Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
NL20.15432
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, kwetsbaarheid, interim measures, geen redenen niet uitgaan interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15432

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] mede namens het minderjarige kind

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.15433, plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

  2. Eiseres voert primair aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder het belang van de pasgeboren zoon van eiseres en haar verloofde voorop heeft gesteld en dat de eenheid van het gezin na een eventuele overdracht zal worden gewaarborgd. Bij het

claimverzoek heeft verweerder geen melding gemaakt van de zwangerschap en aangegeven dat eiseres en haar verloofde hun relatie niet hebben onderbouwd. Er is geen toezegging van de Italiaanse autoriteiten dat de eenheid van het gezin zal worden gewaarborgd, te meer omdat het een fictief claimakkoord is. Bovendien bevat de brief van 8 januari 2019 geen specifieke informatie over de wijze waarop de opvang wordt vormgegeven en uit openbare bronnen, zoals uit pagina 116 van het AIDA Country Report Italy - Update 2019 (AIDA- rapport) blijkt dat de Italiaanse autoriteiten de eenheid van het gezin niet altijd respecteren. Eiseres voert verder aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van het asiel- en opvangsysteem waardoor overdracht in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres verwijst in dit verband naar de interim measures van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM), die duidelijk laten zien dat bij het EHRM twijfels zijn over de vraag of ten aanzien van Italië uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van de overdracht van kwetsbare vreemdelingen. Bovendien kunnen de interim measures ertoe leiden dat deze overdrachten niet meer plaats mogen vinden. Eiseres blijft er dan ook bij dat de zaak moet worden aangehouden totdat door het EHRM op de interim measures is beslist. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 16 juni 20201. Verder zijn de rechten uit artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest absolute rechten en mag verweerder bij schending van de richtlijnen niet overdragen en kan verweerder dus niet vragen dat eiseres bij schending moet klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Eiseres doet verder een beroep op het arrest Jawo en zij voert aan dat zij door de onverschilligheid van de Italiaanse overheid terecht zal komen in een toestand van verregaande materiële deprivatie. Eiseres voert in dit kader aan dat het haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet met documenten heeft onderbouwd dat zij, behoudens de eerste twee weken, geen opvang heeft gehad, omdat zij dergelijke documenten niet heeft ontvangen en rapporten haar bewering ook onderbouwen. Dat zij wel andere documenten heeft gehad doet hier niet aan af. Eiseres stelt zich in ieder geval op het standpunt dat haar kind en zij niet zonder individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten kunnen worden overgedragen. In het bijzonder stelt eiseres zich op het standpunt dat duidelijkheid moet worden verkregen omtrent de opgelegde zelfisolatie en of eiseres met haar partner en kind gedurende de eerste 14 dagen recht zouden hebben op opvang.

3. In zijn algemeenheid mag verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van onder meer 19 december 2018 en 12 juni 2019 en meer recent uit de uitspraken van 8 april 20202. De ABRvS heeft de uitspraken van 8 april 2020 bevestigd in de uitspraken van 5 augustus 20203. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. Eiseres is hier niet in geslaagd.

1 ECLI:NL:RBDHA:2020:7466.

2 ECLI:NL:RVS:2018:4131, ECLI:NL:RVS:2019:1861 en ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987.

3 ECLI:NL:RVS:2020:1850, ECLI:NL:RVS:2020:1847 en ECLI:NL:RVS:2020:1849

4. De informatie die eiseres heeft overgelegd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Italië. Het aangehaalde deel van het AIDA-rapport van juni 2020 dat betrekking heeft op opvang van gezinnen schetst geen ander beeld van de situatie dan die genoemd in het AIDA-rapport van het voorgaande jaar dat de ABRvS in de uitspraken van 8 april 2020 in de beoordeling heeft betrokken. Dit geldt ook ten aanzien van het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020. In deze uitspraken is de ABRvS tot het oordeel gekomen dat het niet aannemelijk is dat op dit moment sprake is van zo’n structurele verslechtering van de opvangomstandigheden dat Dublinclaimanten in Italië een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat in het geval van eiseres sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. De rechtbank overweegt echter dat uit de uitspraken van de ABRvS van 8 april 2020 blijkt dat ook in het geval van kwetsbare personen uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië en dat verweerder geen aanvullende garanties hoeft te vragen van de Italiaanse autoriteiten. De ABRvS is tot dit oordeel gekomen op basis van de circular letter van 8 januari 2019 en de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten aan het EHRM in de zaak F.O. en anderen4, waarbij de Italiaanse autoriteiten de in de circular letter van 8 januari 2019 gegeven garantie dat in alle gevallen de eenheid van het gezin wordt gewaarborgd hebben herhaald en hebben toegelicht hoe zij de toegang tot essentiële diensten in de opvangcentra waarborgen. Uit deze antwoorden blijkt ook dat er bijzondere opvangvoorzieningen zijn voor kwetsbare personen. Tot slot hebben de Italiaanse autoriteiten bevestigd dat alle onder de Dublinverordening aan hen overgedragen families met minderjarige kinderen opvang hebben gekregen in het door hen beschreven systeem. Verweerder hoeft dan ook geen aanvullende individuele garanties te vragen voor eiseres en haar kind.

