Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14947

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
20-3472 20-3473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afsluitingsregeling kinderpardon, kind geboren na einde asielprocedure ouder, B9/6.5, voorwaarde b van de Vc en de uitzondering daarop. Gelijkheidsbeginsel. Beroep gegrond en vovo toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/3472 en AWB 20/3473

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 22 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1987] (eiseres/verzoekster) en [eiser], geboren op [2013] (eiser/verzoeker), beiden van Guinese nationaliteit, samen te noemen eisers/verzoekers

V-nummers: [V-nummer 1] respectievelijk [V-nummer 2]

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Toussaint).

Inleiding en procesverloop

1. Eiseres/verzoekster (hierna: eiseres) heeft op 27 maart 2012 een asielaanvraag gedaan. Met de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Dordrecht van 1 mei 20121 staat de afwijzing van deze aanvraag in rechte vast.

2. Eiseres heeft in de periode van 27 april 2013 tot en met 20 juli 2013 uitstel van vertrek gekregen vanwege haar zwangerschap. Op [2013] is eiser geboren.

3. Op 31 januari 2019 hebben eisers/verzoekers (hierna: eisers) een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning, onder de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen”. Verweerder heeft deze aanvraag op 29 april 2019 afgewezen.

3.1.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 23 augustus 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht2 dit verzoek toegewezen en bepaalt dat eisers niet mogen worden uitgezet tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

3.2.

Op 30 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep in gesteld en zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3.3.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3.4.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld op de zitting van 23 november 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Over het beroep met zaaknummer 20/3472

De standpunten van partijen

4. Verweerder verleent vrijstelling van het mvv-vereiste als de hoofdpersoon, in dit geval eiser/verzoeker (hierna: eiser), voldoet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat eisers niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komen omdat zij niet aan voorwaarde b van hoofdstuk B9/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (hierna: voorwaarde b) voldoen. Eiser valt namelijk niet onder de uitzondering op voorwaarde b omdat hij is geboren nadat de asielprocedure van eiseres in rechte vast is komen te staan. De ratio van het beleid is dat na afloop van de asielprocedure van de ouder(s) geboren kinderen nooit onderdeel hebben uitgemaakt van die asielprocedure en zich daarmee niet onderscheiden van kinderen die een reguliere procedure hebben gevolgd, aldus verweerder.

5. Eisers hebben samengevat aangevoerd dat niet in het beleid staat dat de uitzondering op de voorwaarde onder b alleen geldt als op het moment van de geboorte de asielprocedure van die ouder nog niet in rechte is afgerond. In de regeling wordt gesproken over langdurig in Nederland verblijvende kinderen en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen kinderen die tijdens of na de asielprocedure van de ouders zijn geboren. Verweerder is er niet in geslaagd om duidelijk te maken waarop het door hem gehanteerde onderscheid is gebaseerd. Kinderen die tijdens een lopende asielprocedure zijn geboren hebben immers eveneens geen deel uitgemaakt van de asielprocedure van hun ouders. Eisers hebben nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en zij hebben aangevoerd dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een Kamerbrief van 21 december 20123, een fragment uit het debat over deze brief4, de ratio van het kinderpardon en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 oktober 20145 als ook op de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Overgangsregeling), neergelegd in WBV 2013/1 en (in dit kader) naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 20196 maar ook naar de eigen website met informatie over de Afsluitingsregeling. Verder wijst verweerder in het verweerschrift op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 20207, die door de ABRvS op 19 augustus 20208 (niet gepubliceerd) is bevestigd en de uitspraak van de rechtbank Den Haag9 (niet gepubliceerd). Volgens verweerder kunnen eisers geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel en slaagt het beroep op de hoorplicht niet.

De overwegingen en het oordeel van de rechtbank

Vrijstelling griffierecht

7. Eisers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van het betalen van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, gezien de door eisers aangevoerde omstandigheden.

