Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14493

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/4570
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv, middelen van bestaan, gefingeerd dienstverband, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1997, van Afghaanse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

1. De heer [A] (hierna: referent) heeft op 16 mei 2019 voor eiseres een aanvraag om een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) ingediend met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. Bij besluit van 18 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.1.

Bij besluit van 28 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

1.2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 8 september 2020. Referent was op de zitting aanwezig met de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste: Hij beschikt niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan.

3. Referent heeft bij de aanvraag om een mvv, voor zover van belang, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [onderneming 1] voor 38 uur per week als verkoopmedewerker vanaf 1 maart 2019, overgelegd. Ook heeft referent een werkgeversverklaring en loonstroken van maart, april en mei 2019 ingeleverd, waaruit blijkt dat zijn netto maandsalaris € 1.561,29 bedraagt. Op 19 juni 2019 heeft referent aan verweerder doorgegeven dat hij op maandag tot en met vrijdag voor gemiddeld 7,6 uur per dag bij [onderneming 1] werkt. Verder heeft referent bankafschriften ingeleverd over de periode van 1 maart 2019 tot en met 19 juni 2019.

4. Op grond van de door referent ingebrachte stukken is bij verweerder twijfel ontstaan over de echtheid van het dienstverband met [onderneming 1] . Aanleiding hiervoor was dat de bedragen op de bankafschriften niet overeen komen met het bedrag dat als salaris op de loonstroken van referent staat. Verder staat op de loonstroken dat de loonbetaling via kasadministratie plaatsvindt, wat sinds 1 januari 2015 niet meer is toegestaan. De twijfel aan de echtheid van het dienstverband was verder ingegeven door het feit dat op de bankafschriften te zien is dat referent studiefinanciering ontvangt en dat er maandelijks een bedrag van € 417,49 door [onderneming 2] wordt bijgeschreven met als omschrijving ‘salaris’. Verder is uit Suwinet gebleken dat de gewerkte uren volgens de loonstroken niet overeenkomen met de uren die [onderneming 1] vanaf maart 2019 aan referent heeft verloond. Ook blijkt uit Suwinet dat referent vanaf februari 2019 tot en met juli 2019 elke maand 132 uur heeft gewerkt bij [onderneming 2] .

5. Deze twijfel aan de echtheid van het dienstverband bij [onderneming 1] was voor verweerder aanleiding om de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) te vragen een onderzoek te doen naar dit dienstverband. De bevindingen van dit onderzoek staan in een rapport van 14 november 2019 (het inspectierapport).

6. Verweerder heeft de bevindingen van het inspectierapport ten grondslag gelegd aan zijn besluitvorming. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband heeft verweerder er op gewezen dat in het inspectierapport staat dat [onderneming 1] tijdens de werkcontrole van SZW op 22 augustus 2019 heeft verklaard dat referent van maandag tot en met vrijdag van 10.00 uur tot 18.00 uur werkt en donderdagavond tot 21.00 uur, wat niet overeenkomt met de eigen opgave van referent dat hij maandag tot en met vrijdag gemiddeld 7,6 uur per dag werkt. Verder heeft [onderneming 1] verklaard dat referent wel eens overwerkt, tot dan toe twee of drie keer op zaterdag. Uit de door [onderneming 1] ingeleverde urenregistratie blijkt echter dat in de periode van 1 maart 2019 tot en met 23 augustus 2019 geen arbeidsuren op zaterdagen staan genoteerd. Verder is referent tijdens de op 22 augustus 2019 uitgevoerde werkcontrole bij [onderneming 1] op 22 augustus 2019 niet werkend aangetroffen. Volgens [onderneming 1] had hij zich een dag eerder ziek gemeld. Echter, bij een bezoek aan [onderneming 2] op 18 september 2019, waar referent volgens de HR-manager werkzaam is op grond van een stageovereenkomst voor 30,4 uur per week, is uit de urenregistratie gebleken dat referent op 21 en 22 augustus 2019 bij [onderneming 2] heeft gewerkt. Uit de urenregistratie van [onderneming 2] blijkt dat referent daar in de periode van 29 januari 2019 tot en met 22 augustus 2019 doorgaans van dinsdag tot en met vrijdag van 7.30 uur tot wisselende tijdstippen in de middag werkzaam was. [onderneming 2] heeft referent vanaf februari 2019 voor 132 uur per maand verloond. Eén en ander zou betekenen dat referent vanaf maart 2019 tot en met juli 2019 elke maand 297 uur zou hebben gewerkt, wat volgens verweerder niet aannemelijk is en in strijd met de Arbeidstijdenwet. Verder blijkt uit het inspectierapport dat [onderneming 1] heeft verklaard dat referent zijn salaris via de bank krijgt, maar soms ook een deel via de bank en een deel cash. Het verschil tussen het bedrag dat referent per bank heeft gekregen en het nettobedrag op de loonstrook zou het bedrag zijn wat referent contant heeft gekregen. [onderneming 1] heeft verder verklaard dat hij referent hiervan twee of drie keer een kwitantie gegeven. De boekhouder van [onderneming 1] heeft verklaard dat de kwitantie van juli 2019 een voorschot was op het salaris van juli 2019. Maar op de enige door [onderneming 1] overgelegde kwitantie van 1 juli 2019 staat dat het bedrag van € 383,29 een restant is van het salaris over de maand juni 2019, zodat sprake is van tegenstrijdigheden. [onderneming 1] heeft verder verklaard dat referent 11 of 12 cent per kilometer onkostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontvangt, maar dit blijkt niet uit de loonstroken.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op basis van het inspectierapport op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een gefingeerd dienstverband omdat dit helemaal niet de conclusie is van dat rapport. Veel van de geconstateerde tegenstrijdigheden zijn het gevolg van de werkwijze in de boekhouding, slordigheden in het contract en onjuiste informatie van [onderneming 1] . [onderneming 1] is een klein bedrijf en de werkgever heeft in het gehoor van 22 augustus 2019 niet volledig juist verklaard. Dit mag niet aan referent worden toegerekend, want hij heeft hier geen enkele invloed op gehad. Eiseres heeft daarbij verwezen naar diverse uitspraken van nationale en rechters en van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).

