Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14575

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1824
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag controller na fraude bestuurder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3185

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: T.G.J. Horlings),

tegen

het bestuur van de Stichting voor Openbaar Voortgezet Onderwijs Delft, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ouwens).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 31 december 2019 ontslagen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, waarbij het eerder gedane verzoek om voorlopige voorziening geldt als gedaan hangende het beroep.

Bij uitspraak van 26 mei 2020 (AWB 20/1824) is het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening buiten zitting afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [A] , bestuurder ad Interim (a.i.), en [B] , senior medewerker P&O.

Overwegingen

Inleiding

1. Sinds 6 oktober 2004 was eiser in dienst van de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Delft (de Stichting) en diens rechtsvoorgangers. Aanvankelijk was eiser hoofd administratie, later hoofd financiële administratie F&A/Controller en sinds 1 augustus 2010 controller.

In mei 2019 werd de heer [C] als bestuurder a.i. (hierna: bestuurder a.i.) aangesteld ter vervanging van de heer [D 1] (hierna: de voormalige bestuurder), die wegens ziekte was uitgevallen.

Bij brief van 11 september 2019 heeft de bestuurder a.i. eiser laten weten dat was gebleken dat de voormalige bestuurder zich schuldig had gemaakt aan financiële malversaties. Over verschillende jaren heeft hij met enige regelmaat grote bedragen contant geld opgenomen van de schoolrekening en achteraf vervalste facturen ingediend. Vermeld is dat een extern onderzoek werd ingesteld om de precieze omvang van de malversaties vast te stellen. Eisers rol in het geheel zou ook extern en intern worden onderzocht. Eiser is hangende het onderzoek geschorst.

Op 29 oktober 2019 heeft eiser een gesprek gevoerd met medewerkers van Hoffmann Bedrijfsrecherche. Op 8 november 2019 heeft eiser een gesprek gevoerd met de bestuurder a.i. en de senior medewerker P&O.

Het voornemen

2. Op 18 november 2019 heeft de bestuurder a.i. eiser een voornemen tot ontslag gestuurd. Hierin staat onder meer dat vastgesteld kan worden:

  • -

    dat eiser is aangesteld in een schaal 12-functie, terwijl de functie van controller volgens het functieboek in schaal 9 is ingedeeld en dat eiser bovendien jarenlang voor 0,1 fte extra is uitbetaald;

  • -

    dat eiser wist van de herhaaldelijke pintransacties van de voormalige bestuurder, veelal tijdens de zomervakanties;

  • -

    dat eiser wist dat de voormalige bestuurder beweerde dat hij sommige facturen die in of vlak voor de zomervakantie binnen kwamen vanaf zijn privérekening betaalde en dat eiser akkoord ging met verrekening daarvan middels genoemde pintransacties en overboekingen van de schoolrekening naar zijn privérekening, zonder te controleren of hij de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde;

  • -

    dat eiser akkoord is gegaan met het ruim achteraf inboeken van een factuur van Van Hees voor de werving en selectie van een nieuwe rector terwijl hij wist of had kunnen weten dat er helemaal geen externe werving- en selectieprocedure geweest was;

  • -

    dat eiser facturen met zeer riante bedragen van scholing die de voormalige bestuurder in Engeland heeft gevolgd heeft ingeboekt in de administratie, terwijl eiser wist dat de bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd;

  • -

    dat al het bovenstaande voor eiser geen signaal was om vanuit zijn functie als controller deze werkwijze te melden bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon, en voor eiser ook geen aanleiding was om de voormalige bestuurder wel beter te gaan controleren;

  • -

    dat eiser heeft meegewerkt aan de aanstelling en promotie van [E] buiten alle procedures om en heeft meegewerkt aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl eiser als enige wist dat [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was;

  • -

    dat eiser op of rond 18 juli 2019 telefonisch contact heeft gehad met de voormalige bestuurder nadat de bestuurder a.i. hem dat verboden had en dat eiser hem tijdens dat telefonische contact heeft meegedeeld dat het gesprek met de Raad van Toezicht over declaraties ging, terwijl dat absoluut niet aan eiser was om te zeggen en waardoor de voormalige bestuurder voorbereid het gesprek met de Raad van Toezicht in ging;

  • -

    dat eiser erkent dat hij zijn werk als controller ten aanzien van de voormalige bestuurder niet goed heeft uitgevoerd, maar dat hij zich daarin als een slachtoffer opstelt: eiser is er ingeluisd.

