Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15135

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
AWB 20/2104 en AWB 20/2105
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning mogen afwijzen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een vbv op basis van huiselijk geweld. Beroep ongegrond en vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/2104 en AWB 20/2105

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. P.G.M. Lodder),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser/verzoeker (hierna: eiser) verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 25 februari 2019. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag van eiser voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1987] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij is met ingang van 10 april 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’. Op 4 maart 2019 heeft verweerder van mevrouw [referente] , referente en de (ex-)partner van eiser, een melding ontvangen waarin zij aangeeft dat de gezinsband is verbroken en zij en eiser niet meer samenwonen. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning naar ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, gepleegd door zijn ex-partner.

2. Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning met ingang van 25 februari 2019 ingetrokken omdat niet meer is voldaan aan het doel waarvoor de verblijfsvergunning is verleend. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot de feitelijke verbreking van zijn relatie met referente. Eiser heeft niet de in het door verweerder gevoerde beleid genoemde bewijsstukken overgelegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het beleid gemotiveerd waarom de aangifte, de verklaring van eisers werkgever, de informatie van de huisarts en de Blijf Groep en eisers eigen verklaring onvoldoende zijn.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet ter discussie staat dat eiser geen relatie meer heeft met zijn ex-partner en dat hij daarom niet meer voldoet aan het doel waarvoor de vergunning oorspronkelijk is verleend. In geschil is of eiser met de door hem overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld, op basis waarvan de wijzing van het doel van de verblijfsvergunning moet worden verleend.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Aan een vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft gehad als familie- of gezinslid, kan een verblijfsvergunning in verband met ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ worden verleend als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden na het verblijf als familie- of gezinslid.1 In het beleid is bepaald dat onder meer een verblijfsvergunning wordt verleend als een vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie.2

Verweerder beschouwt het volgende als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • -

    Recente bescheiden van de politie, waarbij bij de politie aannemelijk gemaakt moet zijn dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden; óf

  • -

    Een recente verklaring van de politie of het Openbaar Ministerie (OM) dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.

In combinatie met recente medische informatie van de (vertrouwens)arts, een recente verklaring van een andere hulpverlener, recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.3

5. Eiser voert in beroep aan dat hij met de overgelegde bescheiden heeft aangetoond dat hij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Verweerder doet alle bescheiden af als informatie die niet objectief is omdat er geen bewijs van eigen waarneming is, terwijl deze bescheiden normaal gesproken wel geaccepteerd worden. Eiser volgt verweerder bovendien niet in deze redenering, omdat een arts of opvang in het algemeen geen ooggetuige is van huiselijk geweld. Eiser betwist verder dat hij pas na de verbreking van zijn relatie met referente heeft gesproken over het huiselijk geweld met de huisarts. Hij is onder andere op 26 oktober 2018, 9 november 2018 en 19 november 2018 bij de huisarts geweest om over de problemen te spreken. Andere keren lukte het vaak niet om alleen naar de huisarts te gaan, omdat hij constant onder controle werd gehouden door zijn ex-partner. Bovendien miskent verweerder dat een kenmerk van huiselijk geweld is dat het vaak lang duurt voordat een slachtoffer daarover iets durft, wil en kan zeggen. Eiser heeft zijn situatie bij zijn leidinggevende op werk bespreekbaar gemaakt. De verklaring van zijn werkgever is gebaseerd op wat eiser heeft verteld, maar ook hierbij merkt eiser op dat in het geval van huiselijk geweld er meestal geen ooggetuigen zijn. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van de Blijf Groep. Blijf Groep begeleidt slachtoffers van huiselijk geweld. Op basis van de signalen en informatie is geoordeeld dat in het geval van eiser sprake is geweest van huiselijk geweld. Eiser verwijst in dit verband naar een melding door een medewerker van de Blijf Groep bij de Gender groep. Tot slot wijst eiser op het proces-verbaal van aangifte bij de politie en zijn eigen verklaring. Het besluit op bezwaar is onzorgvuldig en niet althans onvoldoende gemotiveerd.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie tussen hem en referente. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om het huiselijk geweld aan te tonen. Eiser heeft niet de documenten overgelegd die daarvoor worden vereist in paragraaf B9/20.2 van de Vc. Eiser heeft wel een kopie van de aangifte overgelegd, maar daaruit is niet op te maken dat voor de politie aannemelijk is dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Ook is er geen verklaring dat er vervolging tegen de dader is ingesteld. Ook anderszins is niet gebleken dat de politie het huiselijk geweld aannemelijk heeft geacht, zo is er niet gebleken dat er door de politie onderzoekshandelingen zijn verricht. Eiser heeft wel gesteld dat de politie is overgegaan tot het horen van mevrouw [referente] , maar heeft dit niet aangetoond. Ter zitting heeft verweerder bovendien toegelicht dat uit navraag is gebleken dat de officier van justitie de zaak van eiser heeft geseponeerd. Eiser heeft dus niet de benodigde stukken overgelegd als vermeldt in paragraaf B9/20.2 van de Vc.

