Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15160

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
27-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/3992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft mogen concluderen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning op basis van huiselijk geweld, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 30 juli 2019. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor het wijzigen van het doel van haar verblijfsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Ze is met ingang van 17 april 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. Op 21 augustus 2019 heeft verweerder van de heer [A] , referent en de (ex-)partner van eiseres, een melding ontvangen waarin hij aangeeft dat de gezinsband is verbroken en hij en eiseres sinds 30 juli 2019 niet meer samenwonen. Eiseres heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het doel van haar verblijfsvergunning naar ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat ze slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, gepleegd door haar ex-partner.

2. Verweerder heeft de aan eiseres verleende verblijfsvergunning met ingang van 30 juli 2019 ingetrokken omdat niet meer is voldaan aan het doel waarvoor de verblijfsvergunning is verleend. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning afgewezen, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot de feitelijke verbreking van haar relatie met referent. Eiseres voldoet daarom niet aan het door verweerder gevoerde beleid over huiselijk geweld.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet ter discussie staat dat eiseres geen relatie meer heeft met haar ex-partner en dat zij daarom niet meer voldoet aan het doel waarvoor de vergunning oorspronkelijk is verleend. De beroepsgronden van eiseres betwisten het standpunt van verweerder dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op basis waarvan de wijzing van het doel van de verblijfsvergunning moet worden verleend.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Aan een vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft gehad als familie- of gezinslid, kan een verblijfsvergunning in verband met ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ worden verleend als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden na het verblijf als familie- of gezinslid.1 In het beleid is bepaald dat onder meer een verblijfsvergunning wordt verleend als een vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie.2

Verweerder beschouwt het volgende als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • -

    Recente bescheiden van de politie, waarbij bij de politie aannemelijk gemaakt moet zijn dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden; óf

  • -

    Een recente verklaring van de politie of het Openbaar Ministerie (OM) dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.

In combinatie met recente medische informatie van de (vertrouwens)arts, een recente verklaring van een andere hulpverlener, recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.3

5. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat zij voldoende heeft aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie. Eiseres verklaart dat haar ex-partner haar vele malen heeft gedwongen om seksuele handelingen te verrichten, zowel met hem als met zijn vrienden. Ook werd ze veelvuldig door hem bedreigd en gechanteerd. Ze moest hem haar inkomsten geven, omdat hij er anders voor zou zorgen dat ze naar Marokko zou worden uitgezet. Eiseres heeft van eind augustus 2019 tot november 2019 in de vrouwenopvang [vrouwenopvang 1] te [plaats 1] verbleven en is daarna voor haar veiligheid overgeplaatst naar de opvang in [plaats 2] . Zij heeft verder in september 2019 al contact opgenomen met AVIM voor het doen van aangifte, maar kon hier uiteindelijk pas op 3 maart 2020 terecht. Zij is toen doorverwezen naar de zedenpolitie, waar ze op 10 maart 2020 is verhoord. Uiteindelijk is de aangifte in mei 2020 opgenomen door de zedenpolitie in [plaats 2] . Ze heeft hiervan geen documenten meegekregen en kan dit daardoor niet overleggen. Eiseres voert aan dat ze met de wel overgelegde stukken voldoende heeft aangetoond dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

Eiseres heeft ter onderbouwing de volgende stukken overgelegd:

  • -

    Diverse e-mails tussen gemachtigde en de politie over het maken van een afspraak voor een intakegesprek;

  • -

    Een ingevuld formulier ‘Risicoscreening in Opvanginstellingen 2012’ van het [onderzoeksinstituut] ;

  • -

    Een aanmeldingsformulier voor [vrouwenopvang 2] (de vrouwenopvang);

  • -

    Verschillende WhatsApp-conversaties, waarvan eiseres stelt dat deze tussen haar en haar ex-partner hebben plaatsgevonden;

  • -

    Een bericht van de gemachtigde aan de politie van 6 september 2020 over het doen van aangifte.

