Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14570

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een dermate ernstige situatie dat sluiting van de inrichting noodzakelijk is. In de inrichting zijn gestolen voertuigen en onderdelen aangetroffen en verweerder heeft aannemelijk kunnen achten dat sprake is van heling. Op zich kan verweerder op grond van de constateringen overgaan tot sluiting voor onbepaalde tijd. Of er omstandigheden zijn om desondanks van sluiting voor onbepaalde tijd af te zien kan gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder bij uitstek in bezzwaar aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1738

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H.W. van Eeuwijk),

tegen

de waarnemend burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. A.A.M. Zwagemakers en mr. K. Ypenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder verzoeker gelast op grond van artikel 2:79 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag (APV) de motor- en scooterzaak op het adres [adres] [huisnummer] te [woonplaats] (hierna: de inrichting) te sluiten en gesloten te houden voor onbepaalde tijd, ingaande op woensdag 4 maart 2020 om 10.00 uur.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 3 maart 2020 het proces-verbaal voertuigidentificatie met proces-verbaalnummer 5891/2019 toegestuurd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis kan nemen van de inhoud van het betreffende document.

Bij beslissing van 4 maart 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is voor verweerder verschenen de heer [A] , inspecteur van politie.

Bij brief van 20 maart 2020 heeft de gemachtigde van verzoeker de voorzieningenrechter op de hoogte gesteld van de toezegging van de Officier van Justitie dat het proces-verbaal voertuigidentificatie via het Openbaar Ministerie aan hem zal worden verstrekt en heeft hij de voorzieningenrechter verzocht de beslissing op het verzoek aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen de gronden van het verzoek nader aan te vullen na kennisname van de inhoud van het proces-verbaal. Verweerder is gevraagd een reactie op de brief te geven.

Op 24 maart 2020 heeft verweerder de voorzieningenrechter in reactie op het verzoek om uitstel laten weten dat hem uit navraag bij de politie is gebleken dat het proces-verbaal inmiddels operationeel is en via de Officier van Justitie aan de gemachtigde van verzoeker is overgelegd en heeft een kopie van het proces-verbaal verstrekt om toe te voegen aan het dossier.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend om verzoeker in de gelegenheid te stellen een reactie op het betreffende proces-verbaal te geven. Bij brief van 27 maart 2020 heeft de gemachtigde een reactie gegeven. Verweerder heeft daarop gereageerd bij brief van 3 april 2020.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig. De voorzieningenrechter zal op grond van de betrokken belangen, waarbij mogelijk een voorlopig rechtsmatigheidsoordeel wordt gegeven, beoordelen of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

3.1. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

3.2. Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het tweede lid is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

3.3. Ingevolge artikel 2:79 van de APV kan de burgemeester, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.

3.4. Volgens het Handhavingsreglement heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen van de gemeente Den Haag (RIS292905) (Handhavingsreglement) vindt bij heling bij een eerste constatering sluiting plaats voor 3 maanden. Bij een tweede constatering volgt sluiting voor onbepaalde tijd. Indien sprake is van verzwarende omstandigheden kunnen volgens het Handhavingsreglement stappen worden overgeslagen of kan een zwaardere bestuurlijke sanctie worden opgelegd. Verzwarende omstandigheden zijn (niet limitatief):

- meerdere overtredingen uit het Handhavingsreglement;

- meerdere/zwaardere strafbare feiten;

- het voorhanden hebben van een goed afkomstig van een misdrijf;

- omvang en eventuele gevolgen van de overtreding;

- vermoedens van verwijtbaar gedrag van de handelaar.

3.5. Ingevolge artikel 2:66, aanhef en onder a, van de APV wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

Ingevolge artikel 2:66, aanhef en onder b, van de APV wordt onder verkoopregister verstaan: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

3.6. Op grond van artikel 2:67, eerste lid, van de APV is een handelaar verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

3.7. Op grond van artikel 2:68, aanhef en onder d, van de APV is een handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris.

