Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
NL20.757
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, hervat na aanhouding ivm interim measures, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.757

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] mede namens haar minderjarige kind (gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

In de uitspraak van 28 januari 20201 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en bepaald dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op haar beroep is beslist. De beroepsprocedure is tot nader orde aangehouden.

Op 8 april 2020 en 5 augustus 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraken gedaan2 die van belang zijn voor deze beroepsprocedure.

Op 15 oktober 2020 en 23 oktober 2020 hebben partijen gereageerd op de uitspraken van de ABRvS en wat dit betekent voor de beroepsprocedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2020. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1. ECLI:NL:RBMNE:2020:329.

2 Uitspraken van 8 april 2020: ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987; Uitspraken van 5 augustus 2020: ECLI:NL:RVS:2020:1848, ECLI:NL:RVS:2020:1849 en ECLI:NL:RVS:2020:1850.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiseres daar eerder een asielaanvraag heeft ingediend.

2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiseres om haar beroepszaak aan te houden op 28 januari 2020 toegewezen. Daaraan is onder meer ten grondslag gelegd dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een aantal interim measures heeft getroffen in zaken waarbij sprake is van bijzonder kwetsbare vreemdelingen. De vraag is of de bijzonder kwetsbare vreemdelingen op grond van de Dublinverordening zonder individuele garanties aan Italië kunnen worden overgedragen. Omdat eiseres ook als bijzondere kwetsbaar moet worden aangemerkt, is de gevraagde voorlopige voorziening getroffen. De beroepsprocedure is toen aangehouden.

3. De ABRvS heeft in de uitspraken van 8 april 2020 geoordeeld dat de oplegging van de interim measures door het EHRM niet betekent dat de vreemdeling in Italië geen adequate opvang zal krijgen en dat de vreemdeling bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest. De ABRvS overweegt dat het EHRM niet heeft toegelicht waarom het deze interim measures heeft opgelegd. Daar kan dus niet zonder meer uit worden afgeleid of deze betekenis heeft voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis dit zou kunnen zijn. Dit oordeel heeft de ABRvS herhaald in de uitspraken van 5 augustus 2020 en 15 oktober 20203. De rechtbank ziet in deze uitspraken van de ABRvS aanleiding om de beroepsprocedures niet langer aan te houden. De rechtbank hecht in dit verband ook belang aan de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op vragen van het EHRM4. In deze antwoorden hebben de Italiaanse autoriteiten namelijk onder meer aangegeven dat de eenheid van het gezin zal worden gewaarborgd, dat de toegang tot de essentiële diensten in de opvangcentra is gewaarborgd en dat er bijzondere opvangvoorzieningen zijn voor kwetsbare personen, waaronder alleenstaande ouders en mensen die lijden aan ernstige lichamelijke of geestelijke aandoeningen.

4. Eiseres voert aan dat ten opzichte van Italië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er zijn gebreken in de asielprocedure en er zijn geen effectieve rechtsmiddelen. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar rapporten en persberichten van SFH-OSAR van 8 mei 2019 en 21 januari 2020 en naar het AIDA-rapport update 2018. Eiseres is als alleenstaande moeder van een jong kind bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel en kan dan ook niet zonder individuele garanties worden overgedragen aan Italië. Eiseres verwijst in dit verband naar de door het EHRM getroffen interim measures. Ook verwijst zij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 29 april 20205. Hieruit volgt volgens eiseres dat de ABRvS in, onder andere, haar uitspraken van 8 april 2020 niet heeft

