Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
NL19.25146
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:54 BNT VK: beroep n.o. verklaard. Eiser verzocht om vaststelling rechterlijke dwangsom plus een extra dwangsom, omdat hij lang heeft moeten wachten op een beslissing.. Rb. acht zich onbevoegd wat betreft de dwangsom. Wel 0,5 punt PKV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL19.25146

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: Y.W.M. Schrijver).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 22 oktober 2019 heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats te Haarlem van 2 augustus 2019 met zaaknummer NL19.14644. In deze uitspraak is het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, en aan verweerder opgedragen binnen 2 weken een besluit te nemen op de aanvraag op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000, -.

Op 28 januari 2020 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. Dit besluit is ingetrokken en verweerder heeft vervolgens op 4 februari 2020 een nieuw besluit genomen.

Eiser heeft op 16 april 2020 de rechtbank medegedeeld dat hij het beroep wenst te handhaven en verzocht om de gehele verbeurde dwangsom vast te stellen alsmede om een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

  2. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eiser. In zijn verweerschrift van 16 december 2019 schrijft verweerder dit ook.

3. Omdat verweerder, na intrekking van zijn besluit van 28 januari 2020, op

4 februari 2020 alsnog een besluit heeft genomen, heeft eiser bereikt wat hij met zijn beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon bereiken. Dat betekent dat het belang bij een uitspraak van de rechter, het zogenoemde procesbelang, niet langer bestaat en het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Het beroep tegen niet tijdig beslissen van verweerder is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. De rechtbank stelt ten aanzien van het verzoek van eiser omtrent het vaststellen van de verbeurde dwangsom vast dat verweerder zich in het besluit van 30 januari 2020 (dwangsombesluit) op het standpunt stelt dat aan eiser de maximale dwangsom van

€ 15.000, - is verschuldigd op grond van de uitspraak van 2 augustus 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem omdat verweerder de beslistermijn met 165 dagen heeft overschreden zodat voornoemde maximale dwangsom is verschuldigd. Voorts heeft verweerder beslist dat hij volgens artikel 4:17 van de Awb tevens een bedrag van €1.442 verschuldigd is aan eiser.

6. Eiser schrijft in zijn reactie van 31 januari 2020 dat hij het beroep handhaaft omdat verweerder nog steeds in gebreke is. Verweerder is over 165 dagen een dwangsom verschuldigd zodat niet enkel de volgelopen dwangsom van €15.000,- maar tevens een bedrag van €1.500,- (15 x € 100,-) verschuldigd is omdat verweerder niet binnen 150 dagen maar pas na 165 dagen heeft beslist. Ten slotte verzoekt eiser om een vergoeding van de proceskosten te wegen tegen een hogere wegingsfactor dan gebruikelijk.

7. Verweerder betwist in zijn reactie van 3 februari 2020 dat hij een hogere dwangsom heeft verbeurd, omdat hij de beslistermijn met 165 dagen heeft overschreden en verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 2 augustus 2019. Tevens is verweerder van mening dat eiser niet een hogere proceskostenvergoeding toekomt dan gebruikelijk.

8. In zijn reactie van 4 februari 2020 handhaaft eiser zijn beroep en verzoekt de rechtbank de dwangsom vast te stellen die verweerder heeft verbeurd nadat het maximale bedrag van € 15.000, dat door de rechtbank zittingsplaats Haarlem in de uitspraak van 2 augustus 2019 (NL19.14644) is vastgelegd, is volgelopen.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het vaststellen van een dwangsom. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 2 augustus 2019, is aan verweerder een beslistermijn van twee weken opgelegd waarbinnen moet worden beslist op de asielaanvraag van eiser. Als verweerder dit niet doet, verbeurt hij een dwangsom van €100,- per dag, met een maximum van €15.000,-. Vaststaat dat verweerder deze dwangsom heeft verbeurd door eerst op 28 januari 2020 een besluit te nemen op eisers aanvraag. De uitspraak van de rechtbank Haarlem staat in rechte vast. De rechtbank ziet niet in op welke grondslag zij bevoegd is om deze dwangsom te verhogen zoals eiser wenst.

Ten overvloede overweegt de rechtbank, dat indien eiser van mening is dat verweerder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, eiser daartoe een procedure kan starten.

10. Eiser heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag terecht ingediend. Ondanks dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder heeft in zijn brief van 3 februari 2020 medegedeeld dat hij zich niet verzet tegen de toekenning van een proceskostenvergoeding aan eiser. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). De rechtbank ziet geen aanleiding tot het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

22 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.