Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14530

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
NL20.18457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afgewezen asielaanvraag - Afghaanse vrouw - relaas ongeloofwaardig geacht - geen alleenstaande Afghaanse vrouw - 15c Definitierichtlijn - 8 EVRM - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18457


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).


Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S.T. Shah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979. Ze heeft aan haar asielrelaas ten grondslag gelegd dat ze problemen heeft met haar ex-man, een commandant bij de Taliban. Ze was aan hem uitgehuwelijkt. Hij heeft haar gedurende een huwelijk van twintig jaar veel mishandeld. Uiteindelijk is hij mondeling van haar gescheiden volgens de islamitische tradities. Hij heeft haar toen vier tot zes jaar geleden gebracht naar haar ouders. Hij oefende hierna nog veel macht op haar en haar familie uit en wilde niet dat ze ging hertrouwen. Ongeveer anderhalf jaar geleden is eiseres getrouwd met een Afghaanse man die in Nederland woont. Met een visum is eiseres Nederland binnen gereisd. Toen ze op het punt stond om terug te gaan naar Afghanistan werd ze gebeld door haar ouders. Haar ex-man was er achter gekomen dat ze hertrouwd was en heeft haar bedreigd met de dood. Op advies van haar advocaat heeft eiseres toen asiel aangevraagd.

2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 Identiteit, nationaliteit en herkomst;

 Problemen met ex-man vanwege haar huidige huwelijk.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het eerste element heeft verweerder geloofwaardig geacht. Het tweede element heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres niet als alleenstaande vrouw in Afghanistan in de zin van het beleid wordt gezien, waardoor zij ook op die grond niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Ook heeft verweerder gesteld dat de situatie in Afghanistan niet zodanig ernstig is dat er sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn. Tot slot vindt verweerder dat eiseres ook niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Asielrelaas

3. Eiseres voert aan dat verweerder haar asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De kern van haar asielrelaas betreft haar leven als een gedwongen uitgehuwelijkte Afghaanse vrouw, en de gevolgen van de verstoting voor haar en haar familieleden. Verweerder had dit in de beoordeling als apart element moeten beschouwen. In plaats daarvan heeft verweerder het slechts zijdelings in het andere element aan de orde gesteld en hier ook in het gehoor weinig vragen over gesteld. Over de gang van zaken tijdens het gehoor heeft eiseres ook een klacht ingediend. Verder stelt eiseres dat verweerder te weinig rekening houdt met het feit dat de omstandigheden in Afghanistan anders zijn dan in Nederland, bijvoorbeeld op het punt van huwelijken en scheidingen en de positie van alleenstaande vrouwen. De situatie van eiseres in haar huwelijk was zeer precair, afhankelijk en ondergeschikt, en daarom kan niet van haar verwacht worden dat zij allerlei documenten ter onderbouwing hiervan overlegt, of dat zij veel details kan vertellen over haar ex-man. Haar verhaal past ook in de algemene informatie over Afghanistan.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Niet ten onrechte heeft verweerder hieruit naast de identiteit ook als relevant element aangemerkt de problemen met de ex-man vanwege het huidige huwelijk. Eiseres heeft immers verklaard dat de bedreigingen van deze ex-man voor haar de enige en directe aanleiding waren om niet terug te keren naar Afghanistan (toen zij bij haar huidige man in Nederland op bezoek was). De overwegingen over dit element bevatten ook het oordeel over (de geloofwaardigheid van) het eerste gedwongen huwelijk, de echtscheiding/verstoting en de gevolgen hiervan voor eiseres en haar familie. De benoeming van dit element maakt als zodanig nog niet dat verweerders besluitvorming inhoudelijk tekortschiet omdat het aan de kern van het relaas van eiseres voorbij zou gaan.

Het feit dat eiseres zich onvoldoende gehoord voelt over haar eerste huwelijk maakt dit niet anders omdat ze heeft verteld dat ze wegens de huidige gestelde bedreigingen niet naar Afghanistan terug kan. Verweerder heeft daarop dan ook terecht de nadruk gelegd. De rechtbank ziet hierin of in (de wijze van) het horen van eiseres geen zorgvuldigheidsgebrek.

