Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14786

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/2041 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep, mvv-aanvraag nareis, tijdigheid van de aanvraag, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Op 8 februari 2018 heeft [referent] (referent) een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn zoon, eiser, die is geboren op [2002] , de Syrische nationaliteit heeft en momenteel ook in Syrië verblijft.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op 28 februari 2018 (het primaire besluit). Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt en dit bezwaar is op 13 februari 2020 ongegrond verklaard door verweerder (het bestreden besluit). Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020. Eiser en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 15 december 2015 aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Referent heeft op 19 januari 2016 met behulp van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) mvv-aanvragen ingediend voor de nareis van zijn vrouw, hun dochter en eiser. Eiser is de zoon van referent uit een eerdere relatie. Bij brief van 3 augustus 2016 is vervolgens door een medewerker van VWN aangegeven dat eiser heeft besloten om bij zijn moeder te blijven en dat de aanvraag wordt ingetrokken. Op 12 augustus 2016 heeft verweerder de intrekking van de mvv-aanvraag voor eiser schriftelijk bevestigd. Verweerder heeft de mvv-aanvragen voor de vrouw en dochter van referent vervolgens op 12 augustus 2016 ingewilligd.

2. Op 8 februari 2018 is nogmaals een mvv-aanvraag ingediend voor de nareis van eiser. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de aanvraag te laat is ingediend, omdat deze niet binnen drie maanden nadat referent een verblijfsvergunning had gekregen is ingediend. Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat de eerste mvv-aanvraag voor eiser is ingetrokken, zonder dat een formeel besluit is genomen op deze aanvraag. Die aanvraag wordt daarom geacht nimmer te zijn ingediend en hiermee is de termijn dus ook niet veilig gesteld. De huidige aanvraag is vervolgens pas twee jaar later ingediend. Verweerder wijst er nog op dat de termijn van drie maanden niet in strijd is met (het doel van) de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat er in dit geval van het beleid afgeweken zou moeten worden. Er is ook geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, aldus verweerder.

3. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een termijn-overschrijding, omdat de termijn van drie maanden (wel) is veilig gesteld door het indienen van de eerste aanvraag op 19 januari 2016. Nergens blijkt dat de termijn niet wordt veiliggesteld als een aanvraag niet inhoudelijk is afgedaan. Bovendien moeten er vraagtekens worden geplaatst bij de intrekking van die aanvraag door de medewerker van VWN. Volgens eiser was geen sprake van een rechtsgeldige intrekking, omdat gesteld noch gebleken is dat deze medewerker door referent of eiser was gemachtigd en dit is wel vereist. Eiser verwijst daarbij naar een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 31 januari 2018.1

De brief met de intrekking is ook niet door referent ondertekend. Het is bovendien onduidelijk wie deze medewerker is, nu uit het dossier blijkt dat er verschillende contactpersonen van VWN zijn. Het was onzorgvuldig van verweerder om alleen op de mededeling van deze medewerker af te gaan zonder om een machtiging of bevestiging aan eiser zelf te vragen. Het is ook nooit de bedoeling van eiser geweest om afstand te doen van zijn recht op gezins-hereniging. Ter zitting is in dit verband nog opgemerkt dat eiser destijds geen toestemming had van zijn moeder om naar Nederland te vertrekken. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat uit het beleid voortvloeit dat de termijn veilig is gesteld. Eiser kon dus niet weten dat dit in zijn geval niet zo is, te meer omdat hij niet werd bijgestaan door een rechtsbijstandsverlener.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, van de Vw volgt, voor zover van belang, dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw kan worden verleend aan de in dat artikel genoemde gezinsleden, als zij zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend. Ingevolge artikel 29, vierde lid, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag die referent voor eiser in 2018 heeft ingediend niet is ingediend binnen de in artikel 29, vierde lid, van de Vw bedoelde termijn van drie maanden. Verweerder heeft ook terecht overwogen dat de drie maandentermijn voor nareis niet is veiliggesteld met de aanvraag uit 2016, omdat eiser deze destijds heeft ingetrokken. Omdat deze eerste mvv-aanvraag is ingetrokken vóórdat hierop is beslist, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze aanvraag, naar algemeen bestuursrecht, als ‘niet ingediend’ wordt beschouwd. Dat dit niet met zoveel woorden in het beleid van verweerder staat vermeld betekent niet dat de uitleg van verweerder onjuist is. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat zijn lezing de juiste is en dat het algemene bestuursrechtprincipe niet voor mvv-aanvragen in het kader van nareis zou gelden.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de brief van 3 augustus 2016 van een medewerker van VWN heeft kunnen opvatten als een intrekking van de aanvraag namens eiser en referent. Uit de processtukken blijkt dat VWN referent en eiser gedurende de eerste aanvraag heeft begeleid. Verweerder had daarom niet specifiek voor de betreffende medewerker die de brief van 3 augustus 2016 heeft verzonden een machtiging hoeven opvragen, of een ondertekening van eiser of referent. Ter zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat bij de intrekkingsbrief tevens een familie uittreksel was overgelegd, zodat er niet te lichtvaardig vanuit is gegaan dat de intrekking daadwerkelijk namens eiser en referent was. Ook verder bestonden ervoor verweerder geen aanknopingspunten om te denken dat de brief van 3 augustus 2016 niet namens eiser was verzonden. Daarbij is van belang dat in de voornoemde brief van VWN specifiek is uitgelegd dat eiser heeft besloten bij zijn moeder te blijven en dat daarom de aanvraag wordt ingetrokken. Er bestond geen aanleiding voor verweerder om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Dat eiser in werkelijkheid geen toestemming kreeg van zijn moeder om naar Nederland te komen en dat het niet zijn wens was om de aanvraag in te trekken, zoals ter zitting nog is opgemerkt, is pas in beroep aangevoerd en er zijn geen aanknopingspunten die erop duiden dat verweerder dit eerder had kunnen of moeten weten of verdere navraag hierover had moeten doen bij eiser, referent of VWN. De rechtbank acht in dit verband verder van belang dat verweerder destijds de intrekking schriftelijk heeft bevestigd en dat eiser, noch referent hierop heeft gereageerd. Vervolgens is pas twee jaar later alsnog een mvv-aanvraag voor eiser ingediend. Ook hierin heeft verweerder dus geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de intrekking van 3 augustus 2016.

7. De rechtbank is tot slot van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser en referent zijn bijgestaan door VWN. In redelijkheid mag worden verwacht dat VWN op de hoogte is van de consequenties die er zijn als een aanvraag wordt ingetrokken. Voor zover eiser en referent daarover niet goed zijn geïnformeerd, overweegt de rechtbank dat dit een omstandigheid is die voor hun rekening en risico komt. Zoals hiervoor al is overwogen volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat hij op grond van verweerders beleid ervan uit mocht gaan dat de termijn was veiliggesteld met de ingetrokken aanvraag uit 2016. Ook dit levert dus geen verschoonbaarheid op.

8. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:PHR:2018:127.