De reikwijdte van de uitzondering op voorwaarde b

8. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiser valt onder reikwijdte van de uitzondering op voorwaarde b van hoofdstuk B9/6.5 van de Vc.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn lezing van de uitzondering op voorwaarde b, dat de hoofdpersoon moet zijn geboren tijdens een lopende asielprocedure, juist is. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 21 september 2020 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht10 waarin de rechtbank gemotiveerd ingaat op de stukken waarnaar verweerder ook in deze zaak in het verweerschrift heeft verwezen. In verweerders toelichting ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank in haar uitspraak van 21 september 2020. De rechtbank volgt deze uitspraak en neemt de voor deze zaak relevante overwegingen uit die uitspraak hieronder over.11

10. In paragraaf B9/6.5 van de Vc staat, voor zover van belang, het volgende:

“Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling […]

De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:

a. […]

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. […] én

d. […].

Ad b.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. […].”

10.1.

De rechtbank overweegt dat uit de uitzondering zoals genoemd onder ‘Ad b’ uit paragraaf B9/6.5 van de Vc niet valt op te maken dat het desbetreffende kind moet zijn geboren tijdens een lopende asielprocedure. In de tekst van de uitzondering is alleen opgenomen dat het kind “na de start” van de procedure moet zijn geboren.

10.2.

Over de verwijzing naar WBV 2013/1 (Vc B/22.2 en 22.3 oud) stelt de rechtbank vast dat verweerder deze verwijzing op zitting heeft ingetrokken omdat de tekst van de WBV geen onderbouwing geeft voor zijn lezing dat de hoofdpersoon moet zijn geboren tijdens de asielprocedure. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingslocatie Amsterdam, van 23 augustus 2019, waar verweerder in het verlengde van de verwijzing naar WBV 2013/1 op heeft gewezen, behoeft dan ook geen verdere bespreking.

10.3.

Over de verwijzing van verweerder naar de Kamerbrief van 21 december 2012 en een fragment uit het debat over deze brief overweegt de rechtbank als volgt. Deze verwijzing biedt geen concreet aanknopingspunt voor de lezing van verweerder dat bedoeld is om de uitzondering te beperken tot kinderen die tijdens de asielprocedure zijn geboren. In de Kamerbrief wordt gesproken over de Overgangsregeling die duidelijkheid verleent aan ‘kinderen met een asielachtergrond’ maar een beperking tot een concretere groep kinderen is in de brief niet te lezen. Het fragment uit het debat over deze Kamerbrief gaat over het onderbrengen van kinderen met een ‘reguliere achtergrond in plaats van een asielachtergrond’ onder de Overgangsregeling. De Staatssecretaris onderstreept in dat fragment dat de Overgangsregeling alleen gaat over ‘kinderen met een asielachtergrond’ zonder die groep nader te concretiseren.

10.4.

De rechtbank volgt verweerder dat op de website van de IND inderdaad staat “ (…) Als de asielprocedure van uw ouders(s) al was afgerond vóór uw geboorte, komt u dus niet in aanmerking voor de Afsluitingsregeling.” De website van de IND is echter geen bron waaruit de bedoeling van het beleid kan worden afgeleid.

10.5.

De conclusie is dan ook dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn restrictieve lezing van de uitzondering beoogd is. De lezing van eisers is daarom juist.

10.6.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het beleid een peildatum kent, zodat geen sprake is van een openeindregeling. Verder is van belang dat het beleid bedoeld is voor ‘kinderen met een asielachtergrond’, zoals de Staatssecretaris verwoordt in zijn brief van 21 december 2012. Het begrip ‘kinderen met een asielachtergrond’ is niet afzonderlijk gedefinieerd, zodat dit moet worden opgevat op basis van onder andere voorwaarde b en de uitzondering daarop.

10.7.

De rechtbank onderkent dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid betreft en dat verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden om een dergelijk beleid te voeren. Bij het vaststellen van de criteria van dat beleid heeft verweerder daarom een grote mate van beleidsruimte. Die beleidsruimte heeft verweerder ook gebruikt bij het vaststellen van zowel de Overgangsregeling als de Afsluitingsregeling.

10.8.

Bij de toepassing van de Afsluitingsregeling brengt de rechtszekerheid mee dat verweerder beslist overeenkomstig die beleidsregeling. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een uitzondering op een van de voorwaarden echter geen ruimte om aan de uitzondering een beperkend element toe te voegen. De beperking van “na de start van de asielprocedure (…) geboren” tot “tijdens de asielprocedure (…) geboren” of tot “na de start maar vóór het einde van de asielprocedure (…) geboren” in de uitvoering van het beleid, volgt niet uit de beleidsvrijheid die verweerder heeft en, zoals overwogen, ook niet uit andere bronnen waaruit afgeleid zou kunnen worden dat het beleid wel zo is bedoeld. In dat verband vindt de rechtbank nog van belang dat verweerder bij het vaststellen van de Afsluitingsregeling zijn beleid op dit punt niet heeft verduidelijkt ten opzichte van de Overgangsregeling.