4.1. Op 24 oktober 2019 heeft een bestuurlijke controle plaatsgevonden in de inrichting. Hiervan heeft de politie-eenheid Den Haag op 18 december 2019 een bestuurlijke rapportage uitgebracht aan verweerder. De bestuurlijke rapportage vermeldt onder andere het volgende:

“Door de verbalisanten werd vastgesteld dat de onderneming helemaal vol stond met diverse scooters, motoren en (3-wielige)motorscooters. Een deel hiervan niet was voorzien van een Nederlandse kentekenplaat en dat er ook een aantal schade,- of gestripte scooters bij stonden. Tevens lagen er door de hele onderneming op verschillende plekken ook diverse (motor)scooter onderdelen.

Om de “identiteit” van de diverse scooters, motoren en (3-wielige)motorscooters vast te stellen zijn de deskundigen voertuigidentificatie hierop ook met hun controle gestart waarbij van diverse voertuigen identificatienummers werden gecontroleerd op origine/herkomst van de voertuigen en of er al dan niet sprake was van onjuistheden.

Uit deze controle bleek dat één van de aangetroffen motorscooters van diefstal afkomstig bleek te zijn. Nader onderzoek wees uit dat er meerdere van de in de onderneming aangetroffen voertuigen van diefstal afkomstig bleken te zijn dan wel waren samen gesteld uit diverse van diefstal afkomstige onderdelen. Hierop zijn de in de onderneming aanwezig motoren, bromfietsen en onderdelen in beslag genomen voor nader onderzoek.

Proces-verbaal van onderzoek voertuigen en onderdelen 5891-2019

Uit nader onderzoek van de, uit de hiervoor genoemde onderneming in beslag genomen, voertuigen en onderdelen bleek kort samengevat:

- 1 driewielige motor van diefstal afkomstig

- 1 driewielige motor met een motorblok van diefstal afkomstig

- 2 losse motorblokken van diefstal afkomstig

- 1 driewielige motor met verwijderd/weggeslepen Voertuig Identificatie Nummer (VIN)

- 1 driewielige motor met valselijk aangebracht VIN

- 1 tweewielige bromfiets op naam gesteld van betrokkene Van der Voort met een valselijk

gefabriceerde kentekenplaat.

Hieruit blijkt dat er binnen de genoemde onderneming sprake is van het aanwezig hebben van meerdere voertuigen en onderdelen die van diefstal afkomstig zijn. Daarnaast was er sprake van een valselijk geproduceerde kentekenplaat.”

4.2. Van de bestuurlijke rapportage maken twee processen-verbaal deel uit, te weten: het proces-verbaal van bevindingen aantreffen voertuigen (PL 1500-2019296964-42) en proces-verbaal van bevindingen onderzoek aangetroffen voertuigen en onderdelen door deskundige (5891/2019). Dit laatste proces-verbaal had verweerder niet als gedingstuk ingediend, maar met verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank overgelegd. Op 24 maart 2020 heeft verweerder dit proces-verbaal alsnog ingediend.

5. Verweerder heeft op grond van de bestuurlijke rapportage besloten de inrichting voor onbepaalde tijd te sluiten. Verweerder acht het aannemelijk dat verzoeker zich niet alleen niet inzet om heling actief tegen te gaan maar ook dat verzoeker zich doelbewust bezighoudt met heling. Gelet hierop acht verweerder verzwarende omstandigheden aanwezig en is de stap van een tijdelijke sluiting van drie maanden overgeslagen.

6.1. Verzoeker kan zich niet vinden in de sluiting en stelt - kort samengevat - dat verweerder veel te lichtvaardig is overgegaan tot het nemen van het besluit. De onderzoeksresultaten en de op basis daarvan getrokken conclusies zijn veel te voorbarig geweest. Verzoeker stelt daarbij dat hij inmiddels bij herhaling van vertegenwoordigers van de politie heeft vernomen dat het optreden van de politie niet de schoonheidsprijs verdient. Twee van de in beslag genomen driewielige motoren heeft verzoeker inmiddels teruggekregen.