8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het inspectierapport op ambtsbelofte/ambtseed is opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Bovendien heeft de eigenaar van [onderneming 1] , de heer [B] , zijn verklaring van 22 augustus 2019, die als bijlage 3 bij het inspectierapport zit, ondertekend nadat deze aan hem was voorgelezen. Daarnaast is van belang dat het op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat referent aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning, waaronder het middelenvereiste, voldoet. Dat de werkgever (onbedoeld) fouten zou hebben gemaakt en niet volledig juist zou hebben verklaard, komt in het kader van deze procedure dan ook voor haar rekening en risico. Dat in het inspectierapport niet de conclusie wordt getrokken dat sprake is van een gefingeerd dienstverband, maakt niet dat verweerder de in dit rapport neergelegde bevindingen niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluitvorming en daaruit zelf de gevolgtrekking heeft mogen maken dat het dienstverband bij [onderneming 1] niet echt is.

9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van een gefingeerd dienstverband omdat referent met zijn werkgever de mondelinge afspraak heeft gemaakt dat hij zolang zijn stage duurde, in plaats van zijn normale werktijden, op maandag, zaterdag en zondag tien uur per dag zou werken. Verder was afgesproken dat referent, ondanks het feit dat hij niet alle uren werkte, volledig werd uitbetaald. Sinds het afronden van zijn stage werkt referent fulltime bij [onderneming 1] .

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de eerste plaats omdat eiseres haar stellingen niet met objectief verifieerbare gegevens heeft onderbouwd en ten tweede omdat zij deze stellingen pas in beroep naar voren heeft gebracht, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. Bovendien zijn deze stellingen in tegenspraak met wat referent zelf in de aanvraagfase heeft verklaard over zijn werktijden en met de door [onderneming 1] opgegeven gewerkte uren, waaruit blijkt dat referent niet in het weekend heeft gewerkt. Voor deze tegenstrijdigheden heeft eiseres geen verklaring gegeven. Dat referent na het afronden van zijn stage fulltime bij [onderneming 1] is gaan werken, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden over de echtheid van het dienstverband van referent en [onderneming 1] .

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat gezien de tegenstrijdigheden in de afgelegde verklaringen en de overgelegde stukken, sprake is van een gefingeerd dienstverband tussen referent en [onderneming 1] dat is aangegaan om aan de voorwaarden voor de gewenste verblijfsvergunning te voldoen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de heer [B] als getuige te horen omdat zijn verklaringen niet (meer) kunnen afdoen aan de geconstateerde tegenstrijdigheden en onregelmatigheden.

12. Gezien de conclusie dat sprake is van een gefingeerd dienstverband tussen referent en [onderneming 1] heeft verweerder de inkomsten die referent uit zijn arbeid bij [onderneming 1] zou hebben ontvangen, terecht niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. De beroepsgronden die gaan over de manier waarop de salarisbetalingen van [onderneming 1] aan referent hebben plaatsgevonden, behoeven dan ook geen bespreking.

