Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5224
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond, verval van vakantie-uren in geval van arbeidsongeschiktheid, informatieplicht verweeerder, ARAR, artikel 23a, tweede lid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/5224 en SGR 19/7725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.W.L. van de Put),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.T. Salden).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2019 (het bestreden besluit I), heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 22 januari 2019 (het primaire besluit I), inhoudende het niet laten vervallen van 72 uur van het vakantie-tegoed van eiser over het jaar 2016, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten, de salarisspecificaties van november 2017 en februari 2019 (primaire besluiten II), niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

Op 29 oktober 2020 en 4 november 2020 heeft eiser nadere stukken ingediend.

Bij e-mail van 6 november 2020 heeft verweerder hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding op 11 november 2020. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder hebben daaraan deelgenomen.

Overwegingen

Het beroep, geregistreerd onder nummer SGR 19/5224, gericht tegen het bestreden besluit I, inzake het terugboeken van vervallen vakantie-tegoed.

1. Eiser is sinds 1 september 1982 werkzaam bij verweerder.

1.1.

Uit de overgelegde rapportages en werkhervattingsadviezen van de bedrijfsarts over de jaren 2016 en 2017 blijkt dat eiser (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was.

1.2.

Bij besluit van 27 november 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23a, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) besloten 72 uur van eisers vakantie-tegoed in 2016 niet te laten vervallen.

1.3.

Bij het primaire besluit I heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 27 november 2018, een nieuw besluit genomen ter zake van de instandhouding van eisers vakantie-uren. In dit besluit is een regeling opgenomen met betrekking tot de niet opgenomen vakantie-uren van eiser over de jaren 2016 en 2017.

1.4.

Eiser heeft verweerder op 25 april 2019 ingebreke gesteld, vanwege het uitblijven van een beslissing op eisers bezwaarschrift van 3 januari 2019.

2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het primaire besluit I gehandhaafd. Aan dit besluit heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft erop gewezen dat, gelet op artikel 23a, eerste lid, van het ARAR, de aanspraak op wettelijke vakantie-uren vervalt na verloop van één jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Niet opgenomen vakantie-uren uit 2016 vervallen per 1 januari 2018. Van deze wettelijke vervaltermijn kan slechts in specifieke omstandigheden worden afgeweken. Dergelijke omstandigheden heeft eiser niet aangevoerd. Dat eiser ten tijde van belang arbeidsongeschikt was, is niet voldoende, omdat niet is gebleken dat voor eiser een medisch beletsel bestond om vakantie op te nemen. Eiser had contact moeten opnemen met de bedrijfsarts over het opnemen van vakantie-uren. Dit heeft eiser niet gedaan. Anders dan eiser stelt, was er daarom aanleiding om deze nog openstaande uren te laten vervallen. Partijen zijn in een lange juridische strijd verwikkeld. Op grond van goed werkgeverschap heeft verweerder in overleg met eiser aangeboden het verlies aan vakantie-uren te delen, zodat eiser, geplaatst op een nieuwe functie op zijn niveau, een nieuwe start zou kunnen maken zonder dat dit zou worden overschaduwd met een onplezierige discussie over het vervallen van zijn vakantie-uren. Eiser was daar aanvankelijk positief over. Dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld vakantie-uren op te nemen heeft, bestrijdt verweerder. Bovendien heeft eiser deze stelling niet onderbouwd. Het besluit is daarom overeenkomstig met de regelgeving en niet in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de ingebrekestelling prematuur is, zodat deze niet kan leiden tot het verbeuren van een dwangsom. Verweerder wijst in dit verband op een brief van 11 januari 2019.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit I en voert aan dat zijn aanspraak op verlof over 2016 volledig moet worden hersteld en dat de dwangsom moet worden uitbetaald. Eiser is niet in staat geweest zijn vakantie-uren op te nemen, omdat hij arbeidsongeschikt was. Verweerder heeft eiser niet in de gelegenheid gesteld zijn vakantie-uren op te nemen. Eiser heeft eind 2016 geprobeerd hierover in gesprek te gaan met zijn werkgever, maar op zijn bericht is nooit gereageerd. Daarnaast heeft verweerder eiser niet geïnformeerd dat zijn vakantie-uren zouden vervallen, als hij deze niet voor de vervaldatum zou opnemen. Eiser stelt dat verweerder een informatieplicht heeft. Eiser verwijst in dit verband naar jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (het Hof) van 6 november 2018, kenmerk ECLI:EU:C:2018:874, C-684/16, Max Planck/Shimizu. Eiser betwist dat de ingebrekestelling prematuur is. De brief van 11 januari 2019 heeft hij niet ontvangen.

