Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14817

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
NL20.15599
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag, eerder overgelegde nationaliteitsverklaring gebaseerd op eerder overgelegde informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15599

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Naar aanleiding van de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus is deze zaak behandeld door middel van een Skype-beeldverbinding. Het onderzoek in deze zaak heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.15600, plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiser heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Als tolk trad op S.A.M. Mohammed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1993] .

2. Eiser heeft eerder op 5 mei 2014 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 6 oktober 2014 afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 december 2014. Het besluit van verweerder staat hiermee in rechte vast.

Op 27 maart 2015 heeft eiser vervolgens een opvolgende aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 30 maart 2015 afgewezen. Dat besluit staat ook in rechte vast.

Op 2 december 2015 heeft eiser een derde opvolgende aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 26 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Dat besluit staat ook in rechte vast.

Op 1 september 2016 heeft eiser een vierde opvolgende aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 21 oktober 2016 afgewezen. Dat besluit staat ook in rechte vast.

Op 3 juli 2020 heeft eiser een vijfde opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ter ondersteuning van de aanvraag heeft eiser een verklaring overgelegd van de Eritrese ambassade van 18 februari 2020. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen, die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft dit gedaan onder verwijzing naar de hierboven genoemde eerdere besluiten. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met de overgelegde verklaring van de Eritrese ambassade zijn identiteit, nationaliteit en herkomst nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat het document niet als een relevant nieuw element of bevinding aangemerkt kan worden. Ook is verweerder van mening dat geen aanleiding bestond om eiser te horen in deze asielprocedure, omdat geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag liggen aan de huidige asielaanvraag.

4. Eiser voert aan dat de door hem overgelegde verklaring een nieuw element of feit is, omdat de in deze procedure overgelegde verklaring een identificerend document in de zin van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is. Uit de uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Den Bosch van 11 februari 2020 volgt volgens eiser dat niet louter op basis van gerezen twijfel geen waarde kan worden gehecht aan een verklaring, waarvan de echtheid niet wordt betwist.1 De rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2014.2 Eiser betoogt daarom dat als verweerder niet uitgaat van de juistheid van een door Bureau Documenten als echt aangemerkte nationaliteitsverklaring het op de weg van verweerder ligt om nader onderzoek te verrichten bij de Eritrese ambassade.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 22 juni 2016.3

Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de nu overgelegde verklaring van de Eritrese ambassade de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt verweerder in de overweging dat de inhoud van de nationaliteitsverklaring overeenkomt met de inhoud van de nationaliteitsverklaring in de procedure aangaande de vierde asielaanvraag van eiser. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. De thans bijgevoegde pasfoto maakt dit niet anders. De rechtbank acht van belang dat ten aanzien van de nationaliteitsverklaring geldt dat deze tot stand is gekomen op grond van de verklaring van eiser, de ID-kaarten van de ouders, een bewonerspas en een doopakte, die al in eerdere procedures zijn overgelegd. In de vorige procedure is reeds geoordeeld dat er aanknopingspunten waren om aan de juistheid van de inhoud van de nationaliteitsverklaring te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat met het overleggen van de onderhavige nationaliteitsverklaring met een pasfoto nog steeds niet aannemelijk is geworden dat de verklaring van de Eritrese ambassade daadwerkelijk betrekking heeft op de persoon van eiser. Bovendien acht de rechtbank van belang dat de inhoud van de in de vorige procedures overgelegde doopakte en de bewonerspas niet overeenkomen met de verklaringen van eiser in zijn eerdere asielprocedure. Ook is er al door de rechtbank geoordeeld dat de kopieën van de identiteitsbewijzen van zijn ouders geen betrekking hadden op eiser en dat daarvan de authenticiteit niet kon worden vastgesteld.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe elementen of bevindingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn beroepsgrond dat verweerder gehouden is nader onderzoek bij de Eritrese autoriteiten te doen. In de voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, had de vreemdeling een geldig paspoort overgelegd, waaruit een zwaardere onderzoeksplicht van verweerder voortvloeide. Dat is niet het geval in de zaak van eiser, waarin een nationaliteitsverklaring is overgelegd. De overgelegde nationaliteitsverklaring is niet vergelijkbaar met een situatie waarin een geldig paspoort wordt overgelegd.

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder niet heeft kunnen tegenwerpen dat bij het indienen van de herhaalde aanvraag niet kenbaar is gemaakt op welke wijze eiser de nationaliteitsverklaring heeft verkregen. Eiser stelt dat verweerder hem in staat had moeten stellen in de loop van de procedure een nadere toelichting op de aanvraag te geven, te meer omdat eiser heeft aangegeven hier vragen over te kunnen beantwoorden.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Het indienen van een herhaalde aanvraag maakt niet dat de indiener van deze aanvraag (nogmaals) moet worden gehoord. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit waarin is neergelegd dat kan worden afgezien van het horen als de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen die nodig is voor het kunnen nemen van de beschikking, vergaard kan worden zonder nader gehoor. In paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is een niet-limitatieve lijst opgenomen van situaties waarin verweerder kan besluiten om af te zien van een gehoor. Eén van de genoemde situaties is als de vreemdeling een beroep doet op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat deze niet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure(s). Nu verweerder terecht heeft gesteld dat de nationaliteitsverklaring niet kan leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure, heeft verweerder er niet ten onrechte van afgezien om eiser in onderhavige procedure te horen.

11. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

14 september 2020

Mr. L.M. Reijnierse

Rechter

Rechtbank Midden-Nederland

L.M. Kleijn

Griffier

Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RBDHA:2020:1204

2 ECLI:NL:RVS:2014:3312

3 ECLI:NL:RVS:2016:1759