5. Dat eiseres benadrukt dat haar relaas past in hetgeen bekend is over vrouwen die verstoten zijn in Afghanistan, maakt dit als zodanig niet anders. Weliswaar zijn de vraagtekens die door verweerder worden geplaatst bij de beweegredenen van de ex-man om van eiseres te scheiden maar haar desondanks in zijn macht te houden, door verweerder niet kenbaar gerelateerd aan hetgeen bekend is over eergerelateerd geweld, maar ook als hiervan en van de ondergeschikte en afhankelijke rol van vrouwen in Afghanistan wordt uitgegaan, dient verweerder het individuele relaas van eiseres op de eigen merites te beoordelen omdat de hoedanigheid van verstoten vrouw geen prima facie vluchtelingschap oplevert. Verweerder heeft zich in beginsel dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het relaas van eiseres uit haar individuele verklaringen aannemelijk moet worden. Dit ook omdat zij het relaas, wat betreft het gedwongen huwelijk, de gestelde slavernij tijdens het huwelijk en de bedreigingen na het huwelijk, nergens met (indicatieve) documenten heeft onderbouwd. Verweerder mocht van eiseres derhalve gedetailleerde en overtuigende verklaringen verwachten.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen hieraan niet voldoen en niet aannemelijk zijn. Zo heeft verweerder de verklaring dat eiseres alleen de voornaam van haar ex-man kent summier mogen vinden. Weliswaar kent de vrouw een achtergestelde positie, voornamelijk binnenshuis, maar omdat de wederzijdse families elkaar al kenden en bij elkaar kwamen, en na circa 20 jaar huwelijk, waarbinnen drie kinderen zijn geboren en waarbij men in één huis heeft gewoond, mocht verweerder meer dan alleen een voornaam van de ex-man verwachten.

Verder heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat de verklaringen dat de familie van eiseres niet wist dat de ex-man bij de Taliban zat en hoe zij erachter kwam dat hij commandant was bij de Taliban, respectievelijk ongerijmd en tegenstrijdig zijn. De families waarbinnen zij stelt te zijn uitgehuwelijkt kenden elkaar immers al lang. Er bestond een familieband, men ging bij elkaar op bezoek, er werd onderling gepraat en de ex-man had een functie van commandant binnen de Taliban. Verweerder mag hieruit concluderen dat het ongerijmd is dat over de achtergrond van de ex-man in het geheel niets bekend was bij de familie. Eiseres stelt dat zij tijdens het huwelijk pas achter zijn activiteiten voor de Taliban kwam. Zij zegt dat zij dit thuis gehoord heeft toen hij met een groep mannen bij hun thuis kwam (pagina 8 van het nader gehoor), maar ermee geconfronteerd dat zij niet in de buurt van bezoek mocht komen, zegt zij dat zij het via de kinderen heeft gehoord (pagina 12), waarna zij in de correcties en aanvullingen verklaart dat zij haar man zelf commandant [A] heeft horen noemen. Verweerder heeft mogen oordelen dat dergelijke verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, ook omdat het op geen enkele manier is onderbouwd.

Ook als ervan uit zou worden gegaan dat de moeite die de ex-man doet om eiseres te isoleren, past in de traditionele Afghaanse mores (dat eiseres is verstoten omdat de tweede vrouw dat als voorwaarde stelt, maar dat eiseres wel nog door hem in de gaten moet worden gehouden), heeft verweerder het merkwaardig mogen achten dat nadat eiseres bij haar ouders was achtergelaten en het huis door de ex-man in de gaten werd gehouden om te voorkomen dat zij de deur uitgaat en hertrouwt, zij juist in die ouderlijke woning opnieuw trouwt. Het is in overeenstemming met de achtergrondinformatie dat een verstoten vrouw weer onder het gezag van de vader valt en dat de vader van eiseres bepaalt waar en met wie getrouwd wordt. Maar omdat het huis in de gaten werd gehouden door de ex-man, de broer van eiseres door de ex-man al zou zijn vermoord omdat hij weerwoord bood aan de ex-man en het dus extreem gevaarlijk was om niet naar hem te luisteren, mocht verweerder vraagtekens plaatsen bij het genomen risico om het huwelijk juist in dit huis te laten plaatsvinden. Dit te meer omdat eiseres wel in staat was om (begeleid door een man) de deur uit te gaan en meerdere keren (lang) buitenshuis was. Zo is ze ook in het buitenland geweest, onder andere om een paspoort en visum aan te vragen om naar Nederland te kunnen gaan. Gelet op deze situatie kon verweerder dit onderdeel in het relaas van eiseres merkwaardig vinden; het doet niet alleen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring dat het tweede huwelijk daar onder extreem gevaarlijke omstandigheden plaatsvond, maar ook aan de geloofwaardigheid van de verklaringen dat het huis van de vader door de ex-man in de gaten werd gehouden. Ook de omstandigheid dat eiseres sinds begin 2020 overwegend niet meer thuis maar maandenlang in Pakistan was en hieruit kennelijk geen problemen zijn voortgevloeid, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring dat het huis door de ex-man daadwerkelijk werd bespied en aan de gestelde dreigementen van de ex-man om te bewerkstelligen dat eiseres binnen moest blijven en niet mocht hertrouwen. Niet is immers gebleken dat de ex-man in de tussentijd nog iets van zich liet horen. De gestelde dreigementen zijn ook niet in overeenstemming met de verklaringen van eiseres dat zij na het bezoek aan haar echtgenoot in Nederland wilde terugkeren naar Afghanistan. Deze laatste verklaringen stroken ook niet met de verklaring dat eiseres vanuit Pakistan al niet meer terug kon naar Afghanistan omdat dat te gevaarlijk zou zijn. Gelet op het voorgaande en haar lange periode van afwezigheid hoefde verweerder ook niet aannemelijk te achten dat de ex-man juist tijdens haar verblijf in Nederland erachter was gekomen dat zij was vertrokken. Ook dit is op geen enkele wijze onderbouwd en heeft verweerder niet overtuigend hoeven vinden.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder de kern van het asielrelaas, te weten de gestelde problemen van de zijde van de ex-echtgenoot, niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft bevonden.

