Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14529

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
NL20.18576
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag niet-ontvankelijk vanwege internationale bescherming Bulgarije - interstatelijk vertrouwensbeginsel - geen met art. 3 EVRM strjidige situatie - homoseksuele geaardheid - integratiebeleid Bulgarije - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18576


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).


Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18577, plaatsgevonden op 5 november 2020 via een Skype-verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Jawad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is van Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Sinds 31 oktober 2013 geniet eiser internationale bescherming in Bulgarije. In de tussentijd heeft eiser ook nog in Duitsland en in België een aanvraag gedaan voor internationale bescherming. Deze aanvragen zijn niet ingewilligd. Op 29 juli 2020 heeft eiser in Nederland een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel.

2. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op eiser van toepassing is, omdat hij in Bulgarije internationale bescherming geniet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt en dat daarom niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft gesteld dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid slachtoffer is geworden van mishandeling en verkrachting, maar hij heeft niet onderbouwd dat hij hierover bij de Bulgaarse autoriteiten heeft geklaagd, danwel dat dit klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn. Ook is niet gebleken dat eiser zijn rechten met betrekking tot huisvesting en werk niet heeft kunnen effectueren.

Behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM

3. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije zal worden behandeld in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is vanwege zijn homoseksuele geaardheid mishandeld en verkracht in Bulgarije. Hij heeft hierover bij de politie geklaagd maar dit heeft hem niet geholpen. Klagen bij een andere autoriteit is vanwege zijn geaardheid op voorhand zinloos omdat de autoriteiten niet handhaven in dit soort zaken. Eiser verwijst hiertoe onder andere naar het jaarrapport van Amnesty International van 2019 en het mensenrechtenrapport van US Department of State van 11 maart 2020. Ook wijst eiser er op dat het voor hem in Bulgarije onmogelijk is om gezinshereniging aan te vragen met zijn partner, omdat het homohuwelijk in Bulgarije niet is toegestaan. Daarnaast stelt eiser dat er in Bulgarije sprake is van een Zero-integration beleid dat in strijd is met hoofdstuk 7 van de Kwalificatierichtlijn. Daardoor kunnen statushouders nauwelijks een beroep doen op basale, sociale, arbeids- en gezondheidsrechten. Er is dan ook sprake van een situatie van ernstige materiële deprivatie, die strijdig is met de menselijke waardigheid. Omdat er sprake is van bewust beleid van de autoriteiten is het op voorhand duidelijk dat bescherming vragen bij de autoriteiten zinledig is. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser onder andere verwezen naar een rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 30 augustus 2019, een rapport van ECRE over huisvesting voor statushouders van 2019, een Factsheet over Bulgarije van de UNHCR van september 2019 en een rapport van bordermonitoring.eu over Bulgarije van juni 2020. Eiser heeft hierbij nog gewezen op een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch,1 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit mag gaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleven. Dit brengt ook met zich mee dat ervan uit wordt gegaan dat eiser over een schending van artikel 3 EVRM in Bulgarije kan klagen en bescherming kan inroepen. Ook wordt ervan uitgegaan dat eiser zijn rechten met betrekking tot onder meer huisvesting, werk en gezondheidszorg in Bulgarije kan effectueren. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen waarmee deze presumptie wordt weerlegd.

5. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in een uitspraak van 7 augustus 20172 geoordeeld dat verweerder met betrekking tot Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarnaast heeft de ABRvS in een uitspraak van 30 mei 2018,3 en in uitspraken van 28 augustus 20194 over de positie van statushouders in Bulgarije overwogen dat de feitelijke situatie voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Het is voor hen moeilijk om betaald werk te vinden en er bestaan wat betreft de toegang tot onderwijs en de gezondheidszorg barrières. Volgens de ABRvS is de situatie voor statushouders in Bulgarije echter niet zo slecht dat een reëel risico bestaat dat de vreemdelingen bij terugkeer in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht zullen komen. Daarbij heeft de ABRvS betrokken dat de ingebrachte landeninformatie weliswaar melding maakt van politiegeweld, vreemdelingenhaat en racistisch geweld, onder andere gericht tegen asielzoekers en statushouders, maar dat niet blijkt dat dergelijke incidenten in het geheel niet worden vervolgd. Verder acht de ABRvS van belang dat de Bulgaarse autoriteiten in 2017 een nieuwe integratieverordening hebben aangenomen en financiële middelen beschikbaar hebben gesteld om de toegang van statushouders tot integratievoorzieningen te waarborgen.

