Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
09/767083-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld voor het witwassen van contant ontvangen huurpenningen op de bankrekening van Alpha Business Solutions B.V. en van contante bedragen die werden omgezet in girale loonbetalingen aan werknemers die een fictief dienstverband hadden met dit bedrijf. De verdachte was één van de drie bestuurders van dit bedrijf en hield zich bezig met de boekhouding. Ten aanzien van de contant ontvangen huurpenningen kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de contante huurbetalingen, zodat hij een onderzoeksplicht had naar de herkomst van het geld. De verdachte heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan en had dus redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze contante geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Ten aanzien van de loonbetalingen stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap had van de fictieve dienstverbanden en dat hij zelf actief betrokken was bij het overmaken van de lonen. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor het in privé en als bestuurder van meerdere bedrijven witwassen van verschillende geldbedragen. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767083-19

Datum uitspraak: 24 februari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 juni 2019, 6 september 2019, 29 november 2019 (alle pro forma) en 5, 7 en 10 februari 2020 (inhoudelijke behandeling en tevens sluiting onderzoek op 10 februari 2020).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, naar voren hebben gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 7 februari 2020 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 6 september 2019 - tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2016 tot en met 5 maart 2019, te Nootdorp en/of Rijswijk en/of Zoetermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen en/of alleen (al dan niet als feitelijk bestuurder en/of aandeelhouder van [bedrijf 1] ), één of meerdere voorwerpen, te weten één of meerdere geldbedragen, te weten:

  • -

    contante stortingen (ten bedrage van (ongeveer) 136.910 EURO) op de rekening van [bedrijf 1] , althans contante (ontvangen) geldbedragen (afkomstig van (contante) huurontvangsten voor woningen aan de [adres 1] (ten bedrage van (in totaal) (ongeveer) 49.350 EURO) en/of [adres 2] (ten bedrage van (in totaal) (ongeveer) 50.600 EURO) en/of [adres 3] te Den Haag (ten bedrage van (in totaal) (ongeveer) 36.960 EURO), en/of

  • -

    (netto) loonbetalingen aan een of meerdere personen ten bedrage van (in totaal) (ongeveer) 59.101,97 EURO,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat voornoemde voorwerpen/geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt en/of welk misdrijf verdachte pleegde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 maart 2019 te Zoetermeer, althans in Nederland (in privé en/of als (feitelijk) bestuurder en/of aandeelhouder van (de ondernemingen van) [bedrijf 2] ), één of meerdere voorwerpen, te weten één of meerdere (contante) geldbedragen (van in totaal (ongeveer) 368.010 EURO (te weten 378.480 EURO minus 10.470 EURO (zie AMB366, pag. 7285)) en/of (ongeveer) 189.155 EURO (te weten 204.925 EURO minus 15.770 EURO (zie AMB390, pag. 7513))), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemde voorwerpen/geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt en/of welk misdrijf verdachte pleegde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 7 februari 2018 is bij een doorzoeking in de woning gelegen aan de [adres 6] te Den Haag vijf kilogram cocaïne aangetroffen en een groot geldbedrag. Op dit adres stond niemand ingeschreven. De huur werd voldaan door [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] voldeed de huur zowel via een bankrekeningnummer t.n.v. [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) als contant. [bedrijf 3] bleek ook huur te hebben betaald voor woningen waarin een hennepkwekerij heeft gezeten. Voorts bleek dat op de bankrekening van [bedrijf 3] veel contante bedragen werden gestort.

Deze bevindingen ten aanzien van [bedrijf 3] en [medeverdachte 1] zijn aanleiding geweest om op 20 april 2018 een onderzoek te starten onder de naam [onderzoeksnaam] . Dit onderzoek richtte zich in eerste instantie op [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] wordt ervan verdacht dat hij geld dat van misdrijf afkomstig is, witwast via het [bedrijf 3] , waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. Ook wordt [medeverdachte 1] ervan verdacht dat hij zogenoemde spookwoningen verhuurt aan criminelen. Gedurende het onderzoek is de verdenking ontstaan dat [medeverdachte 1] daarnaast geld witwast via een dochterbedrijf van [bedrijf 3] , genaamd [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] werden huren betaald van verschillende appartementen, voornamelijk gelegen in luxe appartementencomplexen met inpandige parkeergarages waar men redelijk anoniem kan verblijven. De bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] werden voornamelijk gevoed door contante stortingen, die niet lijken te stroken met de omzet van deze vennootschappen. Ook werden vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] salarissen uitbetaald aan mensen die meerdere strafrechtelijke antecedenten hebben. [medeverdachte 1] wordt ervan verdacht dat hij bij zowel het verhuren van spookwoningen als het construeren van dienstverbanden heeft samengewerkt met [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) (feit 1).

Gedurende het onderzoek [onderzoeksnaam] is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] via circa tien door hem gecontroleerde vennootschappen (hierna: de [bedrijf 2] ) dezelfde activiteiten heeft ontplooid als bij [bedrijf 1] . Dit vermoeden is ontstaan doordat de politie in de bankmutaties van de vennootschappen van de [bedrijf 2] opvallende overeenkomsten heeft geconstateerd met de bankmutaties van [bedrijf 1] met betrekking tot loonbetalingen en huurbetalingen. Ook is geconstateerd dat op zowel de zakelijke rekeningen als de privé rekeningen van [verdachte] aanzienlijke contante stortingen zijn gedaan.

In verband met dat laatste is aan [verdachte] tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 maart 2019 in privé en/of als (feitelijk) bestuurder en/of aandeelhouder van de [bedrijf 2] bedragen van € 189.155, respectievelijk € 368.010 heeft witgewassen en dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt en/of dat hij dit heeft gedaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de bewezenverklaring van het eerste gedachtestreepje van het onder 1 tenlastegelegde feit ziet op een totaalbedrag van € 17.260,28 aan contante huurontvangsten in de periode van 1 januari 2018 tot en met mei 2018, en de bewezenverklaring van het tweede gedachtestreepje van het onder 1 tenlastegelegde feit ziet op een totaalbedrag van € 43.581,31 aan loonbetalingen.

Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal de rechtbank hierna – voor zover relevant – nader ingaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten bepleit.

Op specifieke standpunten van de raadsman zal de rechtbank hierna – voor zover relevant – nader ingaan.

3.4

Het oordeel van de rechtbank1

3.4.1

Toetsingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Wanneer de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

3.4.2

Ten aanzien van feit 1

3.4.2.1 De huurontvangsten

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Op het adres [adres 1] stond niemand ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Het huurcontact stond op naam van [naam 1] . Zij stond ingeschreven op het adres [adres 4] in Den Haag.2 De overeenkomst met [bedrijf 4] ten behoeve van de woning aan de [adres 1] stond sinds 19 april 2015 op naam van [medeverdachte 3] . Op 5 maart 2019 werd de zus van [medeverdachte 3] , [getuige 1] , als getuige verhoord. Zij verklaarde dat haar moeder sinds twee maanden woonachtig was op de [adres 1] te Den Haag. Zij verklaarde dat de woning van haar broer [medeverdachte 3] was en dat hij zijn moeder daar laat logeren. Op dezelfde dag werd de moeder van [medeverdachte 3] , [getuige 1] , als getuige verhoord. Zij verklaarde dat zij in deze woning van haar zoon [medeverdachte 3] verbleef. Het totale huurbedrag over de periode van mei 2015 t/m maart 2019 voor deze woning bedroeg minstens € 49.350,-.3 Hiervan is € 3.660,- giraal betaald.4

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 3] huurder is van [adres 2] .5 Ook op het adres [adres 2] stond niemand ingeschreven in de BRP. Het huurcontract stond op naam van [medeverdachte 3] . Bij een doorzoeking in de woning aan de [adres 3] op 5 maart 2019 werd een aantal facturen in beslag genomen gericht aan [medeverdachte 3] , [adres 2] te ’s‑Gravenhage, voor maandelijkse huurtermijnen. Het totale huurbedrag over de periode van mei 2015 t/m maart 2019 bedraagt minstens € 50.600,-, uitgaande van het huurbedrag in het huurcontract van 2015.6 Hiervan is € 4.855,- giraal betaald.7

Op het adres [adres 3] stond ook niemand in de BRP ingeschreven.8 Het huurcontract is opgemaakt tussen verhuurder [bedrijf 5] en huurders [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] . Het huurbedrag bedraagt € 1.155,- per maand. [naam 2] was vanaf 1 juli 2016 contractant van zowel [bedrijf 6] als [bedrijf 4] voor deze woning. Uit de BRP bleek dat [naam 2] ingeschreven stond op [adres 5] in Rotterdam. Op 5 maart 2019 werd er binnengetreden in de woning aan de [adres 3] en werd [medeverdachte 3] in deze woning aangehouden. In de woning werden meerdere goederen aangetroffen die aan [medeverdachte 3] te linken zijn. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij daar lag te slapen, het niet zijn woonadres was en hij niet de enige was die daar woonde en de sleutel had.9 Op 11 maart 2019 verklaarde [naam 2] als getuige dat zij al sinds februari 2017 op [adres 5] te Rotterdam woonde. Gevraagd naar de betalingen die zij deed voor de huurwoning van de [adres 3] verklaarde [naam 2] dat zij ervoor gevraagd was door iemand en dat zij loyaal was aan deze persoon.10 Het totale huurbedrag over de periode van juli 2016 t/m maart 2019 bedroeg minstens € 36.960,-, uitgaande van het huurbedrag in het huurcontract van 2016.11 Hiervan is € 4.920,- giraal betaald.12

In totaal moest er voor de drie woningen een bedrag van minstens € 136.910,- betaald worden.13

Uit opgevraagde rekeninggegevens van [bedrijf 1] is gebleken dat in de periode van 31 januari 2018 tot 30 juli 2018 bedragen werden overgeschreven aan verhuurder [bedrijf 7] , waarbij in de omschrijving per betaling steeds werd verwezen naar de (huur over) een bepaalde maand en gezamenlijk de adressen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] .14

In de periode van 1 januari 2012 tot en met 2 augustus 2018 werd € 136.030,- contant gestort op de rekening van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] betaalde € 122.432,67 huurkosten voor minimaal 13 verschillende locaties, waaronder [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] .15

Op basis van de verstrekte gegevens van de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen ( iCOV ) blijkt dat [medeverdachte 3] in de periode van 2013 tot en met medio 2018 geen eigenaar of vennoot is geweest van een onderneming, alleen in 2017 en 2018 € 12.061,- aan inkomen heeft genoten van [bedrijf 1] , nauwelijks banktegoeden bezit, geen schenkingen of erfenissen heeft ontvangen en geen voertuigen op naam heeft.16

[medeverdachte 1] heeft op 25 januari 2018 een mailbericht gestuurd aan [verdachte] en [medeverdachte 2] met de volgende inhoud: “Heren, bijgaand huurdersoverzicht met telefoonnummers indien ik niet aanwezig ben. Mvg., [medeverdachte 1] ”.17

Bij onderzoek in de administratie van [bedrijf 3] en [bedrijf 1] zijn huurovereenkomsten aangetroffen die zijn gesloten door [bedrijf 3] en/of [bedrijf 1] , terwijl slechts incidenteel onderliggende documentatie werd aangetroffen met betrekking tot de screening van potentiële huurders (bankafschriften, ID-bewijzen, loonstroken, werkgeversverklaringen).18 Uit opgevraagde gegevens van huursignaal is gebleken dat [medeverdachte 1] op naam van [bedrijf 3] bevragingen heeft gedaan van in totaal 25 personen in de periode 6 oktober 2016 t/m 17 januari 2019. Hieronder bevonden zich niet [medeverdachte 3] of andere personen die in verband zijn te brengen met de drie in de tenlastelegging genoemde woningen.19