Volgens verweerder is hiermee vast komen te staan dat eiser ernstig tekortgeschoten dan wel ernstig nalatig is geweest in zijn kerntaak als controller en hij met zijn handelswijze zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim waarmee de reputatie van de school ernstig op het spel is gezet.

Het primaire besluit

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser primair disciplinair ontslagen.

Subsidiair heeft verweerder eiser ontslagen op grond van ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van controller aan een school voor voortgezet onderwijs binnen de Stichting. Meer subsidiair heeft verweerder eiser ontslagen op grond van redenen van gewichtige aard, namelijk een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

Het bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder vindt dat eiser zich ernstig schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Wanneer eiser zijn taken op een professionele wijze had verricht en de nodige professionele afstand had bewaard, had hij de onregelmatigheden van de voormalige bestuurder in een zeer vroeg stadium kunnen en moeten ontdekken. Eiser had vooraf het financiële systeem op een dusdanige wijze moeten inrichten dat de fraude zoals die is gepleegd niet mogelijk was geweest of in ieder geval in een veel eerder stadium zou zijn ontdekt. De voormalige bestuurder paste geen alledaagse handelwijze toe door riante facturen zogenaamd zelf te betalen en dit te verrekenen met opnames van grote contante bedragen en grote overboekingen naar zichzelf. Deze handelwijze had er juist voor moeten zorgen dat eiser extra kritisch zou zijn. Verder kan het volgens verweerder, gelet op eisers positie in de organisatie, haast niet anders dan dat eiser geweten heeft dat er geen externe werving heeft plaatsgevonden voor een rector. Dat eiser - ondanks dat hij als enige wist dat [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was - heeft meegewerkt aan het buiten de procedures om aannemen van [E] en aan een onjuiste inschaling en promotie van [E] valt eiser bijzonder kwalijk te nemen. Verweerder neemt eiser voorts bijzonder kwalijk dat hij de voormalige bestuurder heeft teruggebeld nadat de bestuurder a.i. hem had aangeraden om geen contact met de voormalige bestuurder te hebben. Tevens neemt verweerder eiser bijzonder kwalijk dat hij de voormalige bestuurder heeft geïnformeerd over het feit dat de Raad van Toezicht de voormalige bestuurder wilde spreken over zijn declaraties.

Verder vindt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom eisers gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend.

Verweerder deelt voorts niet de conclusie van eiser dat het disciplinaire ontslag volstrekt onevenredig is aan het plichtsverzuim. Omdat eisers ernstige nalatigheid heeft kunnen leiden tot jarenlange grootscheepse fraude, kan geenszins worden gesteld dat het disciplinaire ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. In de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt, vormden eisers persoonlijke omstandigheden geen reden om af te zien van het disciplinair ontslag.

Verweerder vindt subsidiair dat er wel plaats is voor ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie. Uit onder andere het verslag van Hoffmann Bedrijfsrecherche van het gesprek met eiser blijkt dat voldoende aannemelijk is dat eiser in de uitoefening van zijn functie van controller onvoldoende controlerend heeft opgetreden. Tevens heeft hij onvoldoende waarborgen ingesteld om fraude te kunnen voorkomen.

Meer subsidiair kan volgens verweerder niet anders dan worden geconcludeerd dat zijn vertrouwen in eiser onherstelbaar verstoord is. Als een werknemer zijn kerntaak zo slecht heeft uitgevoerd, en bovendien zo weinig zelfreflectie toont door de schuld van het ontstaan van de situatie (jarenlange fraude door de voormalige bestuurder) volledig buiten zichzelf te zoeken, dan is het logisch dat een werkgever het vertrouwen in een succesvolle voortzetting van de samenwerking volledig kwijt is.

