Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
NL19.16472 en NL19.16473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, (toegedichte) afvalligheid & bekering tot Erfan-e Halgheh en inval in woning zijn niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, niet ten onrechte is niet gevolgd dat de arrestatie en mishandeling in verband staan met de bekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.16472 en NL19.16473


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer 1],

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer 2],

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,

[kind 1], geboren op [geboortedag 1] 2011,

[kind 2], geboren op [geboortedag 2] 2012,

gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).


Procesverloop
Bij besluiten van 24 juni 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is S.L. Moallemsadeh als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser en eiseres zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 3] 1977 en [geboortedag 4] 1980 en hebben de Iraanse nationaliteit. Eisers zijn met elkaar getrouwd en zijn met hun twee minderjarige kinderen op 28 december 2017 Nederland ingereisd met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven visum met een geldigheidsduur van 26 december 2017 tot 10 april 2018. Op 12 januari 2018 hebben eisers de onderhavige aanvragen ingediend.

2. Eisers hebben – samengevat weergegeven – aan hun aanvragen het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is opgegroeid in een gezin dat moeite heeft met het regime en zich niet aan de islamitische tradities houdt. Via een vriend komt eiser in 2013 in aanraking met de (spirituele) beweging Erfan-e Halgheh, die in Iran verboden is. In de periode van 2014 tot 2016 heeft eiser een cursus gevolgd en is meester geworden in Erfan-e Halgheh. Daarna is eiser deze cursus zelf gaan geven. Op een dag in augustus 2014 is eiser aangehouden, mishandeld en na zes of zeven uur weer vrijgelaten, waarna hij zich gedurende zes maanden elke dag heeft moeten melden. In 2016 is eiser voor vakantie in Nederland geweest. In december 2017 is eiser samen met zijn gezin voor vakantie naar Nederland gekomen. Tijdens dit laatste verblijf heeft eiser telefonisch van zijn moeder vernomen dat op

10 januari 2018 een inval is geweest in zijn woning, waarbij alles wat met Erfan-e Halgheh te maken heeft, is meegenomen. Deze gebeurtenis heeft eisers doen besluiten in Nederland asiel te vragen. Eiseres heeft verklaard dat zij persoonlijk geen problemen heeft ondervonden, maar dat zij vanwege de problemen van haar echtgenoot niet kan terugkeren naar Iran. Eiser wordt door de autoriteiten beschouwd als afvallige en zal bij terugkeer naar Iran om die reden worden gedood.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op grond van artikel 31 van de Vw 2000 als ongegrond afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

  1. nationaliteit en identiteit;

  2. afvalligheid en toegedichte afvalligheid;

  3. bekering tot Erfan-e Halgheh;

  4. detentie en mishandeling;

  5. inval in huis op 10 januari 2018.

Verweerder heeft ten aanzien van eiseres geen afzonderlijke relevante elementen uit haar asielrelaas beoordeeld, omdat eiseres zich op het relaas van eiser beroept.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit en identiteit geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en de toegedichte afvalligheid evenals over zijn bekering tot Erfan-e Halgheh niet geloofwaardig geacht. De arrestatie en de mishandeling acht verweerder wel geloofwaardig, maar verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser is gearresteerd en mishandeld vanwege zijn bekering tot Erfan-e Halgheh. Tot slot acht verweerder de verklaringen van eiser over de inval in zijn woning op 10 januari 2018 ongeloofwaardig.

Voor de motivering van het ten aanzien van eiseres genomen besluit heeft verweerder verwezen naar het besluit van eiser.

Wat betreft het geloofwaardig geachte onderdeel van het relaas heeft verweerder overwogen dat dit niet samenhangt met één van de gronden in het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), zodat eisers om die reden niet te vrezen hebben voor vervolging als bedoeld in dit verdrag. Tevens acht verweerder dit onderdeel van het relaas onvoldoende zwaarwegend om de conclusie te dragen dat eisers bij terugkeer naar Iran een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij acht verweerder van belang dat eiser na dit incident Iran niet binnen zes maanden heeft verlaten en dat eiser na een verblijf buiten Iran vrijwillig is teruggekeerd en vervolgens gedurende ongeveer twee jaar zonder problemen in Iran heeft verbleven.

4. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Op hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Eisers voeren allereerst aan dat eiser ten onrechte niet door de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) is gehoord, zodat volstrekt onduidelijk is of hij wel gehoord had mogen worden. Dit komt voor rekening en risico van verweerder en betekent dat verweerder eiser niet heeft mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig, vaag of wisselend heeft verklaard. Verder wijzen eisers erop dat verweerder de medische omstandigheden van eiser niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Eiser kan niet coherent en consistent verklaren en daarom zijn de tegenstrijdigheden in de gehoren ten onrechte aan hem tegengeworpen. Eiser beroept zich op medisch steunbewijs, die zijn relaas kunnen bevestigen en een verklaring kunnen geven voor de wijze waarop de gehoren zijn gegaan, hetgeen tot geloofwaardigheid zou moeten leiden. Eisers overleggen hiertoe een vragenlijst van een intakeverslag van eiser bij Mediant, details van het behandeltraject van eiser bij de regiebehandelaar van Mediant, het behandelplan van eiser bij Mediant, een brief met beschrijving van de diagnose van eiser en zijn behandelplan bij Mediant, een afschrift van het compleet patiëntdossier van eiser geprint op 14 januari 2020, een brief van 24 maart 2020 van een klinisch psycholoog en een ambulant verpleegkundige bij Mediant, een brief van 8 september 2020 van een klinisch psycholoog bij Mediant en het artikel van M. Kollen & L. Heeffer & A. Keunen & E. Kors, ‘Beoordeling van forensisch medische rapportages in de asielprocedure’, A&MR 2020-4. Er dient volgens eisers een (forensisch) medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) of het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te worden verricht.

7.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het dossier van eiser een bericht is geüpload, waaruit blijkt dat eiser niet is verschenen op het spreekuur van het FMMU op 13 maart 2018. Eiser betwist niet dat hij door het FMMU niet gezien is. Over de reden waarom hij niet op het spreekuur is verschenen, geeft eiser geen eenduidige verklaring. In het eerste gehoor verklaart eiser hierover dat hij een uitnodiging heeft ontvangen en op de afspraak op 13 maart 2018 is verschenen maar dat op de afspraak enkel met zijn kinderen is gesproken. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser echter dat hij helemaal geen uitnodiging van het FMMU heeft gehad. Deze verklaringen zijn niet gecorrigeerd bij de correcties en aanvullingen op de gehoren. Dat eiser niet is verschenen bij het FMMU komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening en risico, nu uit de verklaringen van eiser tijdens het eerste gehoor blijkt dat hij wel voor het spreekuur is uitgenodigd. Eiser is tijdens het aanmeldgehoor bovendien uitgebreid geïnformeerd over het FMMU-advies en hem is medegedeeld dat het mogelijk nadelig kan zijn voor zijn procedure wanneer hij geen gebruikt maakt van het medisch onderzoek omdat verweerder dan tijdens de asielprocedure geen rekening kan houden met zijn gezondheidssituatie. Eiser moet zich dan ook bewust zijn geweest van het belang om op de FMMU-afspraak te verschijnen. Overigens heeft eiser ter zitting nog een andere verklaring gegeven voor het niet zien van de FMMU-arts. Eiseres heeft tijdens haar gehoor weer iets anders verklaard.

7.2.

De rechtbank overweegt dat uit het verslag van het nader gehoor en het aanvullend gehoor blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser en dat deze verslagen geen aanknopingspunten bieden dat eiser niet in staat was te verklaren en vragen omtrent zijn asielrelaas te beantwoorden. Zo is aan eiser aan het begin van het nader gehoor gevraagd of hij onder behandeling is van een dokter en medicatie gebruikt. Hierop heeft eiser geantwoord dat hij niet echt onder behandeling is maar wel medicatie (Valeriaan) heeft gekregen om rustig te zijn en te kunnen slapen, maar dat deze medicatie niet geholpen heeft en inmiddels op is. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser aangegeven op dat moment geen medicatie te gebruiken. Verder heeft eiser aan het begin van deze beide gehoren aangegeven dat er geen medische of andere redenen zijn waarom het gehoor niet kan plaatsvinden en dat hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelt om het gehoor te laten plaatsvinden. De gehoren zijn bovendien regelmatig gepauzeerd en er is regelmatig aan eiser gevraagd hoe hij zich voelt. Hoewel eiser aan het einde van het nader gehoor heeft aangegeven voor de tweede keer in het bijzijn van anderen te hebben gehuild, heeft hij niet aangegeven ontevreden te zijn over het verloop van het gesprek. Over de manier waarop het aanvullend gehoor is verlopen, verklaart eiser aan het einde van het gesprek dat hij tevreden is en geen op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de gehoormedewerker of die van de tolk.