10.9.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te beslissen op basis van de uitspraak van deze rechtbank van 29 mei 2020 die de ABRvS op 19 augustus 20204 heeft bevestigd. De ABRvS bevestigt de uitspraak van de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 oktober 201412. In die zaak, evenals in een andere uitspraak van de ABRvS van diezelfde datum,13 hadden de ouders van het kind nooit een asielaanvraag gedaan en een asielprocedure doorlopen, maar was sprake van verblijfshistorie op basis van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd. Die uitspraken hebben, kort gezegd, betrekking op de vraag of kinderen met een reguliere verblijfshistorie gebruik kunnen maken van de Overgangsregeling voor kinderen met een asielachtergrond. De rechtsvraag die in die uitspraken is beantwoord is dan ook een andere dan die in deze zaak aan de orde is. Die uitspraken hebben dan ook geen betrekking op de uitleg van de uitzondering op voorwaarde b van de Overgangsregeling die, zoals is overwogen, gelijkluidend is aan de uitzondering op voorwaarde b van de Afsluitingsregeling.

10.10.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in deze zaak anders te beslissen op basis van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 21 september 2020, waar verweerder in het verweerschrift op heeft gewezen. Die uitspraak geeft immers geen oordeel over andere argumenten voor verweerders lezing van de uitzondering op voorwaarde b, dan de argumenten die de rechtbank hiervoor al heeft besproken en beoordeeld.

11. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel

12. Eisers hebben verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijzen daarbij naar een e-mail van Defence for Children van 8 april 2020 met bijlagen waaruit blijkt dat in tien zaken, waarin de hoofdpersoon is geboren na de asielprocedure, verweerder toch een verblijfsvergunning heeft verleend.

13. Verweerder heeft zich over de in deze e-mail genoemde zaken 1 tot en met 4 op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van ambtelijke misslagen. Voor de zaken 1 en 2 geldt dat de hoofdpersoon een afgeleid verblijfsrecht had op grond van een zogenoemde B9vergunning van de ouder, wat onvoldoende is om te voldoen aan voorwaarde b. Hieruit concludeert verweerder dat in die zaken ten onrechte niet is tegengeworpen dat niet werd voldaan aan voorwaarde b. Over zaak 3 zegt verweerder dat om onbekende redenen voorwaarde b ten onrechte niet is tegengeworpen. Over zaak 4 heeft verweerder toegelicht dat in het beslisproces ten onrechte is uitgegaan van een beroepstermijn van vier weken in plaats van één week, waardoor er ten onrechte vanuit is gegaan dat de hoofdpersoon tijdens de beroepstermijn was geboren.

14. De rechtbank is van oordeel dat het bij herhaling verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling (of eerdere regelingen) in gevallen waarin een hoofdpersoon is geboren na afronding van de asielprocedure van de ouder(s), kan duiden op een uitvoeringspraktijk.14 Gelet op de door eisers in beroep aangevoerde gevallen lijkt hiervan sprake te zijn. Om te kunnen beoordelen of verweerders stelling dat sprake is van ambtelijke misslagen juist is, is de uitleg van verweerder in het verweerschrift daarover onvoldoende. De stelling van verweerder dat deze zaken kennelijke misslagen zijn, kan derhalve zonder nadere onderbouwing, met bijvoorbeeld de minuten in die zaken, niet worden gevolgd. Het bestreden besluit mist op dit punt een deugdelijke motivering.

15. Eisers hebben verder een beroep gedaan op twee zaken (zaak 5 en 6) genoemd in de email, waarin verweerder een verblijfsvergunning heeft verleend met de toelichting dat middels het daartoe bestemde formulier (B13, model k) was gevraagd om de asielaanvraag van de ouder geldig te verklaren voor de hoofdpersoon. Dit, terwijl in die zaken dit formulier na afronding van de asielprocedure van de ouder(s) is ingediend, net als bij eisers het geval is geweest.

