Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB 20-749
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inreisverbod voor de duur van 1 jaar wegens overschrijding termijn Schengenvisum met meer dan 3 dagen. Discussie over uitleg van een bepaalde paspoortstempel, van belang voor berekening overschreden termijn. Rechtbank heeft stempel zelf geïnterpreteerd en geeft hieraan andere uitleg dan verweerder. Duur inreisverbod niet onevenredig. Geen strijd met 8 EVRM omdat relatie eiseres met Belgische man niet voldoende constant was. Zakelijke belangen EU niet concreet gemaakt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/749

uitspraak van de rechtbank van 27 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] ,

eiseres,

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van één jaar.

Eiseres heeft op 30 januari 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is afkomstig uit China. Zij is naar de Europese Unie gereisd met een Schengenvisum. Toen zij op 13 november 2019 via Schiphol weer terug naar China wilde reizen, werd geconstateerd dat zij de vrije termijn met meer dan drie dagen had overschreden. Op basis daarvan is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod kenbaar gemaakt. Op 3 januari 2020 is het inreisverbod opgelegd voor de duur van één jaar.

2. Eiseres heeft in haar zienswijze op het voornemen van het inreisverbod gesteld dat van oplegging van het inreisverbod moet worden afgezien. Zij heeft namelijk een relatie met een man die in België woont. Daarnaast moet zij regelmatig in het Schengengebied zijn voor haar werk. Verweerder heeft hierop overwogen dat de zakelijke belangen van eiseres hebben voortgeduurd nadat haar rechtmatig verblijf is geëindigd, dus dat dit daarom voor eigen risico van eiseres komt. Daarnaast kan zij deze belangen ook door middel van moderne communicatiemiddelen behartigen. Over de relatie van eiseres heeft verweerder gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van familieleven, omdat de relatie pas twee maanden voor het vertrek van eiseres is ontstaan, en zij ook geen stukken heeft overgelegd die het familie- of gezinsleven aannemelijk maken. Indien er wel familieleven zou zijn, zou het inreisverbod alsnog geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opleveren. Het inreisverbod is namelijk een sanctie vanwege het illegale verblijf van eiseres in het Schengengebied, en dat eiseres daardoor in haar handelen wordt belemmerd is een beoogd gevolg van de wetgever. Bovendien is niet gebleken dat het eventuele familieleven niet uitgeoefend kan worden in het land van herkomst.

Beoordeling door de rechtbank

Termijnoverschrijding

3. Op zitting is discussie ontstaan over de vraag met hoeveel dagen eiseres haar vrije termijn heeft overschreden. De reden hiervoor is dat uit de berekening van de Koninklijke Marechaussee niet duidelijk bleek wanneer eiseres het Schengengebied precies was ingereisd voordat zij dit uiteindelijk op 13 november 2019 heeft verlaten. Ook is er discussie over betekenis van de stempel die op 9 augustus 2019 in het paspoort van eiseres is gezet. Zowel verweerder als eiseres heeft hierover na de zitting nog een schriftelijk standpunt ingediend. Geen van de partijen heeft om heropening van het onderzoek gevraagd en de rechtbank ziet in de standpuntwisseling ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

De rechtbank overweegt over de termijnoverschrijding als volgt.

