Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15137

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
NL20.20307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, geen rechtmatig verblijf, gronden niet bestreden, duur behandeling asielprocedure kan geen rol spelen in onderhavige procedure, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20307

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Hol),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 7 december 2020. Ter zitting bleek dat de tolk was verhinderd. De rechtbank heeft daarom een aanvang gemaakt met het horen van eiser en vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst.1

Het onderzoek is heropend ter zitting van 14 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw. E. Gasperovitch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Georgische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1995] .

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden2 vermeld dat eiser:

1. Op grond van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

3. en als lichte gronden3 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden van de maatregel niet heeft bestreden.

5. Eiser voert aan dat verweerder zijn (herhaalde) asielaanvraag van 6 oktober 2020 sneller had moeten behandelen nu sprake was van een kansloze asielaanvraag. Daarbij acht eiser van belang dat zijn gemachtigde verweerder heeft verzocht om met spoed op de asielaanvraag te beslissen. Verweerder heeft nu onnodig zes weken de tijd genomen om te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Als verweerder eerder had beslist op zijn asielaanvraag, had de maatregel ook sneller omgezet kunnen worden naar de huidige grondslag.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser zat vanaf 6 oktober 2020 tot 24 november 2020 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c. van de Vw. Deze maatregel is op 24 november 2020 omgezet naar de huidige maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gelet daarop stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de beroepsgrond van eiser over de duur van de behandeling van zijn asielaanvraag in de onderhavige procedure geen rol kan spelen. Bovendien is deze beroepsgrond al beoordeeld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de uitspraak van 24 november 20204 over het vervolgberoep gericht tegen de bewaringsmaatregel van eiser op grond van artikel 59b van de Vw. Onder de huidige bewaringsmaatregel is verweerder gehouden om voortvarend te werken aan de uitzetting van eiser en tussen partijen is niet in geschil dat verweerder dit ook doet. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

4 NL20.19625

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 december 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.