Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:15102

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/3399
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

art. 64 Vw - onvoldoende gemotiveerd dat identiteit en nationaliteit eiser onvoldoende waren aangetoond om feitelijke toegankelijkheid te kunnen toetsen - beroep gegrond - rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/3399 en AWB 20/3400

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de ambtshalve aanvraag namens eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) om uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Daarnaast is als tolk verschenen T. Gasparyan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [1957] . Zij heeft in 2002 een asielaanvraag ingediend die in 2006 is afgewezen. In 2013 heeft zij ook nog een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend, waarbij zij zich beriep op een medische noodsituatie. Deze aanvraag is in 2014 afgewezen. Eiseres heeft verschillende lichamelijke problemen. Er is bij haar sprake van diabetes type 2, een verhoogde bloeddruk, COPD en artrose aan de heup. Daarnaast was er begin 2016 sprake van een toename van klachten door astma. Eiseres meent dat deze klachten ervoor zorgen dat terugkeer naar haar land van herkomst zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Zij meent daarom in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw).

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft de aanvraag tot uitstel van vertrek afgewezen. Verweerder leidt uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 24 juli 2019 af dat het staken van de therapie voor de diabetes, het uitblijven van een behandeling voor de verhoogde bloeddruk en het uitblijven van een behandeling voor de astma zullen leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De benodigde behandeling is echter in Armenië aanwezig. Er is namelijk een huisarts in Armenië aanwezig die de klachten van eiseres kan behandelen en de medicatie kan voorschrijven en evalueren. Verder blijkt dat mantelzorg voor eiseres essentieel is. Deze zorg is in Armenië aanwezig door onder meer professionele zorg aan huis. Daarnaast is de benodigde medicatie in Armenië aanwezig. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst voor haar niet toegankelijk is, omdat zij haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels geldige originele documenten. Daardoor komt verweerder aan een beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid niet toe. Eiseres is ook in staat om te reizen. Hierbij dient ze wel begeleid te worden door een mantelzorger of een verpleegkundige, en daarnaast wordt aanbevolen dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt.

Oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat uit het advies van het BMA blijkt dat de gezondheidsproblemen van eiseres op korte termijn tot een medische noodsituatie zullen leiden indien zij hiervoor in haar land van herkomst niet behandeld wordt. Het geschil ziet dan ook op de vragen of de benodigde behandeling in het land van herkomst aanwezig is en of dit voor eiseres toegankelijk is.

Het aanvragen van een nieuw BMA-advies

4. Eiseres betoogt dat verweerder het bestreden besluit niet op het BMA-advies van 24 juli 2019 heeft mogen baseren, maar een nieuw BMA-advies op had moeten vragen. Het BMA-advies was ten tijde van het bestreden besluit namelijk al meer dan zes maanden oud. Sinds dit advies is uitgebracht, zijn de omstandigheden gewijzigd. Als gevolg van de coronacrisis is het voor eiseres niet meer mogelijk om te reizen naar haar land van herkomst. In verband met haar gezondheidsproblemen is zij een kwetsbaar persoon en daarnaast zijn er feitelijke belemmeringen in het vliegverkeer voor het afreizen naar haar land van herkomst. Ook is niet onderzocht of de medische behandeling voor eiseres nog beschikbaar is. Bovendien adviseert het BMA om geen beslissingen te nemen op basis van een medisch advies ouder dan zes maanden indien de medische situatie van de vreemdeling wezenlijk is veranderd.

5. De rechtbank overweegt dat in het BMA-advies staat dat het BMA adviseert geen beslissingen te nemen op basis van een medisch advies ouder dan zes maanden. Hierbij verwijst het BMA naar het protocol BMA 2016 (BMA-protocol). In hoofdstuk 4 van het BMA-protocol is opgenomen dat het BMA in het algemeen adviseert geen beslissingen te nemen op een medisch ouder dan zes maanden omdat de medische situatie van de vreemdeling dan gewijzigd zou kunnen zijn. Daarnaast staat hierin dat als is aangetoond dat de medische situatie niet is veranderd, het BMA geen nieuw aanvullend adviesverzoek adviseert.

6. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de medische situatie van eiseres gewijzigd is, of dat de informatie over de beschikbare behandeling zoals uiteengezet in het BMA-advies niet meer zou kloppen. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij moeilijker naar het land van herkomst kan reizen tijdens de coronacrisis omdat zij een kwetsbaar persoon is en er feitelijke belemmeringen zijn. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de behandelmogelijkheden in het land van herkomst wellicht veranderd zijn. Over de eventuele praktische problemen bij het moeten afleggen van de vliegreis overweegt de rechtbank dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) al eerder heeft geoordeeld dat de uitbraak van het coronavirus een tijdelijk, feitelijk beletsel is.1 Dit doet niet af aan de rechtmatigheid van het besluit en staat er niet aan in de weg dat eiseres op enig moment weer naar haar land van herkomst kan reizen. Dat deze uitspraak dateert van april 2020, terwijl de coronacrisis nog steeds voortduurt, is onvoldoende om te zeggen dat geen sprake meer is van een tijdelijk beletsel. Voor wat betreft de kwetsbare gezondheid van eiseres en de voor haar benodigde behandeling heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar gezondheidstoestand in de weg staat aan een uitzetting naar haar land van herkomst tijdens de coronacrisis, of dat de behandelmogelijkheden in dit land veranderd zouden zijn. Het enkel stellen dat hier door de coronacrisis sprake van zou kunnen zijn is hiertoe onvoldoende. Eiseres dient ter onderbouwing hiervan concrete op haar toegespitste informatie te overleggen. Ook heeft zij niet onderbouwd in welke zin de coronacrisis zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheidstoestand. De beroepsgrond slaagt niet.

Land van herkomst

7. Eiseres voert daarnaast aan dat verweerder ten onrechte heeft onderzocht of er behandelmogelijkheden zijn voor eiseres in Armenië. Eiseres is immers afkomstig uit Rusland. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft in haar uitspraak van 15 augustus 2014 vastgesteld dat eiseres de Russische nationaliteit heeft, en ook verweerder heeft in die procedure gesteld dat van de Russische nationaliteit uit moet worden gegaan. Dat eiseres etnisch Armeens is betekent niet dat zij ook de Armeense nationaliteit heeft.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft getoetst of de benodigde behandeling in Armenië aanwezig is. Verweerder heeft bij het verweerschrift een ‘verslag presentatie in persoon’ van 11 april 2016 overgelegd. Hoewel dit verslag primair betrekking heeft op de echtgenoot van eiseres, is hieruit wel af te leiden dat er ook een presentatie van eiseres heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft verweerder nog het verslag van eiseres zelf overgelegd, waarin wordt verwezen naar het verslag van haar echtgenoot. Uit deze stukken tezamen is af te leiden dat de Armeense ambassade tijdens de presentatie op 11 april 2016 de Armeense identiteit en nationaliteit van eiseres heeft bevestigd. Hieruit blijkt dat eiseres is erkend door Armenië. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de Armeense nationaliteit van eiseres. Gelet op het vorenstaande ligt het op de weg van eiseres om aan de hand van documenten aan te tonen dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van Armenië als land van herkomst. Dat heeft eiseres niet gedaan. De uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, staat aan het aannemen van de Armeense nationaliteit niet in de weg omdat deze uitspraak is gedaan voordat de presentatie aan de Armeense autoriteiten heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit deze uitspraak slechts dat verweerder op dat moment, op basis van de toen beschikbare informatie, terecht is uitgegaan van het Russisch staatsburgerschap van eiseres. De rechtbank kan hier niet uit afleiden dat deze Russische nationaliteit ook echt is vastgesteld.