Het betoog van eiser

5. Eiser vindt dat hem geen verwijt van plichtsverzuim kan worden gemaakt. Eiser vindt dat geen sprake is van grove nalatigheid. Hij erkent dat hij achteraf gezien tekort is geschoten in zijn controletaak, maar dit betreft volgens hem een zuiver functioneringsaspect en geen plichtsverzuim. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:170).

Er bestond geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de diensten, waarvoor valse facturen zijn vervaardigd en gebruikt om declaraties mee te verantwoorden, daadwerkelijk geleverd waren. Het ging om facturen van vertrouwde leveranciers. Eiser is bovendien niet getraind als fraudeonderzoeker en heeft zelfs geen volledige opleiding tot controller genoten. De externe accountant heeft geen onregelmatigheden gezien of advies gegeven om verdergaand te controleren met betrekking tot de declaraties. Ook de Raad van Toezicht heeft geen aanleiding gezien om vragen te stellen of om een andere werkwijze voor te stellen.

Verder heeft eiser niet meegewerkt aan een valse functiebeschrijving voor [E] . Hij heeft niets anders gedaan dan bij wijze van concept taken en werkzaamheden van [E] op te schrijven omdat [E] onder hem zou werken. Binnen de organisatie was wel degelijk bekend dat [E] afkomstig was uit de nabije kring van de voormalige bestuurder. De voormalige bestuurder had eiser gevraagd niet te vertellen dat [E] zijn schoonzoon was om zo te vermijden dat [E] anders door collega’s zou worden bekeken en behandeld. Eiser vond dat geen onredelijk verzoek.

Ook was het eiser niet verboden om de voormalige bestuurder mee te delen dat het gesprek met de Raad van Toezicht om declaraties ging. Eiser hoefde niet te begrijpen dat hij dit niet mocht vertellen. Bovendien was eiser op dat moment volledig verrast en overrompeld omdat hij enkele minuten daarvoor had gehoord dat de voormalige bestuurder fraude zou hebben gepleegd.

Verder vindt eiser dat de gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend. Eiser is altijd goed beoordeeld en op de wijze waarop hij zijn functie uitoefende is nooit wezenlijke kritiek geweest. Verweerder is verantwoordelijk voor de beoordelingen en eiser mag uitgaan van de legitimiteit van de beoordelingen. De gang van zaken rond voorschieten en naderhand declareren is niet vreemd. Als eiser onvoldoende heeft opgelet, geldt dat ook voor de Raad van Toezicht, de externe accountant en voor wat betreft de aanstelling van [E] voor P&O. Verder geldt dat het vanuit psychologisch perspectief zeer moeilijk is om in de positie van eiser onregelmatigheden te zien in het handelen van de voormalige bestuurder omdat hij een goede relatie met hem had. De voormalige bestuurder was bovendien altijd zeer zuinig met het geld van verweerder. Verweerder heeft nagelaten waarborgen in de structuur van de organisatie in te bouwen. De voormalige bestuurder is als zelfstandig bestuurder zelfstandig bevoegd gemaakt en de Raad van Toezicht oefende zijn toezichthoudende taak van grote afstand uit.

Volgens eiser is disciplinair ontslag volstrekt onevenredig aan het plichtsverzuim. Er was geen sprake van doelbewust handelen of nalaten van eiser. Hij geniet bovendien geen enkel voordeel van de fraude. Eiser heeft geen enkele waarschuwing of geen enkel signaal gehad dat hij zijn werk niet goed deed. Verweerder heeft ten onrechte de gevolgen van zijn gedragingen meegewogen. Deze benadering is in strijd met het verbod op willekeur. Verder heeft verweerder geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser is vader van een dochter van 19 jaar en van een tweeling van 16 jaar, die gehandicapt is. Alle kinderen hebben ADHD en de tweeling heeft ook autisme. Eiser en zijn echtgenote hebben de zorg en verantwoordelijkheid voor de tweeling. Als eisers inkomen wegvalt, moet het huis worden verkocht. De leeftijd van eiser brengt mee dat het zeer onzeker is dat hij een andere baan kan vinden.

Ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond heeft eiser aangevoerd dat hij niet op zijn tekortkomingen is gewezen en onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich te verbeteren. Dat hij heeft gewezen op relevante feiten en omstandigheden wil niet zeggen dat hij niet reflecterend is of deze feiten bagatelliseert. Eiser heeft op de context gewezen omdat die relevant is.

Ten aanzien van de meer subsidiaire ontslaggrond heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. De arbeidsrelatie kan verbeteren en zonder poging tot herstel kan niet worden volgehouden dat de relatie onherstelbaar is verstoord.

Juridisch kader

6. Het juridisch kader is in een bijlage bij deze uitspraak gevoegd.

Het oordeel van de rechtbank

Feitenvaststelling

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de gespreksverslagen van eisers gesprek met Hoffmann Bedrijfsrecherche op 29 oktober 2019 en eisers gesprek met de bestuurder a.i. en de senior medewerker P&O van 8 november 2019 in ieder geval aannemelijk gemaakt:

1. dat eiser wist van de herhaaldelijke pintransacties van de voormalige bestuurder, veelal tijdens de zomervakanties;

2. dat eiser wist dat de voormalige bestuurder beweerde dat hij sommige facturen die in of vlak voor de zomervakantie binnen kwamen vanaf zijn privérekening betaalde en dat eiser akkoord ging met verrekening daarvan middels genoemde pintransacties en overboekingen van de schoolrekening naar zijn privérekening, zonder te controleren of hij de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde;

3. dat eiser akkoord is gegaan met het ruim achteraf inboeken van een factuur van Van Hees voor de werving en selectie van een nieuwe rector terwijl hij wist of had kunnen weten dat er helemaal geen externe werving- en selectieprocedure geweest was;

4. dat eiser facturen met zeer riante bedragen van scholing die de voormalige bestuurder in Engeland heeft gevolgd heeft ingeboekt in de administratie, terwijl eiser wist dat de bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd;

5. dat al het bovenstaande voor eiser geen signaal was om vanuit zijn functie als controller deze werkwijze te melden bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon, en voor eiser ook geen aanleiding was om de voormalige bestuurder wel beter te gaan controleren;

6. dat eiser heeft meegewerkt aan de aanstelling en promotie van [E] buiten alle procedures om en heeft meegewerkt aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl eiser als enige wist dat [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was;

7. dat eiser de voormalige bestuurder tijdens telefonisch contact met de voormalig bestuurder op of rond 18 juli 2019 heeft meegedeeld dat het gesprek met de Raad van Toezicht over declaraties ging.

Eiser heeft ten aanzien van punt 3 aangevoerd dat hij niet wist of behoorde te weten dat er geen externe werving en selectie was toegepast rond de aanstelling van een nieuwe rector. Maar naar het oordeel van de rechtbank had eiser dit, gelet op zijn bestuurlijke functie binnen de organisatie, wel kunnen weten. Verweerder heeft tijdens de zitting uiteengezet dat er twee kandidaten waren voor de functie en dat er daarom geen reden was om de functie extern uit te zetten. Deze gang van zaken heeft eiser op zichzelf niet betwist. Dat de voormalige bestuurder het tegenover eiser heeft gehad over een assessment, betekent niet dat er een externe werving- en selectieprocedure was geweest. In ieder geval kan een assessment niet als een wervingsactiviteit worden beschouwd.

Eiser heeft ten aanzien van punt 4 aangevoerd dat de voormalige bestuurder de mogelijkheid had om af te wijken van de procedure, maar hij heeft niet betwist dat de voormalige bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd.

Eiser heeft ten aanzien van punt 6 aangevoerd dat anderen bekend was dat [E] uit de nabije kring van de voormalige bestuurder afkomstig was. Maar eiser heeft niet bestreden dat zij niet wisten dat [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was. Verder heeft hij aangevoerd dat hij niet de functiebeschrijving heeft gemaakt, maar slechts een conceptbeschrijving. Dit strookt echter niet met wat eiser tijdens het gesprek met Hoffmann Bedrijfsrecherche op 29 oktober 2019 heeft gezegd. In het verslag van dat gesprek staat dat eiser heeft gezegd dat hij de functieomschrijving heeft gemaakt omdat die niet bestond. Tijdens de zitting heeft verweerder aangegeven dat tussen de conceptfunctiebeschrijving en de definitieve functiebeschrijving geen verschil zat. Verder heeft eiser ter zitting aangegeven dat [E] op het moment van opstellen van de functiebeschrijving niet alle taken deed die in de functieomschrijving stonden. Dat eiser een rol heeft gehad bij het opstellen van een valse functiebeschrijving acht de rechtbank dan ook voldoende aannemelijk gemaakt.

