Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14827

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
NL20.15701 en NL20.15690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, TKB en IRV, tweede TKB wel op rechtsgevolg gericht, want vertrektermijn verkort, motiveringsgebrek TKB, wijze aanhouding niet inzichtelijk, geen redelijk vermoeden illegaal verblijf, geen bijzondere belangen gesteld, beide beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.15701 en NL20.15690

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Jankie),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 24 augustus 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst voor het uitwisselen van nadere stukken. Verweerder heeft op diezelfde dag nog een nader stuk overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd. De rechtbank heeft op 2 september 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Egyptische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1987] .

Over bestreden besluit 1 (NL20.15701)

2. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 18 augustus 2020 onrechtmatig is, omdat het eerdere terugkeerbesluit van 31 december 2017 nog van kracht is.

3. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 18 augustus 2020, omdat het terugkeerbesluit uit 2017 nog van kracht is.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Als sprake is geweest van een wijziging van de vertrektermijn, is het nieuwe terugkeerbesluit wel gericht op rechtsgevolg. Dat is hier het geval, omdat verweerder met het tweede terugkeerbesluit (van 18 augustus 2020) de vertrektermijn van 28 dagen heeft verkort tot nul dagen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 juli 20131, is het thans bestreden terugkeerbesluit daarom op rechtsgevolg gericht en aan te merken als een besluit.

5. Eiser voert verder aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden, omdat hem bij het gehoor voor het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte is verteld dat hij zich op eigen kosten tot een raadsman kan wenden. Er was een piketadvocaat beschikbaar die aanwezig kon zijn bij het gehoor.

6. De rechtbank overweegt als volgt. In het ‘Proces-verbaal van gehoor TKB en inreisverbod’ van 18 augustus 2020 staat vermeld dat eiser is geïnformeerd over het feit dat hij zich, op eigen kosten, tot een raadsman kan wenden, zodat die eiser kon bijstaan bij het gehoor. In het ‘Proces-verbaal van bevindingen’ van 28 augustus 2020 heeft verweerder verduidelijkt dat eiser tegelijkertijd is gehoord over de maatregel van bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eiser is toen medegedeeld dat hij zich kan laten bijstaan door zijn piketadvocaat, de heer mr. S. Jankie. Eiser heeft toen verklaard dat hij geen advocaat bij het gehoor wilde. Dit is vervolgens doorgegeven aan de heer mr. S. Jankie. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers recht op rechtsbijstand niet is geschonden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Eiser voert verder aan dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder zonder nadere motivering de zware en de lichte gronden aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het terugkeerbesluit niet heeft vermeld welke feiten en omstandigheden de gronden onderbouwen. Het terugkeerbesluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Anders dan in de uitspraak van de ABRvS van 9 oktober 20192, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).3 De reden hiervoor is dat de rechtbank hieronder in rechtsoverweging 16 oordeelt dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is. Gelet daarop bestaat er geen nauwe samenhang tussen het separate terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring. De maatregel van bewaring wordt namelijk geacht nooit te hebben bestaan. Verweerder had dan ook in het terugkeerbesluit de lichte en zware gronden moeten motiveren. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit is daarom gegrond. Nu de rechtbank het terugkeerbesluit

1 ECLI:NL:RVS:2013:523.

2 ECLI:NL:RVS:2019:3426.

vernietigt, bestaat er ook geen grond meer om een inreisverbod op te leggen.4 Gelet daarop komt ook het inreisverbod te vervallen. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, behoeft wat eiser verder heeft aangevoerd geen bespreking.

Over bestreden besluit 2 (NL20.15690)

9. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

10. Eiser stelt dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Het is niet duidelijk om welke reden en ter overtreding van welke strafbaar feit eiser zijn identiteitsgegevens moest tonen.

11. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting zaten er geen stukken over de aanhouding van eiser in het dossier. Het was daarom onduidelijk hoe eiser in de macht van verweerder was gekomen. Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om de wijze van aanhouding alsnog inzichtelijk te maken. Diezelfde dag heeft verweerder het proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2020 geüpload in het digitale dossier. Eiser heeft daar vervolgens op gereageerd.

12. In het proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2020 staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:

’’ (…) In station Zaandam zou een bijzonder opsporingsambtenaar staan welke een man staande had. De man kon geen identiteitsbewijs laten zien.

Enkele minuten later liep ik verbalisant op het Stadhuisplein in Zaandam. Ik, verbalisant [verbalisant] zag twee mannen staan welke gekleed waren in een als zodanig herkenbaar uniform van de Nederlandse spoorwegen. Ik zag dat er naast de mannen een onbekende man stond. De medewerker van de Nederlandse Spoorwegen zei tegen mij dat hij de onbekende man had staande gehouden maar hij geen geldig identiteitsbewijs bij zich had. Ik, verbalisant [verbalisant] , vroeg aan de man of hij een identiteitsbewijs bij zich had. Ik hoorde de onbekende man tegen mij zeggen dat hij deze niet had. Daarna vorderde ik, verbalisant [verbalisant] , inzage in een geldig legitimatiebewijs. Ik hoorde de man zeggen dat hij niks bij zich had. Ik, verbalisant [verbalisant] , heb daarna een identiteitsfouillering uitgevoerd bij de verdachte. Ik, verbalisant [verbalisant] , vond geen identiteitsbewijs. Ik heb de verdachte daarna aangehouden. (…)’’

13. Uit het voorgaande volgt dat eiser om zijn identiteitsbewijs is gevraagd op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. In zo’n geval moet worden bezien wat de aanleiding was om het identiteitsbewijs te vorderen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisant eiser om zijn identiteitsbewijs vroeg, nadat de twee mannen van de Nederlandse Spoorwegen verbalisant hadden verteld dat eiser geen geldig identiteitsbewijs bij zich had.

4 ECLI:NL:RVS:2013:BZ8705.

Het blijkt echter niet dat de vraag naar eisers identiteitsbewijs is gesteld in het kader van een controle op de naleving van andere weten dan de Vw, dan wel ter uitoefening van de algemene politietaken. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw.

14. Een controle op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw kan alleen plaatsvinden als er sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, als bedoeld in dat artikellid. Uit het proces-verbaal blijkt niet duidelijk waarom eiser in eerste instantie door de twee mannen van de Nederlandse Spoorwegen om zijn identiteitsbewijs is gevraagd. Op het moment van het vragen naar het identiteitsbewijs bestond er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Dit maakt de staandehouding naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig.

15. Deze onrechtmatigheid maakt de daaropvolgende inbewaringstelling eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat nu niet is gebleken van bijzondere belangen, en verweerder geen aanleiding heeft gezien bijzondere belangen te stellen, de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt.

16. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, behoeft wat eiser verder heeft aangevoerd geen bespreking.

Over de beroepen (NL20.15701 en NL20.15690)

17. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond en de rechtbank vernietigt dat besluit. Ook het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

18. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 3

x € 105,- (verblijf politiecel) en 4 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 635,-.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit 1;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 635,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 september 2020

Documentcode: [documentnummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.