Toegankelijkheid zorg

9. Eiseres betoogt tot slot dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de voor eiseres benodigde behandelingen feitelijk toegankelijk zijn. Eiseres stelt dat dat niet het geval is omdat mantelzorg essentieel is voor haar behandeling, en dit niet beschikbaar is in het land van herkomst. Verder stelt eiseres dat zij de zorg niet kan betalen, en dat de coronacrisis er wellicht voor heeft gezorgd dat zij geen toegang meer heeft tot de benodigde behandelingen. Verweerder heeft de toegankelijkheid van de zorg niet getoetst omdat eiseres geen documenten ter staving van haar identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Eiseres vindt dat het standpunt van verweerder hierover innerlijk tegenstrijdig is. Verweerder stelt immers enerzijds dat hij de toegankelijkheid van de zorg niet kan toetsen omdat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vaststaat, maar anderzijds dat de Armeense ambassade dit wel heeft vastgesteld tijdens de presentatie van eiseres voor deze ambassade. Eiseres ziet dan ook niet in waarom verweerder de toegankelijkheid van de zorg in het land van herkomst niet zou kunnen beoordelen.

10. Uit paragraaf A3/7.1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat een vreemdeling in beginsel zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk moet maken door middel van documenten, voordat hij aannemelijk kan maken dat de zorg in het land van herkomst voor hem niet toegankelijk is. De aanvraag tot uitstel van vertrek kan worden afgewezen als wegens het ontbreken van documenten niet beoordeeld kan worden of de medische behandeling in het land van herkomst niet toegankelijk is. De rechtbank leidt uit deze beleidsregels af dat dit aannemelijk maken van de identiteit ‘in beginsel’ dient te gebeuren door het overleggen van documenten, maar niet dat dit noodzakelijk is. Het gaat er om dat de identiteit moet zijn vastgesteld, omdat verweerder alleen dan de toegankelijkheid van medische voorzieningen voor eiseres kan beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiseres de identiteit onvoldoende vaststaat en er documenten zijn vereist. Zoals immers onder 8 overwogen heeft de Armeense ambassade, een officiële instantie, de identiteit en nationaliteit van eiseres vastgesteld. Uit het verslag van 11 april 2016 volgt ook dat er bij de ambassade een paspoortnummer van eiseres bekend is. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom deze informatie over eiseres onvoldoende is om goed onderzoek naar de toegankelijkheid van de zorg te kunnen doen. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het bestreden besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Er is sprake van een motiveringsgebrek op dit punt en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en ziet daartoe aanleiding vanwege de door verweerder ter zitting gegeven nadere motivering.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat de voor haar benodigde zorg in Armenië niet beschikbaar is. Het is wel aan eiseres om dit aan te tonen. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij de zorg niet kan betalen, maar ze heeft dit niet onderbouwd. Ook de stelling dat de zorg vanwege de coronacrisis mogelijk niet meer beschikbaar is heeft ze niet met stukken onderbouwd. De rechtbank verwijst hiertoe ook naar hetgeen onder 6 is overwogen. Tot slot heeft het BMA in het advies erkend dat mantelzorg belangrijk is voor de behandeling, maar dat hiervoor professionele zorg aan huis kan worden ingeschakeld. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan niet van dit advies kan worden uitgegaan. De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg voor haar niet toegankelijk is in Armenië.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de feitelijke toegankelijkheid van de zorg in Armenië niet beoordeeld kan worden. De rechtbank beslist wel dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de zorg voor haar niet toegankelijk is. Verder heeft verweerder geen nieuw BMA-advies hoeven opvragen en terecht getoetst of de benodigde behandeling in Armenië aanwezig is. Dit betekent dat eiseres nog steeds geen uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van de Vw krijgt.

13. Vanwege het gegronde beroep veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.

14. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen in de hoofdzaak is overwogen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de kosten op grond van het Bpb op € 525,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ABRvS 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1032).