Alleenstaande Afghaanse vrouw

7. Eiseres betoogt daarnaast dat verweerder haar ten onrechte niet als alleenstaande Afghaanse vrouw in de zin van het beleid heeft aangemerkt. Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder ten onrechte niet haar asielrelaas als uitgangspunt genomen, en is verweerder ook niet ingegaan op de kwetsbare positie waarin Afghaanse vrouwen zich bevinden. Verweerder had dan ook een asielvergunning op deze grond moeten verlenen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet als een alleenstaande Afghaanse vrouw in de zin van het beleid aan heeft hoeven merken. Op grond van paragraaf C7/2.4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleent verweerder een asielvergunning aan een alleenstaande vrouw in Afghanistan. Bij de beoordeling of hiervan sprake is wordt in ieder geval meegewogen of de vrouw een echtgenoot heeft in Afghanistan met wie zij kan gaan samenleven, en of de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld. Verweerder heeft in de beoordeling mee mogen nemen dat eiseres getrouwd is met een man met een Afghaans paspoort. Zij zou dus samen met haar man in Afghanistan kunnen wonen. Dat deze man dat zelf niet zou willen omdat hij al jarenlang in Nederland woont, is geen omstandigheid op grond waarvan niet meer aan deze voorwaarde wordt voldaan. Voldoende is dat het voor haar man mogelijk is om met haar in Afghanistan te gaan wonen. Ook de stelling van eiseres dat zij en haar echtgenoot niet samen in Afghanistan zouden kunnen wonen vanwege bedreigingen van haar ex-man, had niet tot een ander oordeel van verweerder hoeven leiden. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres waarin dit aspect centraal stond immers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft verder van belang mogen achten dat niet is gebleken dat de gezinsband van eiseres met haar ouderlijk gezin is verbroken. Uit de verklaringen van eiseres blijkt immers dat zij de afgelopen jaren bij haar ouders heeft gewoond. De stelling van eiseres dat zij hier slechts kon wonen omdat haar ex-man dit toestond, wat nu niet meer het geval is, heeft verweerder niet hoeven volgen, omdat deze stelling wederom samenhangt met haar asielrelaas, dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft eiseres daarom geen asielvergunning hoeven verlenen op de grond dat zij alleenstaande Afghaanse vrouw zou zijn.

