Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 8957
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terugkeerbesluit en inreisverbod terecht opgelegd / geen sprake van bijzondere omstandigheden / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8957

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Hoogendoorn),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van 18 maart 2020 heeft vanwege de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Verweerder heeft schriftelijk toestemming gegeven dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Eiser heeft niet gereageerd op dit verzoek van de rechtbank. Na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn, heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983.

Het terugkeerbesluit

2. Verweerder heeft bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, omdat gebleken is dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert aan dat hij geen verblijf in Nederland of het Schengengebied heeft beoogd, maar dat hij wilde doorreizen naar Groot-Brittannië. Dat hij vrijwillig en zelfstandig het Nederlandse grondgebied wilde verlaten, blijkt uit het feit dat hij is aangetroffen in een trailer bestemd voor Groot-Brittannië. De uitreis is juist belemmerd door de Nederlandse autoriteiten.

4. Uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) blijkt dat de vertrektermijn van vier weken als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Vw, kan worden verkort wanneer er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Op basis van artikel 6.1 van het Vb kan een dergelijk risico worden aangenomen indien tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb op de vreemdeling van toepassing zijn.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser - tijdens zijn poging tot illegale uitreis naar Groot-Brittannië - is aangetroffen in een trailer op het haventerrein van DFDS te Vlaardingen. Eiser is weliswaar in het bezit van een geldig Albanees paspoort, maar niet van een visum om uit te reizen naar Groot-Brittannië. Eiser heeft in het gehoor op 22 oktober 2019 verklaard dat hij vanuit Duitsland naar Nederland is gekomen om illegaal uit te reizen naar Groot-Brittannië en zich niet in Nederland heeft gemeld. Gelet op de verklaringen van eiser en de omstandigheden waaronder hij is aangetroffen, heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd en zich aan het toezicht heeft onttrokken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 20191. Reeds uit deze gronden blijkt in dit geval voldoende dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en dat verweerder niet verplicht was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. Verweerder heeft daarnaast mogen meewegen dat, wegens het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, sprake is van een zogenoemd onttrekkingsrisico. Dat eisers doel was gelegen in het vrijwillig en zelfstandig het Nederlandse grondgebied verlaten om Groot-Brittannië in te reizen, doet niet af aan de gronden en het onttrekkingsrisico.

Het inreisverbod
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder vanwege de door hem genoemde omstandigheden en gevolgen had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod of tot een inreisverbod van korter duur had moeten besluiten. Het inreisverbod belet eiser om familie in de EU te bezoeken en dit is volgens hem disproportioneel. Verder heeft eiser zich van tevoren bij de Duitse ambassade in Albanië gemeld en hij zou nog een uitnodiging krijgen. Door het inreisverbod zal die uitnodiging in gevaar komen. Ook is volgens eiser relevant dat hij geen antecedenten heeft, dat hij gepensioneerd politieagent is, dat hij vrijwillig Nederland wilde verlaten en dat hij geen langdurig verblijf in Nederland beoogde.

7. De rechtbank overweegt dat omdat verweerder eiser een vertrektermijn van nul dagen heeft kunnen opleggen, hij aan eiser een inreisverbod kon uitvaardigen.2 Uit artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb en het beleid3 van verweerder volgt dat in dit geval de duur twee jaren bedraagt, maar deze wordt verkort indien de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat van bijzondere, individuele omstandigheden sprake is. Eiser heeft zijn stelling dat het inreisverbod hem belet zijn familie in de EU te bezoeken, niet nader onderbouwd. Zijn echtgenote en kinderen wonen in Albanië. Eiser heeft niet aangetoond dat er andere familieleden in de EU woonachtig zijn. Ook in de overige door eiser genoemde punten heeft verweerder geen bijzondere, individuele omstandigheden hoeven zien die aanleiding geven voor het verkorten van de duur van het inreisverbod. Daarbij heeft verweerder over de uitnodiging bij de Duitse ambassade in Albanië in het verweerschrift terecht opgemerkt dat eiser zich vanuit Albanië weer kan wenden tot de Duitse ambassade.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1911.

2 Artikel 66a, eerste lid, van de Vw.

3 Paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.