4. Op grond van artikel 23a, eerste lid, van het ARAR vervalt de aanspraak op wettelijke vakantie-uren na verloop van één jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.

Op grond van artikel 23a, tweede lid, van het ARAR staat het bevoegd gezag toe dat van het eerste lid wordt afgeweken, indien de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is geweest de wettelijke vakantie-uren binnen de in het eerste lid genoemde termijn op te nemen.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, wat grotendeels een herhaling vormt van dat wat al in bezwaar naar voren is gebracht en waarop verweerder in de bestreden besluiten al gemotiveerd is ingegaan, geen aanleiding voor een ander oordeel nu eiser niet heeft aangegeven wat er niet juist is aan de motivering van het bestreden
besluit I.

5.2.

Verval van vakantiedagen is niet mogelijk voor zover de werknemer ten gevolge van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is geweest vakantiedagen op te nemen. Zie in dit verband de uitspraak van 26 november 2015, CLI:NL:CRVB:2015:4216.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser ten gevolge van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is geweest zijn over 2016 en 2017 opgebouwde verlof op te nemen. Daarbij merkt de rechtbank op, voor zover relevant, dat uit de overgelegde rapportages en werkhervattingsadviezen van de bedrijfsarts over de jaren 2016 en 2017 niet blijkt, anders dan eiser stelt, dat eiser volledig arbeidsongeschikt was.

5.4.

Zoals verweerder heeft verwoord in het bestreden besluit en het verweerschrift dient in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid de werknemer contact te leggen met zijn werkgever over het opnemen van vakantie-uren. Indien medische beletselen aanwezig zijn, waardoor de werknemer medisch niet in staat is vakantie-uren op te nemen dan dient de bedrijfsarts hierover uitsluitsel te geven. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser zijn wensen met betrekking tot zijn vakantie-uren kenbaar heeft gemaakt aan zijn werkgever kenbaar of de bedrijfsarts. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij eind 2016 heeft geprobeerd met zijn werkgever hierover in gesprek te komen, maar dat op zijn bericht nooit is gereageerd, is onvoldoende.

5.5.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zijn vakantie-uren niet zijn vervallen, omdat verweerder hem had moeten inlichten over het vervallen van zijn vakantie-uren, zodat hij daar gebruik van had kunnen maken. Het systeem van P-Direkt geeft voor eiser per categorie van verlofuren aan op welke datum die uren vervallen. Bij elke opname van verlofuren kan de gebruiker van het systeem die datum waarnemen. Van eiser mag worden verwacht dat hij hiermee bekend is, gezien zijn achtergrond als leidinggevende. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank verder terecht gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer bij het tijdig opnemen van vakantie-uren.

5.6.

In hetgeen eiser voor het overige heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

De dwangsom

6. Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan de beslissing op een bezwaar voor ten hoogste zes weken verdagen.

6.1.

In de door verweerder aangetekend verzonden brief van 11 januari 2019 aan betrokkene is het volgende opgenomen: ‘U heeft mij verzocht om uitstel tot 1 maart 2019 voor het indienen van de gronden voor het bezwaar. Dit uitstel verleen ik u bij dezen. De wettelijke termijn voor het beslissen op een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Dit wordt gerekend vanaf het einde van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om deze termijn met zes weken te verlengen. Van deze mogelijkheid maak ik in dit geval’.