6.2. In zijn reactie op het proces-verbaal voertuigidentificatie van 27 maart 2020 heeft verzoeker zijn werkwijze met betrekking tot de aanschaf van (tweedehands) voertuigen uiteengezet. Verder heeft verzoeker per voertuig en voertuigonderdeel een reactie gegeven. Verweerder is daar in zijn reactie van 3 april 2020 puntsgewijs op ingegaan.

1. PIAGGIO, MP3 500, JL-8o6-T

Verzoeker voert aan dat het hier een gedeelte van een voertuig betreft dat aan hem door een klant ter beschikking is gesteld om een schadevoertuig van de klant op te knappen/te herstellen. Het herstel van het voertuig was als enige tijd vóór de controle op 24 oktober 2019 voltooid en het herstelde voertuig was al opgehaald. Het voor herstel

gebruikte voertuig moest nog worden opgehaald. Nu het een schadevoertuig betrof en er aan de motor verder geen onregelmatigheden te zien waren is verzoeker er van uit gegaan dat er niets aan de hand was met het voertuig. Alle VIN-nummers waren bijvoorbeeld nog in tact en er was ook geen sprake van braaksporen aan bijvoorbeeld (contact)slo(ten) en de motor in het algemeen. Het voertuig stond in het midden van de werkplaats gestald en was voor iedereen zichtbaar.

Verweerder brengt in reactie hierop naar voren dat hij het dit niet aannemelijk acht, omdat verzoeker dit niet heeft onderbouwd. Dat verzoeker de werkbon en het daarbij behorende briefje met het telefoonnummer van de klant niet kan vinden en deze ook niet zit tussen de teruggegeven administratie door de politie, maakt dit volgens verweerder niet anders. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat het gestolen voertuig van verzoeker was en dat het voertuig dan wel onderdelen daarvan werden gebruikt voor de (door)verkoop dan wel indirect gebruikt voor de (door)verkoop via de reparatie van andere voertuigen.

Verder stelt verweerder dat indien verzoeker het kentekennummer had ingevoerd op www.stopheling.nl hij had kunnen zien dat het voertuig als gestolen stond geregistreerd. Dat er verder niks mis zou zijn met het voertuig, doet aan het feit dat het voertuig als gestolen staat geregistreerd volgens verweerder niet af. De omstandigheid dat verzoeker zich van geen kwaad bewust zou zijn en dat dit ook zou blijken uit het feit dat het voertuig in het midden van de inrichting staat, doet niet af aan de onderzoeksplicht van verzoeker. Wat

verzoeker met betrekking tot dit voertuig heeft aangevoerd, kan volgens verweerder dan ook niet slagen.

2 TMAX / XP530D-A, [kenteken 1] .

Ten aanzien van dit voertuig voert verzoeker dat onderdelen hiervan zijn gebruikt voor het

opknappen het voertuig YAMAHA TMAX / XP530-D. Het voertuig is volgens verzoeker eigendom van ene Julien uit Amsterdam. Voor deze persoon heeft verzoeker in het verleden vaker werkzaamheden aan diverse motorvoertuigen verricht en ook met deze man heeft verzoeker een goede verstandhouding en heeft hij geen enkele reden om aan zijn oprechtheid te twijfelen. Verzoeker heeft geen reden om te twijfelen aan de legale status van het voertuig. Het voertuig is geen eigendom van verzoeker en hij was ook ten aanzien van dit voertuig te goeder trouw. Na het invoeren van het VIN op de website www.stopheling.nl komt dit voertuig ook niet als gestolen naar voren. Dat het voertuig van diefstal afkomstig zou zijn kan hem daarom in redelijkheid niet worden verweten.

Verweerder merkt in reactie op dat het niet duidelijk is waarvoor dit voertuig volgens verzoeker precies is gebruikt. Enerzijds zouden onderdelen van dit voertuig zijn gebruikt voor het opknappen van het voertuig YAMAHA TMAX / XP53OD. Anderzijds stelt verzoeker dat juist het voertuig YAMAHATMAX / XP530-D is gebruikt voor het opknappen van het voertuig YAMAHA TMAX / XP530D-A, [kenteken 1] .