3 Uitspraak van 15 oktober 2020: ECLI:NL:RVS:2020:2449.

4 In de zaak F.O. tegen Nederland, van 16 september 2019, no. 48125/19 (gepubliceerd op Vluchtweb).

5 ECLI:NL:RBDHA:2020:3880.

getoetst of wordt voldaan aan de waarborgen die het EHRM in het arrest Tarakhel stelt voor de overdracht van een gezin met minderjarige kinderen aan Italië, zeker ook nu in het licht van de pandemie en de opvangmaatregelen die mogelijk naar aanleiding van deze pandemie worden getroffen in Italië. Aangezien verweerder niet heeft toegezegd dat van de overdracht wordt afgezien indien er onvoldoende garanties zijn ontvangen dat adequate voorzieningen beschikbaar zijn, valt niet uit te sluiten dat overdracht nog steeds strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest oplevert.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst daarbij naar de hiervoor genoemde uitspraken van de ABRvS. De ABRvS heeft dit recent nog weer bevestigd.6 Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. Eiseres is hier niet in geslaagd.

6. De rapporten die eiseres heeft overgelegd leiden niet tot het oordeel dat sprake is van systematische gebreken in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. In de uitspraken van 8 april 2020 heeft de ABRvS het rapport van SFH-OSAR en het AIDA-rapport update 2018 meegewogen en kwam tot de conclusie dat verweerder, ondanks de moeilijke situatie van Dublinclaimanten in Italië, mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van effectieve rechtsbescherming in Italië.

7. De ABRvS heeft in de uitspraken van 8 april 2020 verder overwogen dat ook in het geval van bijzonder kwetsbare personen het niet aannemelijk is dat sprake is van zo’n structurele verslechtering in de opvangomstandigheden dat Dublinclaimanten in Italië een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De ABRvS verwijst daarbij allereerst naar de in de circular letter van 8 januari 2019 opgenomen garanties, maar betrekt in haar oordeel ook de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op de vragen van het EHRM in de zaak F.O. tegen Nederland. De Italiaanse autoriteiten hebben in de antwoorden bevestigd dat alle onder de Dublinverordening aan hen overgedragen families met minderjarige kinderen opvang hebben gekregen in het door hen beschreven systeem. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet dat de ABRvS in deze uitspraken niet heeft getoetst of wordt voldaan aan de waarborgen die het EHRM stelt in het arrest Tarakhel voor de overdracht van een gezin met minderjarige kinderen aan Italië. Verweerder mag er dus ook in het geval van eiseres, als alleenstaande moeder met een jong kind, vanuit gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen na zal komen en voor passende zorg en opvang zal zorgen. Verweerder hoeft dan ook niet om aanvullende individuele garanties te vragen voor eiseres en haar kind.

8. Eiseres heeft verder niet onderbouwd dat de zorg en opvang in Italië niet meer adequaat zouden zijn door de gevolgen van het coronavirus. Het is niet gebleken dat de uitbraak van het coronavirus in Italië zo nijpend is (en anders dan in Nederland) dat eiseres niet kan worden overgedragen aan Italië. Mocht dit wel het geval zijn (of worden), is het zo dat de ABRvS heeft geoordeeld dat de uitbraak van het coronavirus een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is7. Het maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat

6 Zie de uitspraak van 15 oktober 2020: ECLI:NL:RVS:2020:2449.

7 Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:N:RVS:2020:1032.

niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiseres in beginsel alsnog kan worden overgedragen.

9. Ook de omstandigheid dat het EHRM verschillende interim measures heeft getroffen in zaken van kwetsbare asielzoekers maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Zoals hiervoor al is overwogen, kan uit de getroffen interim measures niet zonder meer worden afgeleid dat in Italië sprake is van structurele tekortkomingen. Ook niet voor kwetsbare personen. Over de door eiseres aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingslocatie

ʼs-Hertogenbosch, overweegt de rechtbank dat deze uitspraak niet bindend is en dus ook niet tot een ander oordeel leidt

10. Verweerder heeft in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. Daarbij benadrukt de rechtbank nogmaals dat verweerder erop mag vertrouwen dat Italië voldoende zorg en opvang zal bieden aan eiseres en haar kind. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

19 november 2020

en zal openbaar worden gemaakt op rechtspraak.nl.

Mr. B. Fijnheer T.R. Vos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.