Verklaringen verdachte en nader onderzoek

Ter terechtzitting van 5 februari 2020 heeft [verdachte] verklaard dat hij er geen weet van heeft gehad dat de huurbetalingen een criminele herkomst hadden. [medeverdachte 1] vond het interessant om zijn huurpanden vanuit [bedrijf 3] in [bedrijf 1] binnen te brengen, zonder overleg met de andere bestuurders van [bedrijf 1] . Hij heeft bankrekeningen van [bedrijf 1] gebruikt om de huur op te laten storten. [verdachte] had geen idee waar de huur vandaan kwam. Hij wist niet wie er in die panden zaten en wist ook niets van de achtergrond van die huurders. Tegen het einde van de maand reed [medeverdachte 1] altijd naar Ypenburg en hij kwam met bakken contant geld terug.20

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Uit de bewijsmiddelen vloeit genoegzaam voort dat de drie in de tenlastelegging genoemde woningen in gebruik waren bij (familie van) [medeverdachte 3] . De huren werden vrijwel uitsluitend contant betaald en vervolgens giraal door [bedrijf 1] doorbetaald aan de verhuurder, terwijl uit iCOV -gegevens is gebleken dat [medeverdachte 3] niet of slechts over een beperkt inkomen of vermogen beschikte.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de huuropbrengsten van de drie in de tenlastelegging genoemde woningen uit misdrijf afkomstig waren. [verdachte] heeft immers geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven ten aanzien van de contante stortingen van huren van de drie woningen op de rekening van [bedrijf 1] . Hij beroept zich er slechts op dat hij geen wetenschap had van de criminele herkomst van de huurbetalingen. Hij was echter op de hoogte van de contante betalingen, zodat hij een onderzoeksplicht had naar de herkomst van het geld. Dat geldt te meer daar hij binnen [bedrijf 1] verantwoordelijk was voor de administratie c.q. de boekhouding.21 [verdachte] had kunnen – en moeten - nagaan of [medeverdachte 1] de achtergrond van de huurders voldoende had gecontroleerd. Dan had hij ontdekt dat de bij de huurders op te vragen stukken veelal in de administratie ontbraken en [medeverdachte 1] in de meeste gevallen geen [systeem naam] -check deed. Bovendien ontbraken [systeem naam] -checks van de huurders van de drie woningen en van [medeverdachte 3] .

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de contante stortingen uit huuropbrengsten van de drie woningen afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit geldt temeer, nu een en dezelfde persoon ( [medeverdachte 3] ) kennelijk banden had met deze drie woningen, wat op zijn minst opvallend was. [verdachte] heeft zich ten aanzien van de huuropbrengsten dan ook schuldig gemaakt aan schuldwitwassen

De rechtbank acht medeplegen met een ander (namelijk [medeverdachte 1] ) bewezen, nu beiden bestuurders van [bedrijf 1] waren en als zodanig in de gelegenheid om in te grijpen in de activiteiten binnen [bedrijf 1] , beiden een bankpasje van de [bankrekening 2] van [bedrijf 1] hadden en ze samen bezig waren met het ontvangen en verwerken van contante huuropbrengsten. [medeverdachte 1] hield zich meer bezig met het commerciële gedeelte en [verdachte] met de administratie/boekhouding. Zodoende leverden zij ieder een wezenlijke bijdrage, waarbij ze met elkaar samenwerkten en elkaar aanvulden, zodat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Wel gaat het bij [verdachte] om een aanzienlijk minder lange periode en aanzienlijk minder hoog bedrag (namelijk in totaal om een bedrag van € 17.260,28) aan huurontvangsten dan bij [medeverdachte 1] , omdat naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gebleken dat de betrokkenheid van [verdachte] hierbij zich heeft beperkt tot de eerste vijf maanden van 2018.

3.4.2.2 De loonbetalingen

Uit iCOV -gegevens blijkt dat de omzet van [bedrijf 1] varieert tussen ongeveer € 150,- (halfjaar 2018) en € 11.600,- (2017). [bedrijf 1] heeft in 2017 drie mensen en in 2018 zes mensen in loondienst gehad tegen een brutoloonsom van circa € 49.000,- (2017) en € 51.000,- (halfjaar 2018).22 In totaal is voor een bedrag van € 59.101,97 aan loonbetalingen gedaan door [bedrijf 1] , waarvan een bedrag van € 7.759,83 namens [bedrijf 1] is voldaan vanaf de rekening van [bedrijf 3] .23 Blijkens een mutatieoverzicht van de [bankrekening 1] van [bedrijf 1] is in de periode van 2 juli 2018 tot en met 21 augustus 2018 vanaf die rekening een totaalbedrag aan salaris van € 7.760,83 betaald.24

In de kantoorunit van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] werden onder andere werkgeversverklaringen van [bedrijf 1] uit 2017 en 2018 aangetroffen. Verder werden er loonstroken aangetroffen van [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [medeverdachte 3] . In de in beslag genomen stukken is niets aangetroffen wat erop duidt dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht door de personen die loon kregen uitbetaald door [bedrijf 1] .25

Op de computer van [verdachte] werden onder andere de volgende stukken aangetroffen:

  • -

    een e-mailbericht van [medeverdachte 1] aan de verdachte [verdachte] met het verzoek om het loon van mevrouw [naam 8] te corrigeren;

  • -

    een overzicht werkgeverskosten [bedrijf 1] met de namen van de personeelsleden [medeverdachte 3] , [naam 4] , [naam 9] , [naam 5] en [naam 6] ;

  • -

    salarisspecificaties van [naam 6] , [naam 4] , [naam 8] , [naam 11] , [naam 9] , [medeverdachte 3] .26

Op de iPhone X van [medeverdachte 2] komt het volgende Whatsapp-gesprek van 11 september 2017 tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] voor:

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] had jij nog visite kaartjes voor [medeverdachte 3] geregeld

[medeverdachte 2] : [verdachte] zou dat regelen zei die

[medeverdachte 2] : Whahaha

[medeverdachte 2] : Moet ik dat doen?