Dat het voertuig van ene Julien zou zijn, heeft verzoeker niet onderbouwd. Verzoeker heeft

geen werkbon overgelegd, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat het voertuig van iemand anders is. Daarom is niet aangetoond dat het voertuig niet voor de (indirecte) (door)verkoop in de inrichting stond. Dat verzoeker geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van het voertuig, maakt het dat volgens verweerder niet anders.

De omstandigheid dat het voertuig niet geregistreerd staat op www.stopheling.nl betekent niet dat verzoeker niet had kunnen weten dat het om een gestolen voertuig ging. Verweerder gaat ervan uit dat dit voertuig van verzoeker is. Verzoeker moet in dat geval onder meer het

kentekenbewijs hebben van het betreffende voertuig. Niet is gebleken dat verzoeker deze papieren heeft. Dat er verder niks mis zou zijn met voertuig, is volgens verweerder in dit geval dan ook niet relevant.

3. Schadevoertuig YAMAHA TMAX / XP530-D-A en onderdelen daarvan

Verzoeker brengt ten aanzien van dit voertuig naar voren dat hij dit (schade)voertuig in België heeft aangeschaft. Verzoeker heeft een aankoopfactuur overgelegd. Het was in eerste instantie de bedoeling dat verzoeker het voertuig YAMAHA TMAX / XP530-D-A, [kenteken 1] op te knappen met onderdelen van een ander voertuig. Op het moment dat verzoeker dit voertuig kon aanschaffen werd hem duidelijk dat dit voertuig in een betere staat was dan het andere voertuig. In overleg met de klant is er voor gekozen om dit voertuig op te knappen met onderdelen van het andere voertuig.

Verweerder brengt in reactie hierop naar voren dat uit het proces-verbaal voertuigidentificatie en de bestuurlijke rapportage niet blijkt dat verzoeker wordt tegengeworpen dat dit voertuig zou zijn gestolen. Dit schadevoertuig staat namelijk niet genoemd tussen de op pagina 8 van de bestuurlijke rapportage vermelde voertuigen. Deze opsomming moet in samenhang worden gelezen met het proces-verbaal voertuigidentificatie. Bovengenoemd voertuig is dan ook geen onderdeel van onderhavige zaak. Hetzelfde geldt voor de onderdelen van dit voertuig YAMAHA TMAX / XP530-D, zoals vermeld op pagina 9 van het proces-verbaal voertuigidentificatie.

4. Motorblok PIAGGIO MP3 300, JD689-H

Verzoeker stelt ten aanzien van dit bewuste motorblok dat hij ten tijde van het verkrijgen van dit motorblok te goeder trouw was. Het motorblok is van een klant van wie de bijbehorende motor later werd gestolen. Vervolgens zat verzoeker met een gestolen motorblok. Verzoeker verwijst hierbij naar zijn verhoor van 24 oktober 2019. Verzoeker stelt dat hij ten tijde van het motorblok volledig te goeder trouw was en dat dit door de klant kan worden bevestigd.

Verweerder merkt in reactie op dat niet wordt betwist dat het motorblok van diefstal afkomstig is en dat verzoeker hiervan op de hoogte was. Het had volgens verweerder dus op de weg van verzoeker gelegen om hiervan een melding te maken bij de politie dan wel bij de gemeente. De RDW was in deze in ieder geval niet de bevoegde instantie. Verzoeker wist immers dat het voertuig van zijn klant was gestolen en dat daardoor het motorblok dat hij als reserve in zijn inrichting had staan, ook als gestolen geregistreerd stond. Verweerder verwijst naar van artikel 2:69, aanhef en sub d, van de APV waarin is bepaald dat de handelaar die in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende

verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis moet geven aan de burgemeester of de daartoe aangewezen ambtenaar. Niet is gebleken dat verzoeker dit heeft gedaan. Uit het proces-verbaal voertuigidentificatie blijkt dat dit voertuig al in juni 2016 is gestolen. Als het inderdaad zo is dat verzoeker vanaf het begin op de hoogte was dat het motorblok was gestolen, dan heeft verzoeker het betreffende motorblok ruim drie jaar willens en wetens in zijn garage laten liggen, aldus verweerder.