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat ze in juni 2020 een vervolgaangifte heeft gedaan. In december 2020 zal nogmaals een vervolgafspraak bij de politie plaatsvinden voor de aangifte. Zij heeft daarvan nog steeds geen documenten meegekregen. Ook verblijft eiseres nog in de opvang in [plaats 2] . Eiseres heeft tot slot gewezen op pagina twee van het formulier ‘Gestandaardiseerde aanmelding’, die zij in bezwaar heeft overgelegd. Daaruit volgt dat er door de opvanginstelling een risicoanalyse is gemaakt op basis van informatie afkomstig van de politie, en dus niet alleen op basis van de eigen verklaringen van eiseres. Tot slot wijst eiseres op een audiobericht van drie minuten in de WhatsApp-conversatie. In dit bericht heeft de ex-partner van eiseres bedreigingen geuit naar haar. Daarnaast blijkt dat sprake is van bedreiging in de vorm van stalken uit de vele berichten die de ex-partner naar eiseres heeft gestuurd.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie tussen haar en referent. Eiseres heeft niet de documenten overgelegd die daarvoor worden vereist in paragraaf B9/20.2 van de Vc. Eiseres verklaart dat zij wel bij de politie is geweest op 10 maart 2020 en dat zij de aangifte in mei 2020 heeft gedaan, maar dat zij hier geen kopie of andere documenten van heeft meegekregen. Ook van de weigering om haar documenten mee te geven kan ze geen schriftelijke verklaring of bevestiging krijgen. De rechtbank overweegt hierover dat het aan eiseres is om het huiselijk geweld aan te tonen. Als het niet mogelijk is om een kopie van haar aangifte mee te krijgen is het dan ook aan haar om dit aan te tonen. Dit heeft zij met haar enkele verklaring niet gedaan. Eiseres heeft wel stukken over verblijf in de opvang overgelegd. Maar daarnaast wordt ook verlangd dat er bescheiden van de politie worden overgelegd waaruit is op te maken dat voor de politie aannemelijk is dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden óf een verklaring dat er vervolging tegen de dader is ingesteld. Nu eiseres dit niet heeft gedaan heeft zij dus niet de benodigde stukken overgelegd als vermeldt in paragraaf B9/20.2 van de Vc.

7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat verweerder van het beleid dient af te wijken. Met de wel door haar overgelegde stukken is het huiselijk geweld voldoende aangetoond en eiseres heeft van de politie nog geen stukken kunnen krijgen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uit de WhatsApp-berichten is allereerst niet af te leiden dat er huiselijk geweld tussen eiseres en haar ex-partner heeft plaatsgevonden, of dat eiseres door haar ex-partner is bedreigd. Dat referent vele berichten heeft gestuurd en eiseres vaak heeft gebeld, is daarvoor onvoldoende. Het audiobericht waar eiseres op zitting naar heeft verwezen is niet ingebracht in bezwaar of in beroep. Er is alleen te zien dat er een audiobericht naar eiseres is verzonden, maar de rechtbank heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan. Verder is het aanmeldformulier waaruit blijkt dat er een risicoanalyse is gemaakt aan de hand van informatie van de politie onvoldoende als bewijsmiddel van het huiselijk geweld zoals dat in deze procedure wordt gevraagd. Daaruit volgt wel dat referent en zijn familie bekend is bij de politie en dat de politie met druk adviseert om eiseres naar een andere opvang over te plaatsen, maar de informatie van de politie heeft niet kenbaar betrekking op het gestelde huiselijk geweld. Dat eiseres nog steeds in de opvang zit heeft bovendien voor verweerder niet doorslaggevend hoeven zijn, omdat de opvang naast het hiervoor genoemde advies wordt aangeboden op basis van de verklaringen van eiseres zelf. Eiseres heeft daarom ook met de door haar overgelegde stukken niet voldoende aangetoond dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie en daarin aanleiding is gelegen van het beleid af te wijken. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beleid van verweerder in de onderhavige situatie niet onredelijk is. De beroepsgronden slagen niet.

8. Eiseres voert tot slot aan dat in de bezwaarfase de hoorplicht, zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in de bezwaarfase afzien als sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Daarvan is sprake als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Gelet op het primaire besluit en het daartegen gemaakte bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan. Het was op grond van wat werd aangevoerd in bezwaar en de overgelegde stukken op voorhand duidelijk dat eiseres niet de benodigde bewijsmiddelen had overgelegd ter onderbouwing van het door haar gestelde huiselijk geweld. Het bezwaar kon dus niet tot een ander besluit leiden en daarover was redelijkerwijs geen twijfel mogelijk.

9. Bovenstaande betekent dat verweerder heeft mogen concluderen eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning op basis van huiselijk geweld. Verweerder heeft de aanvraag tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning dan ook af mogen wijzen. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 3.51, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder c van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

2 Paragraaf B9/8.6 in samenhang met B9/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

3 Paragraaf B9/20.2 van de Vc.