7.3.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat eiser tijdens het gehoor vanwege zijn medische problemen niet in staat was om in te grijpen, overweegt de rechtbank dat eiser de gelegenheid heeft gehad om zijn verklaringen middels zijn correcties en aanvullingen te corrigeren of aan te vullen dan wel zaken in zijn zienswijze te verduidelijken. Dat eisers voor het eerst in de aanvullende gronden van 5 maart 2020 inbrengen dat eiser niet gehoord mocht worden omdat hij niet eerst door het FMMU is gezien, komt voor hun eigen rekening en risico. De rechtbank volgt eisers daarom niet bij voorbaat in hun beroepsgrond dat verweerder niet van de tijdens de gehoren afgelegde verklaringen van eiser heeft mogen uitgaan en dat eiser opnieuw moet worden gehoord. Het is daarom aan eisers om met medische stukken te onderbouwen dat eiser tijdens de gehoren inderdaad niet in staat was om compleet, coherent en consistent te verklaren.

7.4.

De rechtbank overweegt dat uit de brieven van 24 maart 2020 en 8 september 2020 van Mediant naar voren komt dat eiser is gediagnosticeerd met een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). In de brieven wordt opgemerkt dat het voor mensen met PTSS moeilijk is om over de traumatische ervaring te praten, dat dit in sommige gevallen zelfs onmogelijk kan zijn door het ontstaan van herbelevingen of bepaalde triggers en dat, wanneer de behandeling voor PTSS succesvol is afgerond, het vaak wel weer mogelijk is om over de traumatische ervaring te praten. De klinisch psycholoog geeft aan dat in het algemeen gesteld kan worden dat het mogelijk is dat de bij eiser vastgestelde diagnose invloed heeft dan wel heeft gehad op zijn vermogen coherent en consistent te verklaren. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt in het aanvullend verweerschrift van

27 augustus 2020 dat deze verklaringen algemeen zijn gesteld en onvoldoende zijn toegespitst op de situatie van eiser. Weliswaar blijkt uit deze brieven dat eiser psychische problemen heeft maar hieruit blijkt nog niet dat eiser vanwege deze problemen niet in staat is geweest om over zijn asielrelaas te verklaren. Dit volgt ook niet uit de overige door eisers in beroep overgelegde medische documenten. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten die gelden ten aanzien van medisch steunbewijs, waardoor verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een forensisch medisch onderzoek te laten verrichten.

8. Eisers zijn van mening dat de tolk die bij het nader gehoor van eiser aanwezig was, onvoldoende professioneel was. De tolk kende de stroming Erfan-e Halgheh niet, heeft eiser heel vaak niet begrepen en heeft ook niet alles vertaald. Dit gehoor moet daarom opnieuw gehouden worden.

8.1.

