Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
NL20.15950
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, asielzoeker in procedure, voldoende gronden, terecht geen lichter middel, verblijfsrecht in Italië niet onderbouwd, niet voldaan aan meldplicht, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15950

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Jankie), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft op 1 september 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Overwegingen

  1. Eiser stelt dat hij de Egyptische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1987] .

  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser alle bewaringsgronden heeft betwist. Verweerder kan bij de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volstaan met een toelichting waaruit de feitelijk juistheid van die grond blijkt.3 Naar het oordeel van de rechtbank is bij grond 3a duidelijk toegelicht dat verweerder op goede gronden vermoedt dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser kan namelijk geen geldig paspoort of ander identiteitsdocument overleggen. Dat eiser inmiddels asiel heeft aangevraagd, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Daarnaast is ook de zware grond onder 3b terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. In de maatregel staat vermeld dat aan eiser op 20 september 2019 een meldplicht is opgelegd, maar dat hij hieraan nooit heeft voldaan. Eiser heeft dit ook bevestigd in het gehoor voor zijn vorige inbewaringstelling op 18 augustus 2020. Tijdens het gehoor voor de huidige inbewaringstelling op 24 augustus 2020 heeft eiser verklaard dat hij bij zijn eerdere verklaringen blijft. De bewaringsgronden onder 3a en 3b zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel dus al dragen. De overige gronden van de bewaring behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met lichter middel. Hij heeft namelijk een verblijfsvergunning in Italië die geldig is tot 2025. Daarnaast heeft eiser geen strafblad en verblijft hij op een vast adres in Amsterdam-Oost. Tot slot voelt eiser zich depressief en kan hij het verblijf in het detentiecentrum niet aan.

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.

6. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en verweerder hoefde geen lichter middel toe te passen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser zijn gestelde verblijfsrecht in Italië niet aannemelijk heeft gemaakt. Het is aan eiser om zijn verblijfsrecht met stukken te onderbouwen. Dat zijn documenten van eiser mogelijk zijn gestolen, maakt dat niet anders. Verder heeft eiser twee verschillende adressen opgegeven in Amsterdam waar hij zou verblijven. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daarnaast is ook in het detentiecentrum afdoende zorg aanwezig. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij op dit moment detentieongeschikt is. Tot slot hebben het eerder opgelegde terugkeerbesluit en de meldplicht niet geleid tot het zelfstandig vertrek van eiser. Een lichter middel is dus al eerder toegepast door verweerder, maar tevergeefs. Gelet daarop mocht verweerder eiser nu in bewaring stellen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

4 Onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309).

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.