16. Over de zaken 5 en 6 stelt verweerder dat een formulier B13, model k, was ingestuurd nadat de asielprocedure van de ouder reeds was afgerond, maar dat daarop door verweerder niet is gereageerd en bij eisers wel. Dit aspect is in die zaken bij de beoordeling van de latere aanvragen op grond van de Regeling betrokken, aldus verweerder.

17. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de zaken 5 en 6 de hoofpersoon, net als eiser, is geboren nadat de asielprocedure van de ouder(s) was afgerond. Uit de stukken blijkt dat verweerder inderdaad bij brief van 23 juli 2013 aan Mw. [A], AZC Dronten, heeft gereageerd op het ingestuurde formulier B13, model k, inzake de geboorte van eiser. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gegeven dat hij in zaak 5 en 6 niet heeft gereageerd op het formulier B13, model k, de conclusie rechtvaardigt dat de hoofdpersoon daardoor onder de reikwijdte van de uitzondering op voorwaarde b valt en eiser niet. Verweerder zal dit in een nieuw te nemen besluit nader moeten motiveren.

18. Ten aanzien van de door eisers genoemde zaken 7, 8, en 9 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van vergelijkbare gevallen geen sprake is omdat er in die zaken een verblijfsvergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid is verleend. Zaak 10 betrof een kind/hoofdpersoon, geboren op het moment dat de ouders in het bezit waren van een verblijfsvergunning asiel. Terecht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze situatie niet vergelijkbaar is met die van eisers, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel voor wat betreft deze zaak niet slaagt.

Schending van de hoorplicht

19. Eisers hebben verder aangevoerd dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard, gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter.

20. Deze beroepsgrond slaagt. Uit het gegeven dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft volgt al dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Verweerder had eisers dus naar aanleiding van hun bezwaren moeten horen. Tijdens een hoorzitting had bovendien tevens de juridische discussie over de reikwijdte van de uitzondering op voorwaarde b gevoerd kunnen worden. Partijen hadden dan tijdens de hoorzitting hun standpunten kunnen toelichten en uitwerken en niet pas in het beroepschrift en het verweerschrift.

21. De rechtbank zal verweerder niet opdragen om eisers alsnog in bezwaar te horen omdat dit nu geen toegevoegde waarde meer heeft. Partijen hebben inmiddels voldoende de gelegenheid gehad om in beroep en tijdens de zitting de feiten en hun (juridische) standpunten naar voren te brengen.

Conclusie

22. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd en dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De beroepsgrond over artikel 8 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) behoeft daarom geen verdere bespreking. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank draagt verweerder daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Over het verzoek met zaaknummer AWB 20/3473

23. Eisers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van het betalen van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, gezien de door eisers aangevoerde omstandigheden.

24. Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. Nu verweerder opnieuw een inhoudelijk standpunt in zal moeten nemen, kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet ontzegd worden. Aangezien het bezwaarschrift in dit geval geen schorsende werking heeft, hebben eisers een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en verbiedt de uitzetting van eisers tot vier weken nadat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.

Over de proceskosten van het beroep en het verzoek

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder om eisers uit te zetten tot vier weken nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de rechter is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zaaknummers AWB 12/11625 en AWB 12/11626.

2 Zaaknummer AWB 19/3377.

3 Kamerstuk van 7 januari 2012, 19 637, nr. 1597, vergaderjaar 2012-2013.

4 Vergadering van 12 maart 2013, Handeling, publicatie 24 mei 2013, vergaderjaar 2012-2013, nr. 60, item 26: regeling Langdurig verblijvende kinderen.

5 ECLI:NL:RVS:2014:3867.

6 ECLI:NL:RBAMS:2019:6257.

7 ECLI:NL:RBDHA:2020:5056,

8 Zaaknummers: 202003705/1/V1 en 202003705/2/V1.

9 Zaaknummer: AWB 20/3728.

10 ECLI:NL:RBDHA:2020:11992.

11 Het betreft de overwegingen 9.1 tot en met 9.7.

12 ECLI:NL:RVS:2014:3890.

13 ECLI:NL:RVS:2014:3867.

14 Zie punt 2.3.1 van de uitspraak van de ABRvS van 21 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0056.