De rechtbank overweegt dat uit het verslag van het nader gehoor niet naar voren komt dat eiser ontevreden was over de tolk. Op het einde van het gehoor is aan eiser gevraagd of hij de tolk goed heeft begrepen en goed heeft kunnen verstaan, waarop eiser heeft geantwoord dat hij zich op zijn gemak voelde bij haar. Eisers hebben ook niet bij de correcties en aanvullingen op het gehoor of in de zienswijze naar voren gebracht dat zij niet tevreden zijn over de tolk die aanwezig was bij het nader gehoor van eiser. Hoewel eisers hun bezwaren over de tolk inbrengen bij de aanvullende beroepsgronden van 5 maart 2020, is de rechtbank niet gebleken dat zij een klacht tegen de tolk hebben ingediend of dat het om wat voor reden dan ook niet mogelijk is geweest om een klacht in te dienen. In hun beroepsgronden hebben eisers voorts niet geconcretiseerd wat niet correct is vertaald door de tolk en hebben zij ook niet alsnog de juiste vertaling gegeven, zodat de rechtbank hiermee in de beoordeling geen rekening kan houden. Verder acht de rechtbank van belang dat het bestreden besluit niet uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen die eiser heeft afgelegd in het nader gehoor maar ook op zijn verklaringen tijdens het aanvullend gehoor, dat met de hulp van een tolk over wie eisers wel tevreden zijn, is afgenomen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de handelswijze van de tolk tijdens het nader gehoor van eiser benadeeld zijn.

9. Voorts voeren eisers aan dat verweerder een verkeerde bewijslastverdeling heeft gehanteerd en dat verweerder niet aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan. Eisers doen een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012 in de zaak M.M. tegen Ierland (ECLI:EU:C:2012:744). Van een vreemdeling kan volgens eisers niet verwacht worden dat hij al hetgeen hij heeft gesteld met bewijzen kan onderbouwen. Verweerder zal hetgeen de vreemdeling zegt, dan ook moeten toetsen aan datgene wat uit openbare en eigen informatie bekend is. Verweerder heeft daarom wel degelijk een eigen onderzoeksplicht.

9.1.

De rechtbank overweegt dat de verslagen van de gehoren niet het beeld geven dat in de gehoren onvoldoende is doorgevraagd of dat eiser onvoldoende gelegenheid is geboden om over zijn asielmotieven te verklaren. Er is bovendien een aanvullend gehoor afgenomen en er is een uitgebreid en gemotiveerd voornemen uitgebracht. De door eiser overgelegde certificaten zijn voor onderzoek aangeboden aan Bureau Documenten. Het resultaat van dit onderzoek is, in tegenstelling tot hetgeen eisers in beroep betogen, wel in het bij de rechtbank ingediende beroepsdossier van eiser terug te vinden. De omstandigheid dat de conclusie van het documentenonderzoek is dat de documenten over de cursus Erfan-e Halgheh niet te beoordelen zijn, betekent nog niet dat verweerder zijn samenwerkingsplicht niet is nagekomen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat verweerder zijn samenwerkingsplicht niet is nagekomen. Het beroep op het voornoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie slaagt daarom niet.

10. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte twijfelt aan de motivatie van eiser voor zijn bekering tot Erfan-e Halgheh en zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen overtuigend proces van bekering heeft laten zien. Nu door verweerder niet wordt getwijfeld aan de kennis van eiser omtrent zijn bekering, staat de bekering vast. Van eiseres had verweerder niet mogen verwachten dat zij meer over de stroming kon verklaren, nu de opvoeding van de kinderen en het huishouden haar onvoldoende tijd gaven zich in de stroming te verdiepen en eiser zijn echtgenote uit oogpunt van veiligheid niet bij de stroming heeft willen betrekken zolang zij hier nog niet ontvankelijk voor was. Ter onderbouwing van zijn opleiding tot meester in de Erfan-e Halgheh heeft eiser documenten betreffende zijn opleiding overgelegd. Als de echtheid van die documenten niet te beoordelen is door Bureau Documenten, had hem het voordeel van de twijfel moeten worden gegund. Van de geldigheid dient bovendien uitgegaan te worden, nu verweerder ten aanzien van de certificaten geen opmerking heeft gemaakt omtrent de geldigheid. Eisers beroepen zich verder op het gelijkheidsbeginsel, nu de asielaanvraag van de collega van eiser mevrouw Parvene Razmjoou is ingewilligd en zij dezelfde documenten in haar procedure heeft overgelegd.

