Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15120

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/6955 en AWB 20/4997
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenwet - verzoek toepassing artikel 64 afgewezen - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/6955 (beroep) en AWB 20/4997 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 1 december 2020 in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , geboren op [1989] , van Nigeriaanse nationaliteit, eiser/verzoeker

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op 1 december 2020. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft in beide zaaknummers verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, gelet op de omstandigheden die zijn aangevoerd.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 5 november 2019 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 24 maart 2020 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Italië verantwoordelijk is. Bij uitspraak van 5 juni 2020 (NL20.7471) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep van eiser ongegrond verklaard. Op 16 juni 2020 heeft eiser een verzoek tot toepassing van artikel 64 Vw ingediend.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat artikel 64 van de Vw niet wordt toegepast wanneer een vreemdeling op grond van de Dublinverordening overgedragen kan worden, omdat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de medische voorzieningen vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten.

4. Eiser voert aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij medische klachten heeft en dat hij hier te lande onder medische behandeling staat. De voor eiser noodzakelijke medische behandeling zal hij in Italië niet krijgen, nu Italië zwaar is getroffen door de uitbraak van het coronavirus en daardoor de reguliere medische zorg is verslechterd. Bij een overdracht naar Italië zal er een medische noodsituatie op korte termijn ontstaan.

5. Op grond van artikel 64 van de Vw blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge paragraaf A3/7.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voor zover hier van belang, past de IND artikel 64 van de Vw niet toe als de vreemdeling op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 wordt overgedragen aan een bij de Verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat.

De vreemdeling dient in dat geval een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schriftelijk in bij de IND. Deze aanvraag moet onderbouwd worden met:

- een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; en

- bewijs omtrent de medische situatie van de vreemdeling; en

- medische stukken waaruit blijkt dat de vreemdeling niet in staat is om fysiek overgedragen te worden aan een bij de Verordening (EU) nr. 604/2013 aangesloten lidstaat.

6. Gelet op de uitspraak van 28 juli 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:2966), is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of eiser kan reizen naar Italië, geen reden heeft hoeven te zien om het BMA om advies te vragen. Verweerder heeft in zijn besluit opgenomen dat, voordat de overdracht aan de Italiaanse autoriteiten wordt geëffectueerd, door een arts zal worden beoordeeld of eiser in staat is om te reizen (fit-to-fly-beoordeling). De vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor eisers medische behandeling behoeft in dit kader niet onderzocht te worden en behoeft dan ook geen verdere bespreking. De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft enkel aangevoerd dat hij wegens de uitbraak van het Coronavirus momenteel niet kan reizen naar Italië en dat de gezondheidszorg in Italië zwaar is getroffen door het Coronavirus. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel te kunnen uitgaan.

7. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.