7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat vanwege de stukken die hij heeft overgelegd aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Verweerder heeft dit volgens eiser vaker gedaan in vergelijkbare gevallen. Eiser heeft ter zitting twee van deze zaken toegelicht. Daarbij is het voor mannen moeilijker om melding te maken van huiselijk geweld. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Verweerder heeft met wat er is overgelegd geen aanleiding hoeven zien om van het beleid af te wijken. Uit de stukken blijkt onvoldoende de situatie zoals door eiser beschreven. Ten aanzien van de verklaring van de werkgever van eiser volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat dit slechts een weergave is van de verklaringen van eiser en dat dit een onvoldoende objectief bewijsmiddel is waaruit het door eiser gestelde huiselijk geweld zou kunnen worden afgeleid. Uit de informatie van de huisarts volgt verder dat eiser voor het verbreken van de relatie met de huisarts heeft gesproken over problemen in de relatie. Daaruit is niet af te leiden dat het huiselijk geweld betreft dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie. Verweerder heeft verder terecht meegewogen dat de melding bij de huisarts van geweld binnen de relatie dateert van na het verbreken van de relatie. Verweerder heeft daaraan niet het gewicht hoeven toekennen dat eiser daaraan toekent. Dat het voor eiser moeizaam was om het huiselijk geweld aan te kaarten, komt voor zijn risico. Met betrekking tot de informatie van de Blijf Groep heeft verweerder zich tot slot terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee het huiselijk geweld niet heeft aangetoond. Daaruit blijkt dat er een intake heeft plaatsgevonden en dat eiser is geadviseerd over het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning. Het gespreksverslag naar aanleiding van de intake betreft een weergave van de eigen verklaringen van eiser. Uit de stukken blijkt niet dat op basis van de signalen en informatie door Blijf Groep is geoordeeld dat in het geval van eiser sprake is geweest van huiselijk geweld. De rechtbank acht het beleid van verweerder niet onredelijk en verweerder heeft in de overgelegde stukken geen aanleiding hoeven zien om van zijn beleid af te wijken. Eiser heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat in gelijke gevallen wel een positief besluit is genomen. Ter zitting heeft eiser in algemene bewoording gewezen op twee zaken waarin de gemachtigde van eiser eerder heeft opgetreden. Eiser heeft van deze zaken geen (geanonimiseerde) stukken overgelegd. Dit is onvoldoende om te kunnen beoordelen of het gaat om gelijke gevallen, zodat verweerder heeft kunnen volstaan met de motivering in het bestreden besluit en de reactie ter zitting. De beroepsgronden slagen niet.

8. Eiser voert tot slot aan dat de hoorplicht is geschonden. Eiser wijst erop dat verweerder terughoudend gebruik dient te maken van de bevoegdheid om van het horen af te zien en eiser in deze zaak nadere tekst en uitleg had kunnen geven over zijn situatie. De rechtbank overweegt dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Van horen in bezwaar kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien wanneer er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gezien de motivering van het primaire besluit en wat eiser hiertegen in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan en mocht verweerder afzien van horen.

9. Bovenstaande betekent dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning op basis van huiselijk geweld. Verweerder heeft de aanvraag tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning dan ook af mogen wijzen. Het beroep is ongegrond.

10. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 3.51, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder c van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

2 Paragraaf B9/8.6 in samenhang met B9/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

3 Paragraaf B9/20.2 van de Vc.