10.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gestelde bekering van eiser tot Erfan-e Halgheh niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat de motivering van eiser om actief te worden bij Erfan-e Halgheh, gelet op de gevaren die deze bekering volgens eiser in Iran met zich mee kan brengen, onvoldoende blijk geeft van een diepgewortelde en authentieke overtuiging. De verklaring van eiser dat hij een leegte ervoer en door de Erfan-e Halgheh tot rust is gekomen evenals dat Erfan-e Halgheh voor naastenliefde en gelijkheid tussen man en vrouw staat, heeft verweerder in redelijkheid te algemeen kunnen vinden. Dat verweerder in het bestreden besluit opmerkt dat niet wordt getwijfeld aan de kennis van eiser over Erfan-e Halgheh maar aan zijn motivatie, betekent nog niet dat verweerder de bekering van eiser tot deze stroming geloofwaardig heeft moeten achten. Van belang is immers dat eiser zijn innerlijke motivatie om volgens deze stroming te leven aannemelijk weet te maken. In het verweerschrift van 24 maart 2020 stelt verweerder zich op het standpunt dat het niet voor rekening van eisers komt dat de overgelegde certificaten van de cursussen die eiser stelt te hebben gevolgd door Bureau Documenten niet te beoordelen zijn, maar dat deze certificaten op zichzelf nog niet maken dat eiser hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat hij bekeerd is tot (anders dan interesse heeft in) Erfan-e Halgheh. De rechtbank kan verweerder volgen dat aan deze certificaten geen doorslaggevende betekenis toekomt. Wat betreft het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat een collega van eiser na overlegging van dezelfde certificaten wel asiel heeft gekregen, overweegt de rechtbank dat eisers dit beroep nog altijd niet nader hebben onderbouwd. Ook hebben eisers het v-nummer van deze mevrouw niet ingebracht, zodat verweerder de zaak van deze vreemdeling niet met die van eiser heeft kunnen vergelijken. Verweerder heeft tot slot in de beoordeling van dit relevante element kunnen betrekken dat in alle redelijkheid verwacht mag worden dat eiseres meer zou weten te vertellen over Erfan-e Halgheh. Dat zij nog niet klaar was om de stroming zelf aan te hangen, om wat voor reden dan ook, maakt nog niet dat van haar, gelet op de zwaarte en ingrijpende context van de gestelde bekering van eiser, niet mag worden verwacht dat zij het een en ander kan verklaren over de stroming die haar man aanhangt en waarin hij zich al jaren zou verdiepen.

11. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder eiser ten onrechte als aanhanger maar niet als lid van Erfan-e Halgheh heeft beschouwd. Eiser heeft duidelijk gemaakt dat hij geen aanhanger is of sympathisant, maar een meester in Erfan-e Halgheh. Een bekering tot Erfan-e Halgheh wordt in Iran gezien als de afvalligheid van een geboren moslim en leidt tot problemen met de autoriteiten. In het algemeen hebben aanhangers minder te vrezen dan volwaardige leden van de beweging. Zo worden aanhangers na arrestatie na korte tijd vrijgelaten maar geldt dit niet voor meesters in de leer. Eisers verwijzen hiertoe naar een artikel van 23 november 2018. Dat, zoals verweerder stelt, het Algemeen Ambtsbericht van maart 2019 vermeldt dat aanhangers van Erfan-e Halgheh niet vervolgd worden, is niet terug te vinden. Dat meesters wel worden vervolgd, blijkt uit een aantal artikelen in de pers en op internet, zoals het artikel van de United States Commission on International Religious Freedom, ‘USCIRF Vice Chair Gayle Manschin Calls on Iran to Cease Harrassment and Threats Against Prisioner of Conscience Mohammad Ali Taheri’ van 16 juli 2019; het artikel van En Vero, ‘The Mohammad Ali Taheri Case (July 14, 2019)’ van 14 juli 2019; het artikel ‘IRGC-intelligentie hield 12 volgers van de mystiek van de ring vast’ van 23 november 2018; het artikel van Center for Human Rights ‘Supporter of Persecuted Spiritual Leader Arrested at Tehran International Airport’ van 31 januari 2017 en de artikelen van HRANA News Agency ‘Masoumeh Zia Arrested at Her Arrival in Iran’ van 22 februari 2017 en ‘2 Erfan-e Halgheh Activists Arrested in Mashhad’ van 15 februari 2016. Op de website van geestelijk leiders in Iran zijn berichten te vinden, waaruit blijkt dat in 2011 een Fatwa is uitgesproken en dat leden van de Erfan-e Halgheh dienen te worden gedood. Eiser overlegt hiertoe citaten alsook een artikel van Kampain van 5 juli 2019 met vertaling. Bij de inval bij eiser thuis zijn boeken gevonden en in zijn computer zijn veel stukken en lijsten van zijn leerlingen gevonden. Aangezien eiser een meester is, is duidelijk dat hij actief is geweest binnen Erfan-e Halgheh. Dat betekent dat eiser dus ook direct gevaar loopt. Ten onrechte heeft verweerder volgens eisers de afvalligheid en toegedichte afvalligheid van eiser dan ook niet geloofwaardig geacht.