5. Motorblok GILERA FUOCO, [kenteken 1]

Verzoeker merkt met betrekking tot dit motorblok op dat hij aan dat hij jongemannen een soort praktijkstage aanbiedt in zijn bedrijf. Een van de jongemannen is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van dit motorblok in de werkplaats. Verzoeker stelt dat hij niet bekend is met het motorblok in zijn werkplaats en dat hij hiervoor evenmin verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit kan door de betreffende man worden

bevestigd.

Verweerder stelt zich in reactie hierop op het standpunt dat ook wat betreft dit motorblok niet wordt betwist dat het van diefstal afkomstig is. Verzoeker is volgens verweerder te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in zijn inrichting afspeelt. Dat hij mannen een praktijkstage aanbiedt en dat een van deze mannen het betreffende motorblok in zijn

inrichting zou hebben neergelegd, doet volgens verweerder niet af aan die verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijk houdt namelijk ook in dat verzoeker erop toeziet en maatregelen treft om te zorgen dat de personen die een praktijkstage bij hem lopen, zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Niet is gebleken dat verzoeker dit heeft gedaan. Daarom kan verzoeker wel degelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het gestolen motorblok in zijn inrichting.

6 PIAGGIO MP3 500

Verzoeker stelt over dit voertuig dat naast het ontbreken van een VIN, geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. Het is in de wereld van de voertuighandel niet ongebruikelijk dat van voertuigen die bijvoorbeeld total loss zijn verklaard en om die reden gesloopt worden, identificerende kenmerken van de nog wel bruikbare onderdelen worden verwijderd. Het mag bekend worden verondersteld dat dit tot in ieder geval niet eens zo heel lang geleden in de autobranche niet alleen gebruikelijk was, maar ook werd voorgeschreven. Het onderdeel is afkomstig uit een sloopvoertuig en het verwijderen van het VIN vindt dan ook zijn oorsprong in de hier omschreven werkwijze met betrekking tot total loss verklaarde voertuigen. Het verwijderd zijn van het VIN-nummer kan volgens verzoeker niet aan hem worden tegengeworpen.

Verweerder volgt verzoeker niet in wat hij heeft aangevoerd over het verwijderde VIN op dit voertuig. Onder verwijzing naar het voornemen van 10 januari 2020 en het besluit van

20 februari 2020 merkt verweerder op dat het wegslijpen van VIN’s doorgaans gebeurt om gestolen onderdelen niet herleidbaar te maken naar de eigenaar. Met name voor handelaren in de automotive branche, is het een feit van algemene bekendheid dat een weggeslepen nummer duidt op diefstal dan wel omkatten. Bovendien was van dit voertuig het gehele deel van het frame waarop het identificatienummer is aangebracht, weggeslepen. Zoals opgemerkt in het proces-verbaal voertuigidentificatie, zie pagina 14, werd vermoed dat de

framebuis met het VIN van dit voertuig, valselijk in een frame van een ander, soortgelijk voertuig is aangebracht met het kenteken [kenteken 2] . Dit voertuig is inmiddels opgespoord en wordt onderzocht. Daarbij merk verweerder nog op dat verzoeker eerder heeft aangevoerd dat het hier zou gaan om het voertuig dat verzoeker opnieuw zou laten coaten en het VIN daarvoor was afgeplakt. Verweerder verwijst hiervoor naar het besluit van

20 februari 2020. Dat in dit geval het VIN zou zijn weggeslepen, omdat sprake is van een sloopvoertuig, volgt verweerder gelet op het voorgaande dan ook niet.

7 PIAGGIO MP3 500

Verzoeker stelt dat dit een door hem uit Frankrijk geïmporteerd voertuig betreft. Het voertuig is gekocht bij een erkend bedrijf en is niet van diefstal afkomstig. Verzoeker overlegt een Frans kentekenbewijs dat hij bij de aankoop van het voertuig heeft gekregen.

