Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14501

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
NL20.5363
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig - uitspraak buiten zitting - besluit genomen - beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5363

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Yousef), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J. de Volder).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

  2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.

  3. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eiser. In zijn verweerschrift van 8 mei 2020 geeft verweerder dit ook aan. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 29 januari 2020 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Verweerder heeft echter op 1 juli 2020 alsnog een besluit genomen. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of eiser nog een belang heeft bij zijn beroep. Door het nemen van het besluit op de aanvraag van eiser, heeft eiser bereikt wat hij met zijn beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon bereiken. Dat betekent dat het belang bij een uitspraak van de rechter, het zogenoemde procesbelang, niet langer bestaat en het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. In het besluit van 1 juli 2020 heeft verweerder de aanvraag eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend met ingang van 3 juli 2019, geldig tot 3 juli 2024. Verder is aan eiser een dwangsom toegekend van € 992,-. De rechtbank heeft eiser bij brief van 21 juli 2020 in de gelegenheid gesteld om te berichten of hij het eens is met dit besluit. Hierbij is vermeld dat als eiser het niet eens is met het besluit, hij de gelegenheid heeft om uiterlijk op 4 augustus 2020 uit te leggen waarom hij het hier niet mee eens is. Eiser heeft hier tot op heden niet op gereageerd.

6. Nu eiser geen gronden heeft ingediend tegen de door verweerder verleende vergunning of de vastgestelde hoogte van de dwangsom, neemt de rechtbank aan dat het alsnog genomen besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank zal dit besluit daarom verder onbesproken laten.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van

L.S. Lodder, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

27 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.