11.1.

De rechtbank stelt voorop dat hiervoor reeds is overwogen dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser lid is van Erfan-e Halgheh, zodat eisers niet gevolgd kunnen worden in hun beroepsgrond dat zij bij terugkeer vanwege eisers betrokkenheid (meesterschap) bij deze stroming te vrezen hebben. Met de door hen aangevoerde bronnen, waaruit blijkt dat aanhangers, voornamelijk de meesters, van Erfan-e Halgheh te vrezen hebben van de zijde van de Iraanse autoriteiten, hebben eisers dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk bij terugkeer te vrezen hebben voor vervolging. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet als afvallige kan worden aangemerkt, omdat hij volgens zijn verklaringen niet gelovig was. Eiser heeft verklaard te zijn opgegroeid in een niet-religieus gezin en niets aan het geloof te hebben gedaan. Wat betreft een eventuele toegedichte afvalligheid heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit eisers verklaringen niet naar voren komt dat hiervan sprake is. Eiser heeft echter op normale wijze zijn leven in Iran kunnen leiden. Zo heeft eiser kunnen studeren, werken, trouwen en heeft hij al dan niet samen met zijn gezin op gecontroleerde wijze het land kunnen in- en uitreizen. Als de autoriteiten eiser als afvallige zouden beschouwen, zou dit niet mogelijk zijn geweest. Eiser heeft hierover zelf verklaard dat hij dan gedood zou worden.

12. Eisers voeren aan dat de arrestatie en mishandeling van eiser ten onrechte niet geloofwaardig zijn bevonden voor zover die in relatie hebben gestaan met zijn bekering tot Erfan-e Hagheh. Verweerder had deze relevante elementen ook afzonderlijk, dus los van de afvalligheid en de bekering, op geloofwaardigheid moeten beoordelen. Bovendien stelt verweerder ten onrechte dat eiser over zijn vermoeden dat is uitgelekt dat hij zich met Erfan-e Halgheh bezighield, tegenstrijdig heeft verklaard. Hem kan vanwege de moeilijke situatie waarin hij al jaren leeft niet aangerekend worden dat hij pas in het aanvullend gehoor heeft genoemd dat hij vermoedt dat hij door zijn broer is verraden. Verweerder heeft verder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser na een halve dag arrestatie is vrijgelaten. Volgens de geldende normen en wetgeving was er immers geen reden om eiser langer vast te houden. Tijdens zijn arrestatie was eiser nog geen meester, maar was hij nog slechts student. Leerlingen worden nagenoeg altijd na een paar uur vrijgelaten. Eiser is tijdens zijn detentie zwaar, maar niet op zijn gezicht, lichamelijk mishandeld. Gedurende de zes maanden daarna is eiser ook psychisch mishandeld, wat diepe sporen heeft achtergelaten. Eiser kon zijn echtgenote hier niet over vertellen. Eiser maakt verder duidelijk dat hij voor de vrijlating een verklaring heeft moeten ondertekenen en na zijn vrijlating nog gedurende zes maanden is lastiggevallen en zich dagelijks moest melden. Van een simpele vrijlating was dus geen sprake. Dit heeft verweerder niet betrokken. Over de methodiek van het kort aanhouden en weer vrijlaten is op het internet zeer veel informatie te vinden. Verweerder had in het kader van de samenwerkingsplicht hier onderzoek naar kunnen doen. Nu eiser is vrijgelaten, is het volkomen logisch dat eiser bij zijn uitreis naar Nederland in 2016 geen problemen van de zijde van de autoriteiten heeft ondervonden. Bovendien wisten de autoriteiten toen niet van zijn activiteiten en had eiser een verklaring getekend dat hij zich nooit meer bezig zou houden met soortgelijke activiteiten. De motivering van verweerder op dit punt schiet ernstig tekort. Daarbij gelooft verweerder wel de arrestatie en mishandeling, maar werpt toch allerlei zaken daarover tegen zodat volstrekt niet duidelijk is wat dan wel geloofwaardig is geacht. Het bestreden besluit is daarmee volstrekt niet inzichtelijk.

