Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1510

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
NL20.2225
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig, tweede maal, ontvankelijkheid, rechterlijke dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2225


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

V-nummer [nummer]

mede namens haar minderjarige kinderen,

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop

Op 29 augustus 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het door eiseres ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag gegrond verklaard. Verweerder is opgedragen om eiseres op uiterlijk 14 oktober 2019 te horen in de algemene asielprocedure.

Het eerste gehoor van eiseres heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2019.

Op 27 januari 2020 heeft eiseres een nieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 17 juli 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of uit bovenstaande tekst kan worden afgeleid dat van eiseres mag worden verlangd dat zij eerst een nieuwe ingebrekestelling indient alvorens een nieuw beroepschrift bij de rechtbank te overleggen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verweerder zonder nieuwe ingebrekestelling niet bedacht had kunnen zijn op een nieuw beroep niet tijdig beslissen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in dit standpunt kan worden gevolgd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 maart 20191 overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:12 van de Awb blijkt dat de ingebrekestelling een signalerende rol voor het bestuursorgaan vervult. Belanghebbenden hebben immers niet de mogelijkheid om dit signaal te geven middels een bezwaarschrift. Verweerder is reeds gesignaleerd met de indiening van de ingebrekestelling van 29 april 2019. Dit betekent dat redelijkerwijs niet van eiseres kan worden gevergd dat zij verweerder opnieuw in gebreke stelt voordat zij een nieuw beroepschrift indient.

4. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in haar uitspraak van 29 augustus 2019 reeds vastgesteld dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en dat eiseres verweerder rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat er in dit beroep nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die de rechtbank kan meewegen in een nieuwe uitspraak. Eiseres is immers inmiddels gehoord op 14 oktober 2019, 16 oktober 2019 en 22 november 2019. Sindsdien heeft dat nog niet geleid tot een beslissing, ondanks het feit dat de wettelijke beslistermijn al ruimschoots is overschreden. Het beroep is kennelijk gegrond.

5. Nu het beroep gegrond is en verweerder nog geen besluit heeft bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit aan eiseres bekendmaakt.

6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 100 voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 15.000.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

 bepaalt dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit aan eiseres bekendmaakt;

 bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 (honderd euro) aan eiseres verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 262,50 (tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig eurocent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 ECLI:NL:RVS:2019:673