Verweerder voert in reactie aan dat uit het proces-verbaal voertuigidentificatie blijkt dat het gaat om het voertuig met VIN ‘ [vin-nummer] ’en dat dit nummer niet door de fabrikant is aangebracht en daarmee dus valselijk is aangebracht. Dat het gaat om een importvoertuig uit Frankrijk en verzoeker in bezit is van het kentekenbewijs, maakt dit volgens verweerder niet anders. Verzoeker had ook het voertuig zelf moeten controleren op echtheidskenmerken, onregelmatigheden etcetera. Niet is gebleken dat verzoeker dit

heeft gedaan. Op de foto in het proces-verbaal voertuigidentificatie, is duidelijk te zien

dat het VIN onregelmatig is aangebracht. Wanneer verzoeker het VIN had gecontroleerd, had hij dit kunnen en moeten opmerken. In dat geval had bij verzoeker minstens een vermoeden moeten ontstaan dat het voertuig van diefstal afkomstig was dan wel is omgekat. Verzoeker had hiervan een melding moeten maken. Dat niet vast is komen te staan dat het voertuig van diefstal afkomstig is, maakt het voorgaande niet anders. Ook valselijk aangebrachte VIN’s duiden immers op diefstal dan wel omkatten. Wat verzoeker met betrekking tot dit voertuig heeft aangevoerd, kan volgens verweerder dan ook niet

slagen.

8 PIAGGIO C38, [kenteken 3]

Verzoeker stelt dat hij met dit voertuig naar de RDW is gegaan om het te laten omkeuren. De kentekenplaat is vervolgens door een erkend bedrijf voor het fabriceren van kentekenplaten gemaakt aan de hand van de door de RDW verstrekte documenten. Verzoeker bestrijdt daaarom dat de kentekenplaat valselijk is gefabriceerd. Als het bewuste kentekenplaatje ‘opgehoogd” zou moeten zijn met een ophoogcode dan had het naar zijn overtuiging op de weg van de RDW gelegen om dit op de aan hem verstrekte documenten te vermelden. Nu dit niet is gebeurd kan het ontbreken van de ophoogcode niet aan hem worden tegengeworpen. Verzoeker heeft het bewuste voertuig ook weer teruggekregen van de politie.

In reactie geeft verweerder aan dat het feit dat verzoeker naar de RDW is gegaan om het voertuig te laten omkeuren, wat daar ook van zij, los staat van onderhavige zaak. Verweerder werpt verzoeker tegen dat hij een valselijk gefabriceerde kentekenplaat heeft op een van zijn voertuigen. Dat de kentekenplaat volgens verzoeker is gefabriceerd door een erkend bedrijf, wat verzoeker niet met stukken heeft onderbouwd, doet volgens verweerder niet af aan het feit dat wel degelijk een ophoogcode op de kentekenplaat had moeten staan. Nog afgezien daarvan is op pagina 18 van het proces-verbaal voertuigidentificatie duidelijk te zien dat de lamineercode onregelmatig is aangebracht. Het had volgens verweerder op de

weg van verzoeker gelegen, helemaal als ondernemer zijnde in de automotive branche, om na te gaan of er geen onregelmatig- en/of onjuistheden te zien waren op de kentekenplaat. Indien hij dit had gedaan, had hij volgens verweerder direct kunnen zien dat de lamineercode onregelmatig is aangebracht. Ook dit is een indicatie dat sprake is van heling.

Verweerder merkt nog op dat het betreffende voertuig inderdaad is teruggegeven aan verzoeker, maar dat de valselijk gefabriceerde kentekenplaat, hetgeen verzoeker wordt tegengeworpen, niet is teruggegeven.

7. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 2:79 van de APV beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend toetst. Dit betekent dat de voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de openbare orde de sluiting van de inrichting vergt.