[medeverdachte 2] : [verdachte] heb die gegevens van hem opgeschreven

[verdachte] : jij hebt toch die contacten qua layout enzovoorts?

[medeverdachte 2] : Die artwork staat op de cloud

[medeverdachte 2] : Die moet alleen wel bewerkt worden met de gegevens van [medeverdachte 3]

[verdachte] : En wie doet dat?

[medeverdachte 2] : Als je die gegevens van [medeverdachte 3] stuurt dan kan ik vragen of die artwork

aangepast kan worden

[verdachte] : Ok, [medeverdachte 1] stuur jij die gegevens door?

[medeverdachte 2] : jij had het op een papiertje geschreven dat weet ik wel

[medeverdachte 2] : is het [e-mail] trouwens?

[medeverdachte 2] : hopelijk kan [naam 10] snel die artwork aanpassen

[verdachte] : [medeverdachte 3] tel ( [medeverdachte 1] weet dat) titel Sales manager

[medeverdachte 1] : [zend contact F [medeverdachte 3] ]

[medeverdachte 2] : En is het [medeverdachte 3] ??

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2] : Is sales manager niet te hoog als titel

[medeverdachte 1] : Consultant?

[medeverdachte 2] : Ik heb er Sales van gemaakt

[medeverdachte 2] : We moeten het niet mooier maken dan het is

[medeverdachte 2] : Het is eigenlijk wel link om hem visitekaartjes te geven

[verdachte] : Is denk ik voldoende omdat hij als hij er op aangesproken wordt zich beter kan redden uit sales dan uit consultant27

Uit een afgeluisterd gesprek op de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er dwangbevelen zijn gestuurd naar [bedrijf 1] voor het niet afdragen van loonheffing. [medeverdachte 1] meent dat het de schuld is van “die vieze dikzak” waarmee vermoedelijk [verdachte] wordt bedoeld.28

De personen die staan opgevoerd als werknemer van [bedrijf 1] hebben zonder uitzondering gebruik gemaakt van hun zwijgrecht met betrekking tot vragen over [bedrijf 1] en/of hun betreffende dienstverband.29

Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard:

OvJ: Bij de politie heeft u verklaard dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] hadden gezegd dat ze

mensen in dienst hadden, maar dat u die mensen nooit heeft gezien (PV verhoren map 1, p. 172). Klopt dat?

G: Ja, ik heb die mensen nooit gezien.

OvJ: Heeft u [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [verdachte] ooit horen bellen met die mensen die ze in dienst hadden?

G: Nee.30

Bij de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard:

A: (…) [verdachte] deed alle financiën van [bedrijf 1] .

V: Hadden jullie personeel in dienst?

A: Ja, dat deed ook [verdachte] ook allemaal. Hij regelde de lonen en de administratie.

V: Wie hadden jullie in dienst?

A: Dat weet ik niet

V: Heb jij mensen aangenomen of werk laten doen voor [bedrijf 1] ?

A: Nee, dat was allemaal [verdachte] .31

Bij zijn eerste verhoor bij de politie op 5 maart 2019 verklaart [verdachte] over [medeverdachte 1] :

A: Hij had contact met mensen uit een bepaald milieu. Hij zette ze op de loonlijst bij [bedrijf 1]

V: Voor de goede orde, die mensen werkten niet voor [bedrijf 1] ?

A: Nee, die mensen werkten niet.

V: Waarom deed hij dat dan?

A: Hij had bij een van die mensen een schuld.32

(…)

V: Hoe wist je dan dat dat criminelen waren? Dat zie je toch niet aan een loonlijst? Ze zetten toch niet als beroep crimineel erop?

A: [medeverdachte 1] vertelde zelf dat het criminelen waren.

(…)

A: Er stonden ook mensen die op de loonlijst stonden die dat niet deden voor de hypotheek maar om andere redenen.

V: Wat waren die andere redenen?

A: Hij heeft nooit echt verteld. Ik denk dat die mensen tegen [medeverdachte 1] hebben gezegd, wij hebben een inkomen nodig, zorg daar maar voor.33

In zijn tweede verhoor bij de politie verklaart [verdachte] :

V: Hoe kreeg hij dat geld dan?

A: Hij kreeg pakken van geld van mensen. Ik heb het vermoeden omdat ze op de loonlijst van hem staan. Ik denk dat er mensen zijn die op een of andere manier hun geld zodanig in de roulatie willen brengen dat het niet zo opvalt.

(…)

V: Werd het geld op de rekening van [bedrijf 1] gestort door u?

A: Ja

V: Waar kwam dat geld vandaan?

A: Ik heb het vermoeden omdat die mensen op de loonlijst wilde staan?

V: Waar het geld dat op de rekening van [bedrijf 1] dan heenging?

A: Dat werd uitbetaald door [bedrijf 1] als loon. Ik heb ook een keer geld uitbetaald. Ik heb ook loonbelasting betaald.

(…)

O: U hebt gisteren (5-3-2019) dat [bedrijf 1] een bankrekening bij de

[bank] had. We begrepen ook dat u een bankpas had voor deze rekening?

V: Heeft u deze pas weleens gebruikt? En zo ja waarvoor? Hebt u de pas nog in uw bezit?

A: Ja, om te storten. Ik heb de pas niet meer. De pas is vernietigd door mij, al een tijdje geleden. Ik weet het niet precies maar dat moet ergens voor maart 2018 geweest. (…)

(…)

V: Hoe ging dat dat? Waar kwam dat geld vandaan?

A: Dat geld kwam van [medeverdachte 1] , Ik kreeg dat op kantoor, soms twintigjes, vijftigjes ook wel vijfhonderdjes. Allemaal met elastiek erom heen. Dat moest ik dan storten.

V: Waar kwam dat geld vandaan?