6.2.

Eiser heeft de ontvangst van deze brief echter ontkend en verweerder om bewijs van de verzending verzocht. Verweerder heeft bij brief van 6 november 2020 aan dit verzoek voldaan en een verzendbewijs overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overleggen van het verzendbewijs aannemelijk gemaakt dat de brief van 11 januari 2019 is verzonden naar het adres van de gemachtigde van eiser. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser daarom niet in zijn stelling dat hij deze brief niet heeft ontvangen. De enkele ontkenning ter zitting dat de handtekening op het ontvangstbewijs niet van de gemachtigde van eiser is, leidt niet tot een ander oordeel.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 februari 2019 aanvullend bezwaar heeft gemaakt, gericht tegen het primaire besluit I. Gelet op de brief van 11 januari 2019 was de beslistermijn ten tijde van de ingebrekestelling op 25 april 2019 nog niet verstreken, zodat verweerder op dat moment niet in gebreke was om een besluit op het bezwaarschrift van eiser te nemen. De ingebrekestelling is dan ook prematuur ingediend. Voor een dwangsom op grond artikel 8:55c van de Awb is dan ook geen plaats.

7. Het beroep, geregistreerd onder nummer SGR 19/5224, is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep, geregistreerd onder nummer SGR 19/7725, gericht tegen het bestreden besluit II, inzake het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.

8.
In oktober 2017 en januari 2019 heeft eiser via twee afzonderlijke IKAP-aanvragen 22 uren van zijn saldo aan resturen vakantieverlof 2015 ingezet voor een extra uitbetaling bovenop zijn bezoldiging. Uit scans van de P-Direkt formulieren, die eiser zijn toegestuurd op 29 oktober 2019, blijkt dat deze aanvragen op respectievelijk 31 oktober 2017 en 23 januari 2019 zijn verwerkt in het systeem van P-Direkt. Tevens blijkt uit de salarisspecificaties van 24 november 2017 en 22 februari 2019 (de primaire besluiten II), die eiser al in bezit had, dat de door eiser via IKAP verkochte uren 2015 zijn uitbetaald.

8.1.

Op 17 juli 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het laten vervallen van 44 resturen verlof 2015 en tegen de wijziging van de geldigheidsdatum van de resturen verlof 2015 van 31 december 2020 naar 31 december 2019.

8.2.

Bij brief van 17 oktober 2019 heeft verweerder bij eiser geïnformeerd naar de reden van de te late indiening van het bezwaar tegen de salarisspecificaties van november 2017 en februari 2019. In de daarop volgende e-mailwisseling geeft eiser aan dat hij verweerders constatering van de ontijdigheid van zijn bezwaarschrift onbegrijpelijk vindt en weerspreekt deze. Ook na een herhaald verzoek van verweerder geeft eiser geen reden voor de te late indiening van zijn bezwaar.

9. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser van 17 juli 2019 primair niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het bezwaar niet verschoonbaar te laat is ingediend. Voor zover inhoudelijk moet worden ingegaan op het bezwaar van eiser stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de stukken blijkt dat eiser de bedoelde resturen verlof 2015 via IKAP heeft verkocht, waardoor de 44 uren zijn afgeboekt. Verder heeft verweerder aangegeven dat tijdens de hoorzitting van 8 oktober 2019 is getracht eiser dit uit te leggen, maar dat eiser deze uitleg niet wilde aanvaarden. Zo is toegelicht dat de geldigheidsdatum om administratieve redenen is gewijzigd, waarbij de geldigheid van de uren is behouden. Eiser is hierdoor niet benadeeld, zodat hij geen procedureel belang meer heeft bij het maken van bezwaar voor zover dit is gericht tegen de geldigheidsdatum.

10. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit II en voert aan dat hij pas op 15 juli 2019 heeft geconstateerd dat zijn verlof met 44 uren was verminderd. Op 17 juli 2019 heeft eiser al bezwaar gemaakt. Eiser bestrijdt daarom dat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser handhaaft zijn stelling dat hem ten onrechte en zonder enige uitleg 44 uren zijn afgenomen en verzoekt daarom om bijschrijving van deze uren. Ook bestrijdt eiser dat hij geen procesbelang meer heeft ten aanzien van de geldigheidsduur van de resturen. Eiser meent dat de handelwijze van verweerder jegens hem in de afgelopen jaren zeer onbehoorlijk is geweest.

11. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9 van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

12. De rechtbank stelt vast dat met de salarisspecificaties van 24 november 2017 en 22 februari 2019 de primaire besluiten II aan eiser bekend zijn gemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 17 juli 2019 ruimschoots was verlopen. In wat eiser heeft aangevoerd, hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen reden te zien om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Dat eiser op 15 juli 2019 pas vernam dat zijn vakantie-tegoed was verminderd met 44 uren en hij twee dagen na deze constatering bezwaar heeft gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Het had eiser al in november 2017 en februari 2019 duidelijk moeten zijn dat de vakantie-uren aan hem waren uitbetaald, gelet op de salarisspecificaties van die maanden. Eiser had dit destijds in zijn P-Direkt-portal kunnen constateren. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar.

13. Het beroep, geregistreerd onder nummer SGR 19/7725, is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. Hoewel de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet toekomt aan de beoordeling van de beroepsgronden overweegt de rechtbank het volgende ten overvloede.

14.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser 44 verlofuren heeft verkocht via IKAP in 2017 en 2019. Eiser heeft in beroep en ter zitting aangegeven dat hij dit niet (langer) bestrijdt.

14.2.

Eiser heeft zich ter zitting echter op het standpunt gesteld dat de verkoop van deze 44 verlofuren in 2017 en 2019 niet is gerelateerd aan de 44 verlofuren die, volgens eiser, ontbreken over het jaar 2019. Eiser maakt bezwaar tegen het verdwijnen van de 44 vakantie-uren in de periode maart 2019 tot juni 2019. De rechtbank constateert dat het verdwijnen van 44 vakantie-uren in de periode maart 2019 tot juni 2019 niet in deze procedure ter discussie kan worden gesteld, omdat het bestreden besluit over de 44 verlofuren gaat die eiser heeft verkocht in 2017 en 2019. Dit betoog van eiser kan daarom niet leiden tot de door eiser gewenste bijschrijving van 44 vakantie-uren.

14.3.

Ook de overige gronden leiden niet tot een ander oordeel. Dat eiser zich onheus bejegend voelt door verweerder kan niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het vervelend is dat verwarring is ontstaan bij de verwerking van de vakantie-uren van eiser, maar dat hierover navraag is gedaan bij P-Direkt. Uit de uitleg van P-Direkt blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de verlofgegevens van eiser niet juist zijn verwerkt. Eiser blijft evenwel volhouden dat het systeem van P-Direkt niet klopt. Naar het oordeel van de rechtbank mag van eiser echter worden verwacht, gezien zijn achtergrond als leidinggevende, dat hij voldoende kennis heeft hoe het systeem van P-Direkt werkt.

14.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat de geldigheidsdatum om administratieve redenen is gewijzigd, waarbij de geldigheid van de vakantie-uren is behouden. Gelet hierop heeft eiser geen procedureel belang meer bij het maken van bezwaar over de geldigheidsdatum van de restanturen nu eiser hierdoor niet is benadeeld, nog daargelaten dat de aanpassing van de vervaldatum een (feitelijke) handeling is van P-Direkt en niet van verweerder. In wat eiser hiertegen aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

15. Het beroep, geregistreerd onder nummer SGR 19/7725, is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beide beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.