Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14792

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
NL20.9117
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, beroep gegrond, PKV, eiser is niet gehoord danwel in de gelegenheid gesteld om verklaringen over nova op schrift te stellen, strijd met art. 14, 40, 42 Procedurerichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9117

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1988] en met de Nicaraguaanse nationaliteit, eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Inleiding en procesverloop

Eiser heeft eerder, op 26 november 2019 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 17 december 2020 afgewezen als ongegrond. Daarbij is eiser medegedeeld dat hij Nederland binnen een termijn van vier weken dient te verlaten.

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft het beroep tegen het besluit van 17 december 2019 bij uitspraak van 24 januari 2020 ongegrond verklaard1. Bij uitspraak van 13 februari 20202 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) voormelde uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Eiser heeft op 28 februari 2020 de onderhavige opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 14 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure

niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 26 april 2020 heeft eiser een aanvullend beroepschrift met bijlagen ingediend. Verweerder heeft op 20 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

1. ECLI:NL:RBAMS:2020:1464

2 202000721/1/V3

Eiser heeft op 29 mei 2020 gereageerd op het verweerschrift.

Verweerder heeft de rechtbank op 16 juni 2020 te kennen gegeven dat hij aanvullende documenten van eiser heeft ontvangen, die onderzocht zullen worden door Bureau Documenten (BD).

Verweerder heeft op 7 juli 2020 een verkorte verklaring van BD van 16 juni 2020 overgelegd met een aanvullend verweerschrift.

Eiser heeft op 21 juli 2020 aanvullende gronden met bijlagen ingediend.

Verweerder heeft op 6 augustus 2020 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de behandeling van het door eiser ingediende verzoek, geregistreerd onder het zaaknummer NL20.9118, plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.H. Willems in de bron- en doeltalen Spaans respectievelijk Nederlands.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft de aanvraag van 28 februari 2020 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan met verwijzing naar het besluit van 17 december 2019.

  2. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van zijn opvolgende asielaanvraag.

  3. Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze beroepsgrond tot vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.1

In de Procedurerichtlijn3 staat onder meer het volgende:

Artikel 14

Persoonlijk onderhoud

1. Alvorens de beslissingsautoriteit een beslissing neemt, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld persoonlijk gehoord te worden over zijn verzoek om internationale bescherming door een daartoe naar nationaal recht bevoegde persoon. Een persoonlijk onderhoud over de inhoud van het verzoek om

internationale bescherming wordt afgenomen door het personeel van de beslissingsautoriteit. Deze alinea laat artikel 42, lid 2, onder b), onverlet.

(...)

Artikel 40

Volgende verzoeken

1. Indien een persoon die in een lidstaat internationale bescherming heeft aangevraagd, aldaar verdere verklaringen heeft afgelegd of een volgend verzoek heeft ingediend, onderzoekt deze lidstaat deze verdere verklaringen of de elementen van het volgende verzoek in het kader van de behandeling van

het vorige verzoek of in het kader van de toetsing van de beslissing waartegen beroep of bezwaar is aangetekend, voor zover de bevoegde autoriteiten rekening kunnen houden met alle elementen die aan de nadere verklaringen of het volgende verzoek in dit kader ten grondslag liggen.

3 Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013 L 180/60)

Artikel 42 Procedureregels 1. (...)

2. De lidstaten kunnen in hun interne recht regels inzake het voorafgaande onderzoek ingevolge artikel 40 neerleggen. Die regels kunnen onder meer:

  1. de betrokken verzoeker ertoe verplichten feiten te vermelden en bewijzen te leveren die een nieuwe procedure rechtvaardigen;

  2. het voorafgaande onderzoek toestaan op grond van uitsluitend schriftelijke toelichtingen zonder persoonlijk gehoor, met uitzondering van de in artikel 40, lid 6, bedoelde gevallen.

3.2

Eiser heeft in het opvolgende aanvraagformulier (formulier M35-O) van 28 februari 2020 verklaard dat hij nieuwe documenten voorhanden heeft. Verweerder heeft naar aanleiding van het ontvangst van vorenbedoelde documenten besloten af te zien van het horen van eiser en een voornemen uitgebracht.

3.3

In de zienswijze van 9 april 2020 staat onder meer het volgende:

“Voorts heeft uw dienst miskend, dat er wel degelijk sprake is van nieuwe omstandigheden die aanleiding geven om betrokkene nader te horen. Immers, betrokkene heeft een (origineel) aanhoudingsbevel en opsporingsbevel overgelegd, terwijl in de vorige procedure betrokkene niet heeft verklaard over een aanhoudings- en opsporingsbevel. Betrokkene heeft mij verteld dat hij deze documenten vanuit Nicaragua heeft ontvangen van zijn oom, de broer van mijn vader, die vroeger bij de politie heeft gewerkt maar inmiddels gepensioneerd is. Het arrestatiebevel dateert van 30 januari 2020, derhalve van na de vorige asielprocedure. Het arrestatiebevel is uitgevaardigd omdat de Nicaraguaanse autoriteiten er volgens de oom van betrokkene lucht van hebben gekregen dat hij een asielverzoek in Nederland heeft ingediend. Voor zover op het kennisgevingsformulier is vermeld dat betrokkene om dezelfde reden asiel vraagt als tijdens zijn vorige asielprocedure is dit dan ook onjuist. [Onderstreping door de rechtbank] Betrokkene vertelde mij dat hij heeft gehoord dat de nationale politie op 30 januari 2020 naar zijn woning is gegaan met de bedoeling mij te arresteren en onterechte beschuldigingen aan zijn adres heeft geuit.”

In deze zienswijze licht eiser dus toe dat hij het formulier M35-O niet volledig heeft ingevuld en dat hij kan verklaren over de wijze waarop zijn oom in het bezit is gekomen van het opsporingsbevel en het aanhoudingsbevel.

3.4

Artikel 42, tweede lid, onder b, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat lidstaten in hun interne recht regels kunnen neerleggen over opvolgende aanvragen, die het voorafgaande onderzoek toestaan op grond van uitsluitend schriftelijke toelichtingen zonder persoonlijk gehoor.

3.5

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn verklaringen over de door hem gestelde nieuwe omstandigheden, alsnog op schrift te stellen conform artikel 42 van de Procedurerichtlijn, zodat verweerder dat conform het bepaalde in artikel 40 van de Procedurerichtlijn kan beoordelen.

Uit de gedingstukken blijkt evenmin dat verweerder heeft beoordeeld of eisers verklaringen als neergelegd in de zienswijze al dan niet nieuwe feiten en omstandigheden betreffen en waarom verweerder afziet van het horen van eiser. In het bestreden besluit staat ook niet gemotiveerd waarom verweerder in de bestuurlijke fase hiertoe niet gehouden zou zijn.

3.6

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd en niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een zorgvuldige besluitvorming. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit.

4. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen bespreking.

5. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid ex artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb (de bestuurlijke lus), omdat de rechtbank dit geen efficiënte afdoeningswijze acht.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. van Gestel, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

31 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.