A: Ik heb het vermoeden dat dat kwam van de mensen die bij hem op de loonlijst stonden. Ik heb hem dat ook gevraagd, waar dat geld vandaan kwam. En [medeverdachte 1] zei toen dat is dat zo.34

In het zesde verhoor van [verdachte] op 28 mei 2019 staat het volgende:

A: (…) Ik weet dat [medeverdachte 1] enorm veel geld was verschuldigd aan [medeverdachte 3] . Het ging om bakken met geld, ik spreek dan van ongeveer 50.000 euro.

V: Waar komt deze schuld vandaan?

A: Dat weet ik niet.

V: Je hebt het over kwitanties en overeenkomsten. Waarom zullen de werknemers contant geld aan [medeverdachte 1] betalen.

A: De medewerker geeft contant geld aan [medeverdachte 1] en in ruil daarvoor zijn salaris via de bank weer teruggestort.35

Verklaring verdachte

Ter terechtzitting van 5 februari 2020 heeft [verdachte] verklaard dat hij alleen maar wist dat [medeverdachte 3] ergens in 2016/2017 een dienstverband had op voorspraak van [medeverdachte 1] . Later kwam er nog iemand bij. Toen [verdachte] aangehouden werd, hoorde hij dat er mensen in dienst waren die hij nog nooit gezien had of kende. Hij had geen idee wie ze waren, wat ze deden en waar ze werkten. Alleen [medeverdachte 3] wist hij. Die scheen een netwerk te hebben. [medeverdachte 1] wilde daar gebruik van maken en bood hem een baan aan. [verdachte] heeft niet gezien of [medeverdachte 3] wat deed, want het contact met [medeverdachte 3] liep alleen via [medeverdachte 1] . [verdachte] had alleen zicht op de bank. Inhoudelijk wist hij niet hoe het geld binnenkwam.36

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Uit de bewijsmiddelen komt genoegzaam naar voren dat [bedrijf 1] drie respectievelijk zes werknemers op de loonlijst had staan en dat er ruim € 59.000,- aan netto loonbetalingen is uitbetaald, terwijl daar nauwelijks enige omzet tegenover stond. Ook zijn er werkgeversverklaringen en loonstroken in de administratie aangetroffen. Van (substantiële) werkzaamheden voor [bedrijf 1] door de betreffende werknemers is niet gebleken, terwijl zij zich allen op hun zwijgrecht hebben beroepen.

Op de computer van [verdachte] is een e-mailbericht aangetroffen van [medeverdachte 1] aan [verdachte] met het verzoek om het loon van mevrouw [naam 8] te corrigeren. Ook zijn op zijn computer een overzicht van werkgeverskosten en salarisspecificaties aangetroffen waarin de namen van acht werknemers worden genoemd. Verder blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek dat [medeverdachte 1] boos is op [verdachte] omdat deze de loonheffing niet zou hebben afgedragen.

[verdachte] heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven die afbreuk kan doen aan het vermoeden van witwassen. In tegendeel. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] mensen uit een bepaald milieu op de loonlijst van [bedrijf 1] zette die niet werkten. [medeverdachte 1] vertelde zelf aan [verdachte] dat het criminelen waren. De medewerker gaf contant geld aan [medeverdachte 1] en in ruil daarvoor werd zijn salaris via de bank teruggestort. [verdachte] ontving contant geld van [medeverdachte 1] om op de rekening van [bedrijf 1] te storten ter betaling van de lonen.

Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] , anders dan hij ter terechtzitting heeft verklaard, wetenschap had van de fictieve dienstverbanden, de contante stortingen die werden omgezet in loonbetalingen en de criminele herkomst van dat (contante) geld en daar bovendien zelf actief bij betrokken was.

Gezien het voorgaande en mede gelet op de duur van de periode waarin deze feiten zijn gepleegd en de frequentie waarmee zij zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich ten aanzien van de loonbetalingen uit dienstverband heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen in de uitoefening van zijn bedrijf.

De rechtbank acht medeplegen met een ander (namelijk [medeverdachte 1] ) bewezen, nu beiden bestuurders van [bedrijf 1] waren en als zodanig in de gelegenheid om in te grijpen in de activiteiten van [bedrijf 1] , beiden een bankpasje van de [bankrekening 2] van [bedrijf 1] hadden en ze samen bezig waren met het betalen van loon vanuit [bedrijf 1] aan mensen die niet of nauwelijks werkzaamheden verrichtten. [medeverdachte 1] hield zich meer bezig met het commerciële gedeelte en [verdachte] met de administratie/boekhouding. Zodoende leverden zij ieder een wezenlijke bijdrage, waarbij ze met elkaar samenwerkten en elkaar aanvulden, zodat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Wel gaat het bij [verdachte] om een minder lange periode en een minder hoog bedrag aan loonbetalingen dan bij [medeverdachte 1] , omdat naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gebleken dat [verdachte] niet betrokken is geweest bij de loonbetalingen via [bedrijf 3] en via de [bankrekening 1] van [bedrijf 1] die door [medeverdachte 1] is geopend.

3.4.3

Ten aanzien van feit 2

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

In de periode van 16 november 2016 tot en met 20 februari 2018 is op de bankrekeningen van de [bedrijf 2] , waarover [verdachte] als bestuurder en enig aandeelhouder de beschikking had, door middel van 334 stortingen in totaal een bedrag van € 378.480,- contant gestort. Van dat bedrag is € 243.900,- gestort in 2017. Uit de bankmutaties blijkt niet wat de herkomst van dit contante geld is. In de periode 2012 tot en met oktober 2016 zijn geen contante stortingen gedaan. In de periode van 2012 tot en met 2015 is in totaal een bedrag van € 10.470,- van deze bankrekeningen opgenomen.37

Ten opzichte van 2012 zijn de bedrijfsopbrengsten - de gelden die op de bankrekeningen van de [bedrijf 2] ontvangen zijn - in de daarop volgende jaren meer dan gehalveerd. Vanaf 2016 zijn de loonkosten van de [bedrijf 2] fors gestegen tot 60% van de totale bedrijfskosten. Het saldo van de bedrijfsopbrengsten minus de bedrijfskosten was vanaf 2016 negatief.38 De ondernemingen binnen de [bedrijf 2] lijken sindsdien dus niet winstgevend te zijn geweest. Verder heeft de [bedrijf 2] in de periode tussen januari 2012 en februari 2019 betalingen van in totaal € 10.724,50,- ontvangen. Uit de betalingsomschrijvingen blijkt dat deze betalingen betrekking hebben op leningen. Uit de bankmutaties blijkt niet dat op deze leningen werd afgelost.39