7.2.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van strijd met het fair play beginsel doordat verzoeker in eerste instantie geen inzage heeft gekregen in het proces-verbaal voertuigidentificatie, daarvan thans in ieder geval geen sprake is. Verzoeker heeft tijdens de voorlopige voorzieningsprocedure kennis genomen van het proces-verbaal en heeft daar uitvoerig op gereageerd. De voorzieningenrechter heeft daartoe het onderzoek heropend. Verweerder heeft daarop uitgebreid gereageerd.

7.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit kunnen baseren op de inhoud van de bestuurlijke rapportage en de daarbij gevoegde processen-verbaal. Niet gebleken is dat verweerder daarbij te lichtvaardig te werk is gegaan en zich op voorbarige conclusies heeft gebaseerd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom tot sluiting wordt overgegaan.

7.4.

De kanttekeningen die verzoeker heeft geplaatst bij de constateringen in de rapportage nemen niet weg dat in de inrichting voertuigen en onderdelen zijn aangetroffen die afkomstig zijn van diefstal. Verzoeker heeft dat in feite ook niet bestreden. Het betoog van verzoeker dat het hem niet kan worden tegengeworpen dat een aantal voertuigen en onderdelen van diefstal afkomstig zijn kan hem niet baten. Verzoeker is immers verantwoordelijk voor wat zich in zijn inrichting afspeelt en dient er ook actief op toe te zien dat in zijn inrichting geen gestolen goederen aanwezig zijn. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker hierin tekort schiet.

7.5

Verweerder heeft zich op grond van de door verzoeker in zijn reactie van 27 maart 2020 beschreven werkwijze ten aanzien van aanschaf van (tweedehands) voertuigen op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet voldoet aan zijn onderzoeksplicht. Het is de voorzieningenrechter opgevallen dat verzoeker in die beschrijving niet heeft vermeld dat hij via de website www.stopheling.nl controleert of een voertuig of onderdelen staan geregistreerd als gestolen. Zoals verweerder ook heeft geconstateerd blijkt uit de beschrijving van verzoekers werkwijze niet dat verzoeker zelf de voertuigen onderzoekt op echtheidskenmerken en onregelmatigheden. Van verzoeker mag dat binnen de branche waarin hij werkzaam is wel worden verwacht. De omstandigheid dat hij ervoor zorg draagt dat hij een kentekenbewijs en een factuur met omschrijving van het voertuig ontvangt is niet voldoende. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat voor zover voertuigen of onderdelen niet zijn eigendom zijn maar aan een ander toebehoren hem niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid er voor zorg te dragen dat in de inrichting geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen en onderdelen die afkomstig zijn van diefstal. Verzoeker dient de nodige maatregelen te nemen om dat te voorkomen. Niet gebleken is dat hij dat heeft gedaan.

7.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een dermate ernstige situatie dat sluiting van de inrichting noodzakelijk is. In de inrichting zijn gestolen voertuigen en onderdelen aangetroffen en verweerder heeft aannemelijk kunnen achten dat sprake is heling. Verweerder heeft bij sluiting kunnen betrekken dat heling veelal het gevolg is van woninginbraken, overvallen en straatroven, die grote impact hebben op de samenleving. Ter bescherming van de openbare orde is er belang bij om het doorverkopen van gestolen goederen zo moeilijk mogelijk te maken. De omstandigheid dat naast de bestuursrechtelijke procedure een strafrechtelijke procedure loopt doet aan het voorgaande niet af, nu in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt.

7.7.

Dat de sluiting grote financiële gevolgen voor verzoeker heeft is duidelijk. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen bijzondere omstandigheid op grond

waarvan verweerder in afwijking van zijn beleid van sluiting had moeten afzien. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang bij de sluiting van de inrichting dan het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure met de inkomsten van de inrichting in zijn levensonderhoud te kunnen (blijven) voorzien.

7.8.

Op zich kan verweerder op grond van de constateringen overgaan tot sluiting voor onbepaalde tijd. Of er omstandigheden aanwezig zijn om desondanks van sluiting voor onbepaalde tijd af te zien kan gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder bij uitstek in bezwaar aan de orde komen.

8. Gelet op vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De uitspraak is gedaan op 23 april 2020.

griffier voorzieningenrechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.