Voor het overige heeft eiser bovenstaande feiten niet bestreden.

Kwalificatie als plichtsverzuim

8. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de verweten gedragingen als ernstig plichtsverzuim. De rechtbank neemt aan dat eiser niet met een vooropgezet plan heeft gehandeld, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op veel momenten wel bepaalde keuzes gemaakt die ervoor zorgen dat zijn gedragingen niet (slechts) in het licht van ongeschiktheid kunnen worden bezien. Van een situatie die gelijkgesteld kan worden met de situatie zoals aan de orde in de door eiser genoemde uitspraak van de CRvB van 10 januari 2019 is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat eiser bewust het risico heeft genomen dat er fraude kon plaatsvinden.

Ten aanzien van punten 1 tot en met 5:

Bij een goede uitoefening van zijn functie behoorde eiser in ieder geval te (laten) controleren of de voormalige bestuurder de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde dan wel melding te maken bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon van de werkwijze van de voormalige bestuurder.

Dat het wel vaker gebeurde dat medewerkers bedragen voorschoten die vervolgens werden gedeclareerd, neemt niet weg dat er aanleiding was om alert te zijn waar het de voormalige bestuurder betrof. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 maart 2020 aangegeven dat het bij andere medewerkers ging om bijvoorbeeld het voorschieten van kosten tijdens een werkreis. Volgens het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 27 november 2019 heeft de voormalige bestuurder in de periode van 6 november 2011 tot en met maart 2019 in totaal een bedrag van € 82.800,- contant bij pinapparaten opgenomen van een rekening van de Stichting en in de periode van 11 december 2011 tot en met 19 juli 2019 in totaal een bedrag van € 73.502,79 van een rekening van de Stichting naar een privérekening overgemaakt. Daarnaast heeft de voormalige bestuurder voor een bedrag van € 1.903,94 een privédocument op kosten van de Stichting laten vertalen én heeft hij in 2018 een bedrag van € 444,90 ten onrechte als ‘onkosten bestuur' gedeclareerd. Het ging dus om behoorlijk hoge bedragen.

Behalve dat het ging om behoorlijk hoge bedragen hadden ook het pinnen van contante bedragen en de fouten op de facturen aanleiding moeten zijn om alert te zijn, bijvoorbeeld bij een factuurdatum die voor de offertedatum lag. Dat eiser niet is getraind als fraudeonderzoeker en zelfs geen volledige opleiding tot controller heeft genoten, doet hier niet aan af. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de bestuurder a.i. binnen een dag nadat hij toegang had tot de bankrekeningen had ontdekt dat de voormalige bestuurder (in de zomer) contante geldopnames deed en geld van de school naar zijn privérekening overboekte. Weliswaar stond de bestuurder a.i. in een andere verhouding tot de voormalige bestuurder, maar de bestuurder a.i. heeft geen financiële achtergrond. Daarbij kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet het verschil verklaren tussen binnen een dag iets ontdekken en jarenlang niets doorhebben.

Ook het feit dat de voormalige bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd had een aanwijzing kunnen zijn dat er iets niet pluis was.

Bovendien lijkt eiser ook door in ieder geval een medewerker geattendeerd te zijn op de bijzonderheid van de situatie. Bea van Houten heeft op 10 maart 2020 verklaard dat zij eiser wel eens vroeg waarom zij niet rechtstreeks facturen van bedrijven kregen maar die via de voormalige bestuurder ontvingen. Ook heeft zij blijkens haar verklaring met eiser besproken dat de voormalige bestuurder bedragen naar zijn privérekening overmaakte.