4. Uit de paspoortstempels is af te leiden dat eiseres op 31 juli 2019 het Schengengebied is ingereisd via België, Brussel, en op 7 augustus 2019 weer is uitgereisd via Oostenrijk, Salzburg. De laatste stempel vooraf aan haar uitreis op 13 november 2019 is vervolgens een stempel van 9 augustus 2019 waarop ‘LFT Londres’ staat. Ook staat hierop de letter F, een pijl die naar rechts is gericht en een symbool van een trein. De rechtbank leidt uit de letter F, die omringd is met EU-sterren, af dat deze stempel is afgegeven door de Franse autoriteiten. Het is geplaatst op LFT, dat is de Liaison Fixe Transmanche in Londen, als gereisd wordt met de trein die rijdt tussen Londen en Frankrijk. De stempel geeft volgens de rechtbank aan dat eiseres op het station in Londen een grensoverschrijdingsstempel van de Franse autoriteiten heeft gekregen omdat zij met de trein via de kanaaltunnel van Londen naar Frankrijk is gereisd. Het is dus een inreisstempel, en geen uitreisstempel zoals verweerder stelt. De rechtbank leidt dit af uit de pijl naar rechts, wat staat voor een inreis in het land waarvan de stempel afkomstig is. Dezelfde pijl staat namelijk ook op de Belgische stempel van 31 juli 2019, waarvan niet ter discussie staat is dat het om een inreis gaat. Op de stempel van Oostenrijk staat de pijl de andere kant op en dat ging om een uitreis. Bovendien zou de uitleg van verweerder met zich meebrengen dat eiseres twee stempels mist in haar paspoort; een stempel waaruit blijkt hoe zij tussen 7 en 9 augustus 2019 in Frankrijk is gekomen, en een stempel die uitlegt hoe zij tussen 9 augustus 2019 en 13 november 2019 weer vanuit Londen naar het Schengengebied is gereisd. Tot slot overweegt de rechtbank nog dat eiseres tot aan de zitting niet heeft betwist dat zij de vrije termijn heeft overschreden. In haar schriftelijke standpunt na de zitting heeft zij aangegeven dat de stempel als een uitreisstempel moet worden gezien, maar daarin heeft zij niet uitgelegd wanneer zij dan wel naar het Schengengebied is gekomen. De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres van 9 augustus 2019 tot en met 13 november 2019 in het Schengengebied heeft verbleven. Tezamen met een eerder verblijf van 12 mei 2019 tot 19 juni 2019 en van 31 juli tot 7 augustus 2019, heeft zij hiermee de vrije termijn van haar visum met 51 dagen overschreden. Verweerder stelt dan ook terecht dat eiseres de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden.

Standpunt eiseres

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het inreisverbod en de duur hiervan onevenredig is en onvoldoende rekening houdt met haar zakelijke en persoonlijke belangen. Eiseres is een kunstenares die succesvol in de Europese Unie exposeert. Ze moet dan ook regelmatig voor haar werk in de Europese Unie zijn. Het inreisverbod heeft daardoor invloed op haar carrière. Daarnaast is het inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM. Zij heeft tijdens haar verblijf in België namelijk een relatie gekregen met een Belgische man, die haar in december 2019 ook in China heeft opgezocht. Voorts is er ook slechts sprake van een geringe overschrijding van de vrije termijn. Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat de rechtbank ex nunc moet toetsen, omdat er bij het inreisverbod geen sprake is van een mogelijkheid tot bezwaar. De rechtbank dient daarom ook te onderzoeken of voortduring van de maatregel op dit moment nog gerechtvaardigd is. Wegens voorgaande omstandigheden, en het feit dat eiseres op dit moment in het Verenigd Koninkrijk is waar ze moeilijk wegkomt omdat ze niet via Schengengebied kan reizen, is voortduring van het inreisverbod volgens eiseres niet gerechtvaardigd.

Oordeel van de rechtbank

6. Volgens artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw), artikel 6.5a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) legt verweerder een inreisverbod van een jaar op wanneer een vreemdeling de vrije termijn van het Schengenvisum met meer dan drie dagen heeft overschreden. De rechtbank dient te beoordelen of eiseres zodanig bijzondere individuele belangen naar voren heeft gebracht, dat verweerder het inreisverbod niet op heeft mogen leggen. In tegenstelling tot wat eiseres naar voren heeft gebracht, stelt de rechtbank vast dat het inreisverbod ex tunc dient te worden getoetst. Een inreisverbod is immers niet asielrechtelijk van aard zodat de uitzondering op de ex tunc toetsing van artikel 83 van de Vw niet van toepassing is.1 De feiten en omstandigheden die zich na de ingangsdatum van het inreisverbod hebben voorgedaan, worden dus niet meegenomen in de beoordeling.

