Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14609

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
NL20.11500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, bijzondere kwetsbaarheid, interim measures, geen redenen niet uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep op C.K., artikel 17, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer] mede namens haar minderjarige kind

(gemachtigde: mr. A. Hol), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Nijnatten).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.11501, plaatsgevonden op 8 september 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Breukel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

2. Eiseres voert aan dat zij aangemerkt moet worden als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel1 en dat zij en haar pasgeboren kind daarom niet zonder garanties aan Italië overgedragen kunnen worden. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar kwetsbaarheid op het feit dat ze op 31 juli 2020 is bevallen van een dochter en een alleenstaande moeder is. Verder is ze er zowel lichamelijk als geestelijk slecht aan toe. Eiseres heeft psychische klachten, onder andere doordat ze het slachtoffer is geworden van een verkrachting en als gevolg hiervan zwanger is geraakt. Eiseres is verder in Sierra Leone geopereerd aan haar been. Ze loopt nog steeds mank en heeft nog steeds pijnklachten. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar psychische en lichamelijke klachten een medisch patiëntendossier overgelegd. Eiseres wijst in verband met haar kwetsbaarheid op de interim measures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 16 juni 20202. In de zaak van de uitspraak van 16 juni 2020 was sprake van vergelijkbare omstandigheden en is de beroepszaak aangehouden in verband met de interim measures. Nergens uit de gegevens blijkt dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat eiseres en haar dochtertje zullen worden opgevangen conform de normen zoals vastgelegd in het arrest Tarakhel en de daarop volgende jurisprudentie. Eiseres doet ook een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat de omstandigheden omtrent haar zwangerschap en de geboorte van haar kind en haar psychische en fysieke omstandigheden zo bijzonder en individueel zijn dat overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid zou getuigen en verweerder het asielverzoek in behandeling moet nemen.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit recent nog weer bevestigd in de uitspraken van 8 april 20203. De ABRvS heeft de uitspraken van 8 april 2020 bevestigd in de uitspraken van 5 augustus 20204. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. Eiseres is hier niet in geslaagd.

4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft betwist dat in het geval van eiseres sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. De ABRvS heeft in de uitspraken van 8 april 2020 echter overwogen dat ook in het geval van bijzonder kwetsbare personen het niet aannemelijk is dat sprake is van zo’n structurele verslechtering in de opvangomstandigheden dat Dublinclaimanten in Italië een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De ABRvS verwijst daarbij allereerst naar de in de circular letter van 8 januari 2019 opgenomen garanties, maar betrekt in haar oordeel ook de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten aan het EHRM in de zaak F.O. tegen Nederland5. In deze antwoorden hebben de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat de eenheid van het gezin zal worden gewaarborgd, dat de toegang tot de essentiële diensten in de opvangcentra is gewaarborgd en dat er bijzondere opvangvoorzieningen zijn voor kwetsbare personen, waaronder alleenstaande ouders en mensen die lijden aan ernstige lichamelijke of geestelijke aandoeningen. Tot slot hebben de Italiaanse autoriteiten bevestigd dat alle onder

1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

2 ECLI:NL:RBDHA:2020:7466.

3 ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987.

4 ECLI:NL:RVS:2020:1850, ECLI:NL:RVS:2020:1847 en ECLI:NL:RVS:2020:1849.

5 F.O. tegen Nederland van 16 september 2019 (no. 48125/19).

de Dublinverordening aan hen overgedragen families met minderjarige kinderen opvang hebben gekregen in het door hen beschreven systeem. Verweerder mag er dus ook in het geval van eiseres, als alleenstaande ouder met een jong dochtertje, vanuit gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen na zal komen en voor passende zorg en opvang zal zorgen.

Verweerder hoeft dan ook niet om aanvullende individuele garanties te vragen voor eiseres en haar kind.

5. Ook de omstandigheid dat het EHRM verschillende interim measures heeft getroffen in zaken van kwetsbare asielzoekers maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. In deze interim measures is besloten om de overdracht van de betrokkenen op te schorten en aan de Nederlandse en Italiaanse autoriteiten vragen te stellen met betrekking tot de overdracht aan Italië. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 8 april 20206 echter geoordeeld dat de interim measures niet kunnen leiden tot het oordeel dat een vreemdeling bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De interim measures zijn niet gemotiveerd en het EHRM heeft niet toegelicht waarom de interim measures zijn opgelegd of verlengd, zodat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of de interim measures betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis dit zou kunnen zijn. De ABRvS heeft de uitspraken van 8 april 2020 over de betekenis van de interim measures nog eens bevestigd in de uitspraken van 5 augustus 2020. Gelet op deze uitspraken en de daarin meegewogen antwoorden van de Italiaanse autoriteiten, ziet de rechtbank (anders dan voor die uitspraken) geen aanleiding om de behandeling van het beroep in afwachting van de beslissing van het EHRM aan te houden en de voorlopige voorziening toe te wijzen. Over de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, overweegt de rechtbank dat deze uitspraak niet bindend is en dus ook niet tot een ander oordeel leidt.

6. Voor zover eiseres een beroep doet op het arrest C.K. tegen Slovenïe7 in verband met haar psychische en lichamelijke klachten overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de ABRvS van 3 november 20178 geeft de ABRvS uitleg aan het arrest C.K. tegen Slovenië. Uit deze uitspraak volgt dat het gaat om zaken waarin niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden, wat een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie oplevert. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

7. Eiseres heeft een medisch patiëntendossier overgelegd, waaruit blijkt dat zij psychische klachten heeft en dat zij klachten heeft aan haar been. Uit deze gegevens blijkt echter niet dat zij hiervoor onder specialistische behandeling staat. Eiseres heeft verder geen andere gegevens overgelegd waaruit een eventuele behandeling voor haar psychische

6 ECLI:NL:RVS:2020:987.

7 Hof van Justitie van de EU, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.

8 ECLI:NL:RVS:2017:2986.

klachten of een behandeling voor haar been blijkt. Zij heeft dan ook niet de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand duidelijk gemaakt of de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht. Uit de uitspraak van de ABRvS van 19 december 20189 blijkt ook dat de staatssecretaris de Italiaanse autoriteiten in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening zal informeren over de medische omstandigheden, zodat eiseres ervan uit kan gaan dat in haar behoefte aan medische zorg zal worden voorzien. Verweerder mag er verder van uitgaan dat sprake is van vergelijkbare medische voorzieningen in de lidstaten en uit het patiëntendossier van eiseres volgt niet dat Nederland de meest aangewezen lidstaat is om haar te behandelen. Voor zover medische zorg aan eiseres wordt onthouden, moet zij zich daarover beklagen bij de Italiaanse autoriteiten.

8. Verweerder heeft in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De gebeurtenissen die zich in Sierra Leone hebben voorgedaan, liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor. Verder heeft eiseres de gestelde psychische gevolgen van deze gebeurtenissen niet nader met stukken onderbouwd, waardoor dit ook geen rol kan spelen bij deze beoordeling. Daarbij benadrukt de rechtbank nogmaals dat verweerder erop mag vertrouwen dat Italië voldoende zorg en opvang zal bieden aan eiseres en haar dochtertje. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

9 ECLI:NL:RVS:2018:4131.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

23 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.