13. De verwijzing naar de door eiseres genoemde uitspraken gaat niet op. De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8700) gaat over de intrekking van een verblijfsvergunning en heeft dus betrekking op een andere situatie, waarin ook de bewijslast anders ligt. Bij een intrekking ligt de bewijslast namelijk bij verweerder, maar bij een aanvraag ligt deze in beginsel bij de vreemdeling. Hetzelfde geldt voor de uitspraken van 2 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:874) en 11 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:1755). De uitspraak met ECLI-nummer RBDHA:2018:52474 bestaat niet.

14. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:RVS:2017:1109) gaat over de vraag of een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning mag worden afgewezen op de grond dat ter zake van een eerdere aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. In de onderhavige procedure gaat het echter om een eerste aanvraag.

15. Voor wat betreft het beroep van eiseres op de arresten van het Hof van Justitie van de EU van 4 maart 2010 inzake Chakroun (ECLI:EU:C:2010:117) en van 21 april 2016 inzake Khachab (ECLI:EU:C:2016:285) overweegt de rechtbank als volgt. Het middelenvereiste heeft drie componenten: (1) de referent moet zelfstandig beschikken over de middelen, (2) de middelen moeten voldoende zijn en (3) ze moeten duurzaam beschikbaar zijn. In het arrest Chakroun is geoordeeld dat de strikte Nederlandse inkomensnorm voor gezinshereniging (120% van het minimumloon) in strijd was met de EU-richtlijn inzake het recht op gezinshereniging. Dit gaat dus over component 2. Uit het arrest Khachab volgt dat verweerder alle individuele omstandigheden moet betrekken bij de beantwoording van de vraag of het inkomen van een referent duurzaam is (component 3). Zoals de rechtbank hiervoor in 12 al heeft overwogen, heeft verweerder de inkomsten van referent uit zijn werk bij [onderneming 1] buiten beschouwing mogen laten. Dit komt er op neer dat verweerder er van uit mag gaan dat referent geen inkomen heeft en dat dus niet wordt voldaan aan component (1). Aan de componenten (2) en (3) wordt dan niet meer toegekomen.

16. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat referent niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt.

17. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor omdat zij niet voor het nemen van het primaire besluit in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het inspectierapport. De rechtbank acht deze (in bezwaar en in beroep niet eerder ingediende) beroepsgrond te laat ingediend en zal daarover dus geen oordeel geven. Bovendien heeft eiseres in bezwaar en beroep voldoende de gelegenheid gehad om op de inhoud van het inspectierapport te reageren en is niet gebleken dat zij door deze handelwijze van verweerder in haar belangen is geschaad.

18. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van haarzelf en die van referent. Eiseres betoogt daartoe allereerst dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat referent een asielstatus heeft waardoor er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen.

19. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het bestreden besluit geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie mogen komen dat de individuele belangen van eiseres en referent niet zwaarder wegen dan het algemeen belang van de Nederlandse overheid. Verweerder heeft daarbij in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat dat eiseres geen verblijfsrecht in Nederland had toen zij het gezinsleven met referent startte. Eiseres en referent konden er dus niet op vertrouwen dat zij het gezinsleven in Nederland konden gaan uitoefenen. Verweerder heeft verder in de belangenafweging in het nadeel van eiseres mee mogen wegen dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste en dat niet is gebleken dat hij daaraan niet binnen een redelijke termijn kan voldoen. Hoewel verweerder de omstandigheid dat referent een asielstatus heeft niet kenbaar heeft betrokken in zijn belangenafweging, leidt dit de rechtbank niet tot het oordeel dat daarom de belangenafweging in het voordeel van eiseres had moeten uitvallen. Eiseres heeft de stelling dat referent gezien zijn asielstatus niet naar Afghanistan kan om daar het gezinsleven uit te oefenen, niet aannemelijk gemaakt. Uit het overgelegde huwelijkscertificaat blijkt immers dat referent die inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft naar Afghanistan is teruggekeerd alwaar zijn huwelijk met eiseres heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.

20. Verder heeft eiseres betoogd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheid dat zij in Afghanistan als gehuwde vrouw zonder haar echtgenoot in feite leeft als een alleenstaande vrouw, wat onveilig is en waardoor zij het risico loopt op discriminatie en verkrachting. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond omdat dit betoog asielgerelateerd is en in deze procedure, die over een verblijfsvergunning regulier gaat, geen rol kan spelen. Voor de beoordeling daarvan staat de asielprocedure open.

21. Over de beroepsgrond dat eiseres en/of referent in de bezwaarfase ten onrechte niet zijn gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een belangrijk onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de bezwaargronden is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen in bezwaar mocht afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

22. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de gevraagde mvv heeft afgewezen.

23. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken

de rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.