Op de bankrekeningen op naam van [verdachte] (privé) is in de periode van 2012 tot medio 2018 in totaal € 220.095,- contant gestort. Het grootste deel van dit bedrag (€ 204.925,-) is in de periode van 2016 tot medio 2018 gestort. Uit de bankmutaties blijkt niet wat de herkomst van dit contante geld is. Daarnaast is in de periode van 2012 tot medio 2018 in totaal een bedrag van € 115.565,99 contant opgenomen. Een aanzienlijk deel daarvan (€ 93.335,99) is opgenomen in de jaren 2012 tot en met 2014.40

Vanaf 2015 had [verdachte] op zijn privé rekeningen een aanzienlijk negatief banksaldo.41 Verder zijn in de bankmutaties van [verdachte] verschillende transacties te zien die zijn te relateren aan leningen. Uit de betalingsomschrijvingen valt niet altijd af te leiden of het gaat om verkregen of verstrekte leningen. Ook zijn geen regelmatige aflossingen zichtbaar. In 2013 heeft [verdachte] ongeveer € 50.000,- als lening ontvangen van [naam 12] . Op deze lening zijn (giraal) nauwelijks aflossingen betaald.42 [verdachte] heeft verklaard dat hij ongeveer € 50.000,- van zijn moeder heeft geleend die hij niet heeft terugbetaald. Hij had dit geld nodig om zakelijke kosten te betalen. Hij betaalde contant € 2.500,- rente per jaar. Daarnaast heeft hij in 2014 € 11.000,- van de heer [naam 13] geleend en in 2012 ongeveer € 10.000,- van zijn zus. Deze leningen heeft hij wel terugbetaald.43 [verdachte] gebruikte zijn privébankrekeningen ook voor bedrijfsmatige inkomsten en uitgaven.44

Het vermogen van [verdachte] is in 2002 gestegen van € 721,- naar € 115.997,-. Dit kan te maken hebben met de ontvangst van een erfenis in dat jaar van zijn overleden vader van netto € 177.343,-. In 2003 is het vermogen weer afgenomen tot maximaal € 18.800,- (het heffingsvrije vermogen). In 2006 is het vermogen wederom gestegen tot € 364.877,-. Niet duidelijk is wat de herkomst is van dit geld. In de jaren daarna is het vermogen weer afgenomen tot het heffingsvrije vermogen. In 2010, 2011 en 2012 bedroeg het vermogen van [verdachte] volgens zijn opgaven bij de Belastingdienst maximaal het heffingsvrije vermogen van ongeveer € 20.000,-.45

De gegevens van de banken en de Belastingdienst verklaren niet de herkomst van de contante stortingen van in totaal € 590.155,- op de zakelijke en privé rekeningen van [verdachte] in de periode van 2016 tot medio 2018.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van een vermoeden van witwassen. Het is dan aan [verdachte] om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de (legale) herkomst van de contante geldbedragen die gestort zijn op de rekeningen waarover hij de beschikking had, zodat het Openbaar Ministerie daar nader onderzoek naar kan doen.

Verklaringen verdachte en nader onderzoek

Ten aanzien van de contante bedragen die zijn gestort op de privé bankrekeningen van [verdachte] heeft hij ter terechtzitting verklaard dat deze bedragen de opbrengsten zijn van antiekhandel waarmee hij zich sinds de jaren ‘80 beziggehouden heeft.

Met het enkel aanwijzen van deze bron van verkrijging van gelden in een tijdvak ruim voor de aanvang van de tenlastegelegde periode, is naar het oordeel van de rechtbank niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de legale herkomst van de contante stortingen op de privé bankrekeningen. Het verloop van de contante geldstromen naar deze bankrekeningen blijkt ook niet uit enige administratie of document. [verdachte] heeft ook niet toegelicht wanneer hij welke stukken antiek zou hebben verkocht en hoeveel winst hij daarop heeft gemaakt. Het Openbaar Ministerie was dan ook niet gehouden nader onderzoek te doen naar de gestelde opbrengsten van antiekverkoop. Daarbij komt nog dat [verdachte] bij de Belastingdienst geen opgave heeft gedaan van enig (contant) vermogen waaruit de herkomst van de stortingen op zijn privé rekeningen van in totaal € 189.155,- kan worden verklaard.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de contante opnamen van de privé rekeningen van [verdachte] in de jaren 2012 tot en met 2015 van in totaal bijna € 100.000 verband houden met de ‘oorlogskas’ die [verdachte] in verband met de bankencrisis contant in huis bewaarde. Deze contante opnamen zouden een aanzienlijk deel van de contante stortingen op de privé rekeningen in de jaren daarna verklaren, aldus de raadsman.

De rechtbank constateert ten eerste dat het een feit van algemene bekendheid is, dat de bankencrisis plaatsvond in de jaren 2008 tot 2012. Het ligt dan ook niet voor de hand dat geldopnamen van 2012 tot en met 2015 daarmee verband houden en dat die geldopnamen de legale herkomst van (een deel van) de contante stortingen op de privé rekeningen van [verdachte] in de jaren 2016 tot en met 2018 verklaren. Ten tweede heeft [verdachte] verklaard dat hij in de jaren 2008/2009 contant geld reserveerde voor zijn bedrijf en dat hij vanaf 2012, na de crisis, juist weer is gaan investeren (met matig succes).46 Ook om die reden gaat de rechtbank aan het door de raadsman naar voren gebrachte verweer voorbij.