6. Dat Nederland niet in het claimverzoek heeft aangegeven dat sprake is van een gezin en dat Italië nog niet op de hoogte zou zijn van de geboorte van het kind van eiseres en haar verloofde, maakt niet dat er wel aanvullende garanties gevraagd moeten worden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat voor een eventuele overdracht de Italiaanse autoriteiten van deze en andere van belang zijnde omstandigheden op de hoogte zullen worden gesteld. Ook het feit dat sprake is van een fictief claimakkoord maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank overweegt verder nog dat aanvullende garanties ook niet gevraagd hoeven te worden vanwege omstandigheden die het gevolg zijn van het coronavirus, zoals een eventuele quarantaine. Met het claimakkoord garandeert Italië dat na overdracht opvang en zorg voor eiseres en haar verloofde en kind aanwezig zal zijn.

7. Ook de door het EHRM getroffen interim measures leiden niet tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Italië. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 8 april 20205 geoordeeld dat de interim measures niet kunnen leiden tot het oordeel dat een vreemdeling bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De interim measures zijn niet gemotiveerd en het EHRM heeft niet toegelicht waarom de interim measures zijn opgelegd of verlengd, zodat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of deze betekenis heeft voor andere vreemdelingen en, zo ja,

4 F.O. tegen Nederland van 16 september 2019 (no. 48125/19).

5 ECLI:NL:RVS:2020:987.

welke betekenis dit zou kunnen zijn. De ABRvS heeft de uitspraken van 8 april 2020 over de betekenis van de interim measures nog eens bevestigd in de uitspraken van 5 augustus 2020. Gelet op deze uitspraken en de daarin meegewogen antwoorden van de Italiaanse autoriteiten, ziet de rechtbank (anders dan voor die uitspraken) geen aanleiding om de behandeling van het beroep in afwachting van de beslissing van het EHRM aan te houden en de voorlopige voorziening toe te wijzen. Over de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, overweegt de rechtbank dat deze uitspraak niet bindend is en dus ook niet tot een ander oordeel leidt.

8. Ook de persoonlijke omstandigheden van eiseres maken niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat niet in haar elementaire behoeftes is voorzien. Uit haar persoonlijk relaas blijkt dat zij in eerste instantie opvang heeft gehad. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar na twee weken opvang tegen de internationale verplichtingen in verdere opvang is onthouden. Uit haar persoonlijk relaas blijkt wel dat haar asielaanvraag in behandeling is genomen en dat zij hier ook een beslissing op heeft gekregen. Ten aanzien van de verwijzing van eiseres naar het arrest Jawo overweegt de rechtbank dat uit dit arrest blijkt dat er een hoge drempel van zwaarwegendheid bestaat voordat wordt aangenomen dat sprake is van een risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiseres heeft – mede gelet op het vorenstaande – niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval bij overdracht aan Italië sprake zal zijn van een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar zij, buiten haar wil en persoonlijke keuzes om, in terecht zal komen. Omdat geen sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, mag van eiseres worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen wendt tot de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiseres niet mogelijk is of dat klagen zinloos is.

9. Eiseres voert verder aan dat verweerder toepassing moet geven aan artikel 17 van de Dublinverordening, omdat de overdracht zou getuigen van een onevenredige hardheid gelet op de jarenlange klachten en zorgen over het Italiaanse asielstelsel, het gegeven dat eiseres als kwetsbare vreemdeling aangemerkt moet worden, de eerdere negatieve ervaringen en de omstandigheid dat het niet duidelijk is of de overdracht kan plaatsvinden vanwege de situatie met het coronavirus. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening aan de hand van alle feiten en omstandigheden een toets aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel moet plaatsvinden. Eiseres verwijst naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) K en A van 9 juli 2015 en C en A van 7 november 20186. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

10. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover nu van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. De Dublinverordening geeft geen regels over de toepassing en invulling van die bevoegdheid. Dit blijkt ook uit het arrest M.A7. Het is dus ter beoordeling aan de lidstaten of en hoe zij toepassing en invulling willen geven aan de hen toebedeelde discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de

6 ECLI:EU:C:2015:453 en ECLI:EU:C:2018:876.

7 HvJEU, 23 januari 2019, ECLI:NL:EU:C:2019:53.

Dublinverordening. Verweerder heeft de invulling van deze discretionaire bevoegdheid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire.

11. Verweerder heeft - anders dan eiseres stelt - alle door haar genoemde (persoonlijke) omstandigheden meegewogen in de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft in deze omstandigheden geen aanleiding gezien om de aanvraag onverplicht naar zich toe te trekken. Eiseres heeft niet nader gemotiveerd waarom de daaraan gewijde overwegingen onjuist zouden zijn. De door eiseres genoemde omstandigheden ook in samenhang bezien zijn niet dusdanig bijzonder dat verweerder niet in redelijkheid had mogen afzien van zijn in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid. De stelling van eiseres dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, is onvoldoende gemotiveerd. De door eiseres genoemde arresten hebben geen betrekking op de toepassing van de Dublinverordening en de gevolgen die daaruit voortvloeien.

12. De omstandigheden omtrent het coronavirus maken ook niet dat verweerder anders had moeten beslissen. De ABRvS heeft in de uitspraak van 8 april 20208 geoordeeld dat de omstandigheid dat niet kan worden overgedragen vanwege de gevolgen van het coronavirus een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit doet niet af aan de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

8 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

21 september 2020

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.