongegrond.

7. Het beroep van eiser is dus ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.

1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

2 Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

3 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.

4 ECLI:EU:C:2014:2452

5 ECLI:NL:RVS:2017:1733, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 1.3 en 1.4.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. R.J.A. Schaaf A.E. van Gestel

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.