Ten aanzien van de contante bedragen die zijn gestort op de zakelijke rekeningen van de [bedrijf 2] heeft [verdachte] verklaard dat deze uit verschillende bronnen afkomstig zijn, te weten antiekhandel (ruim twee ton), schenkingen en leningen die “terugkwamen”.

Ook hier geldt dat met het enkel aanwijzen van deze bronnen van legale verkrijging van gelden in een tijdvak (ruim) voor de aanvang van de tenlastegelegde periode, niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven voor de legale herkomst van de bedragen die op de zakelijke rekeningen zijn gestort. [verdachte] heeft de herkomst van het contante geld uit voormelde bronnen ook niet onderbouwd of inzichtelijk gemaakt, zodat hiernaar geen nader onderzoek gedaan kon worden.

Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat hij twee grote erfenissen heeft ontvangen waarmee de herkomst van een deel van de contante stortingen op zijn zakelijke rekeningen verklaard kan worden. Uit nader onderzoek blijkt dat [verdachte] in 2002 een erfenis heeft ontvangen van zijn overleden vader van netto € 177.343,-.47 [verdachte] heeft van deze erfenis ongeveer € 40.000,- contant opgenomen.48 In 2010 heeft [verdachte] een erfenis ontvangen van zijn overleden tante van netto € 229.627,-.49 [verdachte] heeft van deze erfenis ongeveer € 80.000,- contant opgenomen.50 In totaal zou een bedrag van € 120.000 dat tussen 2016 en 2019 is gestort op de zakelijke rekeningen afkomstig zijn van de ontvangen erfenissen.51 De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet valt te rijmen met de bedragen die – zoals hierboven is vastgesteld - [verdachte] in de periode na de ontvangst van de erfenissen (te weten in 2012, 2013 en 2014) heeft geleend van zijn zus, zijn moeder en een vriend. In de bankmutaties van zowel zijn privé rekeningen als zijn zakelijke rekeningen zijn bovendien transacties zichtbaar die duiden op nog meer leningen. Gelet daarop en gelet op het feit dat [verdachte] na 2006 niet bij de Belastingdienst heeft opgegeven te beschikking over enig (contant) vermogen, gaat de rechtbank ervan uit dat hij in de periode van 2016 tot en met 2018 niet meer beschikte over de erfenissen en dat deze dus niet de herkomst van (een deel van) de bedragen die in die periode op de zakelijke rekeningen zijn gestort, kunnen verklaren.

Ten slotte heeft [verdachte] verklaard dat hij € 100.000,-, in termijnen van € 5.000,- per maand, contant van [medeverdachte 1] heeft ontvangen, omdat [naam 8] en Douwes op de loonlijst stonden van de [bedrijf 2] en werden gedetacheerd bij [bedrijf 3] . Daarnaast zou hij € 20.000,- contant van [medeverdachte 1] hebben ontvangen, omdat [medeverdachte 3] op verzoek van [medeverdachte 1] bij [verdachte] op de loonlijst stond.

Naar aanleiding van deze verklaring stelt de rechtbank vast dat [getuige 3] , sinds 2005 in dienst bij [verdachte] , als getuige heeft verklaard dat de meeste werknemers van de [bedrijf 2] rond 2012 uit dienst gingen. Na 2012 hebben [getuige 3] en [verdachte] geen nieuwe mensen meer opgeleid voor werkzaamheden binnen de [bedrijf 2] . De namen [naam 8] , [medeverdachte 3] en [getuige 4] zeggen [getuige 3] niets.52 [getuige 4] heeft in 2018 loon uitbetaald gekregen van de [bedrijf 2] .53 Hij heeft evenwel verklaard dat hij eigenaar is van [bedrijf 8] , dat [verdachte] zijn boekhouder was en dat hij niet bij [verdachte] in dienst is geweest en nooit werkzaamheden voor hem heeft verricht.54 [naam 8] heeft in 2017 en 2018 loon uitbetaald gekregen van de [bedrijf 2] .55 Zij heeft zich bij vragen over haar dienstverband bij [bedrijf 2] beroepen op haar zwijgrecht en als getuige heeft zij zich op alle zaaksinhoudelijke vragen beroepen op haar verschoningsrecht.56

Gelet op dit alles, in combinatie met het gegeven dat bij feit 1 witwassen door middel van fictieve dienstverbanden van [bedrijf 1] met onder meer [medeverdachte 3] en [naam 8] is bewezenverklaard, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [verdachte] over contante bedragen (€ 100.000,- en € 20.000,-) afkomstig van [medeverdachte 1] in verband met loonbetalingen, geen aanwijzing vormt voor de legale herkomst van die bedragen.

Ook anderszins is niet de aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van de tenlastegelegde periode gebleken waaruit de contante stortingen op de zakelijke en/of privé rekeningen (kunnen) worden verklaard. Enerzijds ontbreekt administratie of documentatie met betrekking tot contante geldstromen leidend tot contante stortingen en, anderzijds, komt uit de resultaten van het onderzoek naar, kort gezegd, de fiscale aangiftes door [verdachte] over de tenlastegelegde periode, naar voren dat hij daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord met betrekking tot opduikende en weer verdwijnende contante vermogens, zodat aangenomen moet worden dat er geen (legaal) vermogen was waaruit de contante stortingen kunnen worden verklaard.

Conclusie

Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de op de bankrekeningen van [verdachte] gestorte contante geldbedragen een legale herkomst hebben en dat [verdachte] dat wist.

Gelet op de langere periode en de aantallen stortingen is de rechtbank voorts van oordeel dat [verdachte] van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt en dat hij dit, voor zover het de stortingen op zijn zakelijke rekeningen betreft, heeft gedaan in de uitoefening van zijn bedrijf.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2018 tot en met mei 2018 te Nootdorp en/of Rijswijk en/of Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander (al dan niet als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1] ) meerdere geldbedragen, te weten:

- contante stortingen (ten bedrage van 17.260,28 EURO) op de rekening van [bedrijf 1] , afkomstig van contante huurontvangsten voor woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te Den Haag

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

in de periode van 1 januari 2018 tot en met mei 2018 te Nootdorp en/of Rijswijk en/of Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander (al dan niet als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1] ) meerdere geldbedragen, te weten:

- ( (netto) loonbetalingen aan meerdere personen ten bedrage van 43.581,31 EURO,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt en welk misdrijf de verdachte pleegde in de uitoefening van zijn bedrijf;

2.

