Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/3656 en AWB 20/1660
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek buiten behandeling kunnen stellen. Mondelinge uitspraak, beroep ongegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/3656 en AWB 20/1660

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 december 2020 in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) van 30 januari 2020 tot het verlenen van een uitstel voor vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) buiten behandeling gesteld.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is burger van India. Hij is geboren op [1950] . Op 30 januari 2020 heeft hij een aanvraag om uitstel van vertrek ingediend. Verweerder heeft geconstateerd dat de aanvraag van eiser niet compleet is. Bij brief van 5 februari 2020 is eiser in de gelegenheid gesteld binnen twee weken de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende bewijsmiddelen. Bij brief van 19 februari 2020 heeft eiser een verzoek om uitstel ingediend voor het aanleveren van de ontbrekende bewijsmiddelen. Dit verzoek heeft verweerder bij brief van 19 februari 2020 afgewezen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om uitstel van vertrek buiten behandeling gesteld omdat eiser niet alle bewijsmiddelen heeft overgelegd zoals omschreven in paragraaf A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Verweerder heeft in het bestreden besluit dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen, aangezien hij niet, ook na de geboden hersteltermijn, alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Eiser heeft bij de aanvraag de ‘Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens’ niet volledig ingevuld en een formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ overgelegd dat ouder is dan zes weken. Bovendien ontbreken bij de aanvraag de relevante medische gegevens. Dat verweerder extra uitstel had moeten verlenen, volgt de rechtbank niet nu de gevraagde gegevens reeds bij de aanvraag overgelegd hadden moeten worden en eiser zelf het moment van indienen van de aanvraag kan bepalen.

4. Dat eiser in bezwaar alsnog een recent formulier ‘Bijlage Bewijst omtrent medische situatie vreemdeling’ heeft ingebracht, maakt dit niet anders. Het in bezwaar ingebrachte formulier heeft verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten de beoordeling kunnen laten. Dat de medische problematiek van eiser naar zijn mening voldoende is aangetoond ontslaat hem niet van de verplichting de gegevens die noodzakelijk zijn voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag aan te leveren.

5. Verder is van belang dat voordat verweerder gehouden is tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag over te gaan, het aan eiser is om een volledige aanvraag in te dienen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser eerder aanvragen om uitstel van vertrek heeft ingediend, waardoor hij op de hoogte zou moeten zijn van de benodigde gegevens voor een complete aanvraag. Verder is niet gesteld of gebleken dat het voor eiser onmogelijk of uiterst moeilijk is alle noodzakelijke gegevens aan te leveren. Verweerder heeft dan ook niet hoeven beoordelen of sprake zal zijn van een medische noodsituatie op de korte termijn bij het staken van behandeling, of de eventueel benodigde zorg voor eiser in India toegankelijk zal zijn en of eiser naar India kan reizen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

6. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Eiser heeft tot slot verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, gelet op de omstandigheden die zijn aangevoerd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.