Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
NL20.15562
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, geen rechtmatig verblijf, gronden niet betwist, lichter middel, verblijf bij ernstig zieke vriendin, mantelzorg, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15562

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw J.J. van Ravesteijn-Prins. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Amerikaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1977] .

De bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht

1Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden van de maatregel niet heeft bestreden.

Lichter middel

4. Eiser voert aan dat een lichter middel dan bewaring kan worden toegepast. Eiser stelt dat hij bij zijn partner Patricia kan verblijven onder oplegging van een meldplicht. Zij is ernstig ziek en eiser is haar enige beschikbare mantelzorger. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een verklaring van zijn partner overgelegd. Gelet op het voorgaande is er geen enkele reden om aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.3 Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en verweerder hoefde geen lichter middel toe te passen. De overgelegde verklaring van de partner van eiser doet niet af in dit oordeel van de rechtbank. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser in Nederland voor zijn partner wil zorgen, heeft hij hier geen rechtmatig verblijf en rust op hem een vertrekplicht. Aan eiser is op 6 december 2014 een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd en tot op heden heeft eiser hier niet aan voldaan. Daarnaast kan de partner van eiser ook een beroep doen op de reguliere zorg in Nederland. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit anders blijkt. Verder stelt eiser dat hij bij zijn partner kan verblijven, maar dan nog is geen sprake van een vaste woon- of verblijfplaats. Eiser staat namelijk niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Verweerder heeft in dit verband gemotiveerd dat er ook voldoende (onbetwiste) gronden aanwezig zijn om de inbewaringstelling te rechtsvaardigen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat een lichter middel niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 Onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

28 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.