6. Eiser heeft verklaard dat hij bij een aantal instanties heeft geklaagd over zijn mishandeling en verkrachting, over zijn financiële situatie en over zijn problemen met het vinden van werk. Hij heeft deze klachten (bij politie, immigratiedienst en Rode Kruis) echter niet met stukken onderbouwd. Dat onderbouwing niet mogelijk is omdat er nooit schriftelijke bewijzen worden meegegeven bij dit soort klachten heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht stelt dat van eiser mag worden verlangd dat hij in Bulgarije de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf effectueert en bij (dreigende) problemen bescherming of hulp kan inroepen van de (hogere) autoriteiten of van de geëigende instanties. Uit de verklaringen van eiser volgt niet dat hij alles in het werk heeft gesteld om zich over zijn problemen te beklagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat klagen bij andere instanties dan hij tot nu toe heeft gedaan zinloos is. De rechtbank is van oordeel dat hier niet van gebleken is. De informatie over de integratiemogelijkheden waar eiser naar heeft verwezen geeft geen wezenlijk ander beeld dan door de ABRvS in de uitspraken in 2018 en 2019 is geschetst. Hieruit kan dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat het voor eiser onmogelijk is om zijn rechten in Bulgarije te effectueren en dat er daartoe niets voor hem mogelijk is. Hoewel hieruit volgt dat de positie van statushouders in Bulgarije moeilijk is, blijkt hieruit niet dat de situatie zo slecht is dat eiser in Bulgarije zal komen te verkeren in een situatie van verregaande materiële deprivatie voor wat betreft de meest elementaire levensbehoeften en dus in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie. Daarbij is ook van belang dat het individuele verhaal van eiser hier ook niet op wijst. Eiser is in Bulgarije immers in het bezit geweest van een identiteitsbewijs, hij heeft onderdak gehad (in een hostel) en hij heeft medische zorg gehad. Ook heeft hij in zijn gehoor verklaard dat hij op verschillende plaatsen heeft gewerkt. Eiser heeft zich dus wel staande kunnen houden. De situatie van eiser is dan ook niet vergelijkbaar met die waarover de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch gaat.5 Dat hij zou hebben betaald voor het gebruik maken van een adres maakt dat niet anders. Dat hij zwart zou hebben gewerkt ook niet. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij niet naar een uitzendbureau is gegaan omdat ook Bulgaren daar geen werk krijgen. Dit duidt erop dat het ook voor Bulgaren moeilijk is om werk te vinden maar dat eiser ook de mogelijkheid had om zich daar in te schrijven. Hoe dan ook, ondanks de problemen heeft eiser in zijn levensonderhoud kunnen voorzien.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat het ook zinloos is om in Bulgarije te klagen over de mishandelingen en verkrachting waar hij vanwege zijn geaardheid stelt slachtoffer van te zijn geworden, overweegt de rechtbank dat uit de rapporten waar eiser in dit kader naar heeft verwezen ook niet volgt dat het voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Weliswaar blijkt uit de rapporten dat de situatie voor statushouders met een homoseksuele geaardheid niet gemakkelijk is, maar de rechtbank kan hier niet uit afleiden dat het voor eiser bij voorbaat kansloos is om hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd met stukken. Ook heeft hij geen gedetailleerde verklaringen overgelegd op grond waarvan zijn individuele relaas aannemelijk is. De stelling van eiser dat hij in Bulgarije geen gezinshereniging kan aanvragen voor hem en zijn partner is onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft immers niet expliciet aangegeven om wie het gaat en evenmin onderbouwd dat hij in Syrië een partner had die hij naar Bulgarije zou willen laten overkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen de door eiser naar voren gebrachte feiten, omstandigheden en informatie voldoende in zijn beoordeling betrokken en heeft hij op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen.

Medische situatie van eiser

7. Eiser betoogt voorts dat er door overdracht aan Bulgarije een reëel risico is op suïcidaliteit. Eiser heeft objectieve gegevens, te weten een document van een Duitse psychiater van mei 2020 en een verklaring van een Duitse instelling van 24 juli 2020, overgelegd, waaruit blijkt dat dit risico aanwezig is. Dat eiser daarvoor nu niet onder behandeling staat, staat hier niet aan in de weg. Verweerder dient zich dan ook van dit risico te vergewissen. Dit moet volgens eiser als een beroep op artikel 3 van het EVRM worden gezien, en niet als een beroep op artikel 64 van de Vw.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van zodanige psychische problemen dat verweerder hier onderzoek naar had moeten doen in het kader van artikel 3 van het EVRM. Eiser is momenteel immers niet in behandeling en uit de overgelegde stukken blijkt niet dat thans sprake is van zware psychische problemen. Daar komt bij dat verweerder bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag geen beoordeling hoeft te maken als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië,6 omdat een beroep op dat arrest niet kan leiden tot een asielvergunning.7 Verweerder hoeft in zo’n geval dus niet te beoordelen of het risico bestaat dat de overdracht of uitzetting van de betrokken vreemdeling aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor diens gezondheid zal hebben en welke voorzorgsmaatregelen nodig zijn om die gevolgen te voorkomen.

Conclusie

9. De rechtbank concludeert dat verweerder de asielaanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser geniet namelijk internationale bescherming in Bulgarije en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid vanmr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt op rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, 19 oktober 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:10437).

2 ABRvS 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2017:2123).

3 ABRvS 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1792).

4 ABRvS 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2959, ECLI:NL:RVS:2019:2960 en ECLI:NL:RVS:2019:2961).

5 Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, 19 oktober 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:10437).

6 Hof van Justitie van de Europese Unie 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127).

7 ABRvS 13 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1203).