Artikel 15c van de Definitierichtlijn

9. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar geen asielvergunning toekomt op grond van artikel 15c van de Definitierichtlijn (een zogenaamde 15c-situatie). Volgens eiseres is de situatie in Afghanistan dermate verslechterd dat zij louter door haar aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Zij heeft hiertoe onder meer verwezen naar een rapport van UNAMA van 27 juni 2020 en een rapport van EASO van 28 september 2020. Hieruit volgt volgens eiseres dat er sprake is van een piek van het geweld in Afghanistan.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn. De rechtbank benadrukt dat de lat hiervoor hoog ligt, nu de vraag is of iemand louter door zijn aanwezigheid in Afghanistan al een risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Op 1 juli 2019 is in een brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer (kenmerk 2507, 19 637) geconcludeerd dat geen sprake is van een 15c-situatie. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4200) bevestigd dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan in de beoordelingsperiode tot en met 30 september 2019 weliswaar is verslechterd ten opzichte van juni 2018, het eindpunt van de verslagperiode waarover de eerdere uitspraak van de Afdeling over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ging, maar dat de veiligheidssituatie niet in alle provincies even ernstig is en het geweld niet overal even wijdverbreid is. Ook is het aantal burgerslachtoffers en ontheemden – hoewel zorgwekkend – gelet op het totale inwonersaantal van Afghanistan niet zo hoog dat alleen al daarom moet worden gesproken van een 15c-situatie en is er nog altijd een basale veiligheidsstructuur aanwezig. De door eiseres ingebrachte rapporten geven geen wezenlijk ander beeld van de situatie, omdat zij geen eenduidig beeld scheppen. In het rapport van UNAMA staat immers dat het aantal burgerlijke slachtoffers in de eerste helft van 2020 met 13 procent is gedaald ten opzichte van vorig jaar en zelfs het laagste aantal heeft sinds 2012. Het rapport van EASO beschrijft het conflict als een van de dodelijkste ter wereld voor burgers en geeft pieken en dalen in het geweld aan, maar geeft ook geen eenduidig beeld over de vraag of de situatie nou wezenlijk is verslechterd sinds de uitspraak van de ABRvS. De overgelegde rapporten leiden daarom niet tot het oordeel dat eiseres door willekeurig geweld een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM als zij zich in Afghanistan bevindt.

Artikel 8 van het EVRM

11. Eiseres betoogt tot slot dat zij ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres oefent familieleven uit met haar huidige echtgenoot in Nederland. De belangenafweging die bij artikel 8 van het EVRM gemaakt moet worden dient in haar voordeel uit te vallen, met name omdat er voor haar en haar echtgenoot een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Zij lopen immers gevaar in Afghanistan door de bedreigingen van haar ex-man, en bovendien is haar echtgenoot Nederlander en wonen zijn kinderen ook hier. Verder heeft eiseres gesteld dat verweerder haar had moeten horen over deze objectieve belemmeringen in het nader gehoor, met name omdat de gemachtigde van eiseres hier nog specifiek om heeft verzocht.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres en haar echtgenoot wel familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM uitoefenen, maar dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiseres uitvalt. Hierbij heeft verweerder terecht meegewogen dat er geen sprake is van inmenging omdat eiseres nooit eerder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad. Zij is pas heel kort in Nederland, sinds juli 2020. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Eiseres woonde bij haar ouders in Afghanistan en kon zich daar staande houden. Dat zij niet meer terug kan omdat zij door haar ex-man wordt bedreigd is niet aannemelijk geworden. Haar huidige echtgenoot heeft naast de Nederlandse ook de Afghaanse nationaliteit en is geen erkend vluchteling. Hierdoor is het voor hem en eiseres mogelijk om gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Dat de man van eiseres niet mee terug wil naar Afghanistan gelet op zijn leven hier in Nederland staat hier niet aan in de weg. Als verweerder dat zou moeten volgen, zou dat neerkomen op het gedwongen volgen van een domiciliekeuze en dat hoeft verweerder niet te doen. Gelet op de korte periode die eiseres hier is en het ontbreken van een objectieve belemmering mocht verweerder het Nederlands belang bij een restrictief beleid zwaarder laten wegen. De rechtbank ziet verder geen reden voor het oordeel dat verweerder eiseres nader had moeten horen over deze objectieve belemmeringen. De omstandigheden rondom het huidige huwelijk van eiseres zijn naar voren gekomen in het nader gehoor en zijn meegewogen in de beoordeling. Eiseres heeft in beroep geen omstandigheden gesteld die hierbij niet zijn meegewogen of onderbelicht zijn gebleven. Hierbij overweegt de rechtbank nogmaals dat de stelling van eiseres dat zij en haar echtgenoot gevaar zouden lopen in Afghanistan door de bedreigingen van haar ex-man, door verweerder al bij het asielrelaas is beoordeeld en niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden.

Conclusie

13. De rechtbank concludeert dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel terecht is afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geen asielvergunning hoeven te verlenen op de grond dat eiseres een alleenstaande Afghaanse vrouw zou zijn, of dat er sprake zou zijn van een 15c-situatie. Tot slot heeft verweerder aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM hoeven te verlenen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid vanmr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt op rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.