12.1.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser in 2014 is gearresteerd en mishandeld maar dat niet is gevolgd dat de reden hiervoor is gelegen in de bekering van eiser tot Erfan-e Halgheh. Hierbij heeft verweerder allereerst van belang kunnen achten dat niet is gevolgd dat eiser zich tot deze stroming heeft bekeerd. Verder betreft het slechts een aanname van eiser dat hij door zijn broer is verraden, omdat zijn oudste broer fanatiek moslim is en zijn neef bij de Basij werkt. Eiser heeft deze aanname echter niet kunnen onderbouwen of nader kunnen concretiseren. Voorts heeft verweerder de verklaring van eiser in het nader gehoor dat hij na zijn aanhouding drie tot vier maanden afstand heeft genomen van Erfan-e Halgheh ongerijmd kunnen vinden, nu hij ook heeft verklaard dat hij zich gedurende zes maanden na zijn vrijlating dagelijks bij de autoriteiten heeft moeten melden. Dat eiser niet gedurende de hele periode van zes maanden afstand heeft gehouden van Erfan-e Halgheh heeft verweerder bevreemdend kunnen vinden. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser eind 2016 naar Nederland is gereisd voor vakantie en hier geen asiel heeft gevraagd maar weer, overigens zonder daartoe problemen te hebben ondervinden, naar Iran is teruggereisd, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Uit deze gang van zaken blijkt immers niet dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten stond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds gelet op het voorgaande niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser vanwege zijn bekering tot de Erfan-e Halgheh is gearresteerd en mishandeld.

13. Wat betreft de inval in zijn woning, voeren eisers aan dat eiser ook hieromtrent geloofwaardig heeft verklaard. Eiser beschouwde zijn eigen woning niet als veilig, maar er was geen andere veilige locatie beschikbaar voor zijn cursusmateriaal. Ook zou het juist zijn opgevallen als eiser zijn laptop op een geheime plek had bewaard. Wat betreft het tijdsverloop tussen de arrestatie in 2014 en de inval in 2018 merken eisers op dat eiser daarom juist het vermoeden heeft dat zijn broer hem heeft verraden. In 2019 waren er landelijke protesten in Iran en zijn er minstens 7000 mensen opgepakt en vele invallen geweest. Verweerder gaat hier ten onrechte niet op in.

13.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er op 10 januari 2018 een inval in hun woning is geweest en dat hierbij spullen van eiser die betrekking hebben op Erfan-e Halgheh zijn ingenomen, waardoor eisers niet terug kunnen keren naar Iran. Verweerder heeft het ongeloofwaardig kunnen vinden dat eiser het land verlaat en zijn computer met cursusmateriaal op tafel heeft laten staan evenals het andere cursusmateriaal in een kast heeft opgeborgen. Gelet op het grote risico dat het bezit van dergelijke documenten met zich brengt, had van eiser verwacht mogen worden dat hij dit materiaal beter had opgeborgen en voorzichtiger was geweest. Bovendien heeft verweerder eisers kunnen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij drie en een half jaar na zijn gestelde arrestatie vanwege zijn betrokkenheid bij Erfan-e Halgheh weer in de negatieve belangstelling is komen te staan. Dat sprake is geweest van onlusten in Iran, zoals eisers stellen, maakt nog niet dat eisers hiermee aannemelijk hebben gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve belangstelling zijn komen te staan.

14. De beroepen zijn ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Leonoor, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.