Ten aanzien van punt 6:

Ook het meewerken aan de aanstelling en promotie van [E] buiten de procedures om en aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl eiser als enige wist dat [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was, had eiser bij een goede uitoefening van zijn functie behoren na te laten. In de verklaring van Laurens Koeleman van 14 februari 2020 staat dat hij eiser heeft gevraagd of [E] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was en dat eiser dat ontkende. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat eiser meer heeft gedaan dat het verzwijgen van de familierelatie en daarmee bewust handelde.

Ten aanzien van punt 7:

Het meedelen aan de voormalige bestuurder op of rond 18 juli 2019 dat het gesprek met de Raad van Toezicht op 19 juli 2019 over declaraties ging, is ook iets wat eiser bij een goede uitoefening van zijn functie had behoren na te laten. De rechtbank hecht daarbij waarde aan de aard van de beschuldiging. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aan eiser was om te zeggen dat het gesprek over declaraties zou gaan en dat dit ertoe heeft geleid dat de voormalige bestuurder voorbereid het gesprek met de Raad van Toezicht in ging. De rechtbank neemt in aanmerking dat de bestuurder a.i. eiser toen al had afgeraden contact te hebben met de voormalige bestuurder.

Ten aanzien van alle punten

Voor zover fouten zijn gemaakt door de externe accountant, de Raad van Toezicht en P&O, betekent dat niet dat eisers gedragingen niet als plichtsverzuim kunnen worden gekwalificeerd.

Toerekenbaarheid

9. Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de CRvB van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Zie de uitspraak van 6 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:262.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien of niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Eiser heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit dat zou blijken. Dat eiser “een rad voor ogen is gedraaid” door de voormalige bestuurder, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, volgt de rechtbank in die zin dat de voormalige bestuurder eiser moedwillig lijkt te hebben misleid. Echter, dat eiser zelf geen verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen/nalaten, volgt de rechtbank gelet op hetgeen onder 8 is overwogen, niet. Dat eiser goede beoordelingen heeft gehad, neemt niet weg dat hij heeft kunnen en had moeten inzien dat zijn handelen/nalaten in de gegeven omstandigheden ontoelaatbaar was. Ook de omstandigheid dat hij een goede werkrelatie had met de voormalige bestuurder betekent niet dat zijn handelen niet meer toerekenbaar was.

Voor zover de Raad van Toezicht en de externe accountant onvoldoende hebben opgelet of door verweerder te weinig waarborgen in de organisatie waren ingebouwd, wat daarvan zij, betekent dit niet dat eisers gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend.

Evenredigheid

10. Naar het oordeel van de rechtbank is het strafontslag evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank neemt daarbij de aard en de ernst van het plichtsverzuim in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn afweging mogen betrekken dat door het plichtsverzuim van eiser jarenlange fraude door de voormalige bestuurder mogelijk was. De stelling dat eiser geen voordeel heeft genoten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, gezien in het licht van de werktijduitbreiding die eiser heeft genoten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een werktijduitbreiding wegens overuren, zoals door eiser gesteld, niet conform de geldende regels was omdat overwerk vanaf schaal 9 en hoger hoorde bij de functie en werktijduitbreiding enkel aan de orde was bij vervangende werkzaamheden. Vast staat dat eiser gedurende de periode dat hij voor 0,1 fte extra werd uitbetaald, niemand verving. Verder volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat indien en voorzover eiser zelf meer werkzaamheden naar zich heeft toegetrokken, dit geen werktijduitbreiding rechtvaardigt.

De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder bij de afweging van belangen in het kader van de primaire ontslaggrond geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen aan de persoonlijke omstandigheden van eiser, hoe lastig deze ook zijn.

11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan wat eiser heeft aangevoerd over de subsidiaire en meer subsidiaire ontslaggrond.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Op grond van artikel 10.a.8., tweede lid, van de cao VO wordt onder plichtsverzuim verstaan: het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van hem opgelegde verplichtingen, alsmede het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 10.b.3., elfde lid, van de cao VO kan de werknemer ontslag worden verleend:

(…)

7. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit anderen hoofde;

(…)

11. als disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim;

12. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

Op grond van artikel 10.b.7., derde lid, aanhef en onder c, van de cao VO kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.