Artikel 8 van het EVRM

7. Paragraaf A4/2.2 van de Vc bepaalt dat verweerder geen inreisverbod oplegt als dit een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is van familieleven tussen eiseres en haar partner. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bepaald dat van familieleven ook sprake kan zijn als er geen juridische familiebetrekkingen bestaan en er ook geen sprake is van samenleving. Dan moet de relatie wel voldoende constant zijn om familiebetrekkingen te creëren. Daarbij moet onder meer gekeken worden naar de aard en de duur van de relatie.2 Verweerder heeft er terecht op gewezen dat een relatie van twee maanden, en een bezoek van de partner aan eiseres in China van twee weken, niet voldoende is om te spreken van een voldoende constante relatie. Eiseres heeft verder geen andere omstandigheden naar voren gebracht die dit kunnen veranderen. Dat eiseres momenteel nog steeds samen is met haar partner speelt hierbij gelet op de ex tunc toetsing geen rol.

Zakelijke belangen

8. De rechtbank is verder van oordeel dat de zakelijke belangen van eiseres ook niet maken dat verweerder het inreisverbod niet op heeft mogen leggen. Eiseres heeft in haar zienswijze op het voornemen tot het inreisverbod slechts naar voren gebracht dat dat zij al jaren naar Europa gaat voor kunsttentoonstellingen en kunstbeurzen. Zij heeft echter niet concreet gemaakt dat haar zakelijke belangen op onevenredige wijze in conflict zouden komen met dit inreisverbod. Zo heeft zij in haar zienswijze niet onderbouwd dat zij in de periode van het inreisverbod in Europa moet zijn. Verweerder heeft daarom vanwege de zakelijke belangen niet van oplegging van het inreisverbod af hoeven zien.

Duur van het inreisverbod

9. De rechtbank is van oordeel dat de duur van het inreisverbod ook niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft met het inreisverbod uitvoering gegeven aan het Vreemdelingenbesluit en de Vreemdelingencirculaire, zoals onder 6 weergegeven. Daarin is bepaald dat een inreisverbod van een jaar wordt opgelegd als de vrije termijn van een visum met meer dan drie dagen is overschreden. Hier kan van worden afgeweken bij bijzondere omstandigheden. De door eiseres naar voren gebrachte omstandigheid dat zij en haar partner minder mogelijkheden hebben om hun relatie op te bouwen maken echter niet dat het inreisverbod onevenredig is. Van belang is hierbij dat het slechts gaat om een tijdelijk inreisverbod van een jaar en eiseres na een half jaar al kan verzoeken om opheffing hiervan (artikel 6.5b van het Vb). Verder is gebleken dat eiseres wel nog een visum heeft voor het Verenigd Koninkrijk, en hier vanaf eind januari ook heeft verbleven. Haar partner kan haar dus ook daar opzoeken voor de periode dat het inreisverbod geldt.

Hoorplicht

10. Eiseres voert daarnaast nog aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord vooraf aan de oplegging van het inreisverbod, en dat het besluit daarom onvoldoende zorgvuldig is genomen. De rechtbank overweegt hierover dat eiseres voorafgaand aan het inreisverbod de mogelijkheid heeft gekregen schriftelijk een zienswijze in te dienen. Hier heeft zij ook gebruik van gemaakt. Verder heeft eiseres bij de oplegging van het terugkeerbesluit aangegeven geen interview te wensen. Verweerder heeft eiseres dan ook voldoende mogelijkheid geboden om haar belangen naar voren te brengen.

Conclusie

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het inreisverbod op heeft mogen leggen. Eiseres heeft de vrije termijn van haar Schengenvisum met meer dan drie dagen overschreden. Haar belangen wegen niet zodanig zwaar dat verweerder het inreisverbod niet op heeft mogen leggen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 27 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De rechter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2308).

2 Zie bijvoorbeeld EHRM 12 januari 2010 Khan v. het Verenigd Koninkrijk (ECLI:NL:XX:2010:BL4175) en EHRM 12 januari 2010 Onur v. het Verenigd Koninkrijk (ECLI:NL:XX:2009:BH9203).