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 maart 2019 in Nederland (in privé en als bestuurder van de ondernemingen van [bedrijf 2] ), contante geldbedragen van in totaal 368.010 EURO (te weten 378.480 EURO minus 10.470 EURO) en 189.155 EURO (te weten 204.925 EURO minus 15.770 EURO)), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt en/of welk misdrijf verdachte pleegde in de uitoefening van zijn bedrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel gecombineerd met een deels voorwaardelijke straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen van in totaal ruim zes ton. Door zo te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Dit is zeer kwalijk, omdat op deze manier de onderliggende criminaliteit wordt gefaciliteerd. Daarnaast vormt het witwassen van crimineel geld ook een ernstige bedreiging van de legale economie en tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, omdat de inkomsten uit misdrijven middels witwasconstructies in het legale betalingsverkeer worden gebracht.

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf zoekt de rechtbank aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, aangezien het witwassen in deze strafzaak in frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Deze frauduleuze context is naar het oordeel van de rechtbank aanwezig, daar het witwassen voor een belangrijk deel plaatsvond door middel van - kort gezegd - fictieve dienstverbanden en huurovereenkomsten via katvangers, waardoor de daadwerkelijke gebruikers van de verhuurde woningen buiten beeld bleven.

In het geval van de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen ruim zes ton, is op basis van het LOVS-oriëntatiepunt voor fraude als uitgangspunt een straf voorgeschreven in de orde van grootte van 18 tot 24 maanden. Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank de omvang, continuïteit en bedrijfsmatigheid van het witwassen mee. Voor feit 1 heeft bovendien in het bijzonder als strafverzwarend te gelden dat deze geldbedragen zijn witgewassen om (andere) ondermijnende activiteiten te faciliteren.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die in het voordeel van de verdachte mee moeten worden gewogen bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf.

De rechtbank is zich bewust van de media-aandacht die door deze strafzaak is ontstaan. Dat de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen, acht de rechtbank echter voorzienbaar en inherent aan de aard en inhoud van dergelijke zaken. Er is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet gebleken dat de verdachte door de media-aandacht op zodanige, de ernst van de feiten te boven gegane wijze, in zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad dat dit op de straf matigend zou moeten werken.

Al het voorgaande in acht nemend, komt de rechtbank tot de slotsom dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden (met aftrek van het voorarrest) in dit geval passend en geboden is.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 460,- verbeurd wordt verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 460,-. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat het betreffende geldbedrag verband houdt met een van de bewezenverklaarde feiten.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij rechtens golden dan wel gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van schuldwitwassen

en

medeplegen van gewoontewitwassen in de uitoefening van zijn bedrijf;

ten aanzien van feit 2:

gewoontewitwassen

en

gewoontewitwassen in de uitoefening van zijn bedrijf;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 460,-.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2020.

1 Tenzij hierna anders wordt vermeld, wordt in de voetnoten verwezen naar pagina’s van een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), en – waar het om tapgesprekken gaat – naar een geschrift. Het betreft steeds pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer [(--)] , van de politie eenheid Den Haag, Team Financieel-economische Criminaliteit (onderzoek ‘ [onderzoeksnaam] ’). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de dossiers: Algemeen dossier (AD) - Ambtshandelingen (AMB) - Beslagdossier (BD) - Persoonsdossier (V).

2 AMB-358, p. 2.

3 AMB-358, p. 3.

4 AMB-173, p. 2.

5 Verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 mei 2019, p. 4.

6 AMB-358, p. 4.

7 AMB-173, p. 2.

8 AMB-358, p. 4.

9 AMB-358, p. 5.

10 AMB-358, p. 5-6.

11 AMB-358, p. 6.

12 AMB-173, p. 2.

13 AMB-358, p. 6.

14 AMB-079, p. 1.

15 AMB-019, p. 6.

16 AMB-92, p. 3-5.

17 p. 6527.

18 AMB-342, p. 3.

19 AMB-423, p. 1 en 4.

20 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2020.

21 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2020.

22 AMB-362, p. 3.

23 AMB-362, p. 4.

24 AMB-027, p. 2-3.

25 AMB-362, p. 11 en AMB-342, p. 3.

26 AMB-362, p. 11.

27 AMB-362, p. 12.

28 AMB-362, p. 13.

29 AMB-362, p. 11.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris op 28 oktober 2019, p. 22.

31 V-001.3, p. 6.

32 V-003.1, p. 3.

33 V-003.1, p. 12.

34 V-003.2, p. 3-5.

35 V-003.6, p. 3.

36 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2020.

37 AMB-366, p. 4.

38 AMB-366, p. 2-3.

39 AMB-366, p. 4-6.

40 AMB-390, p. 3.

41 AMB-390, p. 5.

42 AMB-390, p. 5.

43 V-003.7, p. 5, eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2020 en AMB-390, p. 5.

44 AMB-390, p. 2.

45 AMB-424, p. 2-3 en AMB-401, p. 1 en bijlagen op p. 7726, 7727 en 7729 van het dossier.

46 V-003.7, p. 8 en eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2020.

47 AMB-401, p. 1 en bijlage op p. 7726, 7727 en 7729 van het dossier.

48 V-003.7, p. 12-13.

49 AMB-401, p. 2.

50 V-003.7, p. 13.

51 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2020.

52 AMB-402, p. 2, 4 en 5.

53 AMB-366, p. 3.

54 AMB-403, p. 2-4.

55 AMB-366, p. 3.

56 V-012.1, p. 6 en processen-verbaal van verhoor getuigen [naam 8] en [naam 7] bij de rechter-commissaris van 9 januari 2020, 2e, 3e en 4e pagina (ongenummerd).