Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14485

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AWB20/3871
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinsleven. More than normal emotional ties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/3871

V-nummers: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

[naam] , eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de weigering om aan hen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Eisers waren vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] . Onbekend is welke nationaliteit zij bezitten. Op 5 februari 2019 hebben eisers een aanvraag tot afgifte van een mvv met het oog op verblijf als familie- of gezinslid bij hun volwassen zoon [naam] (referent) ingediend. Op 27 januari 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat in dit geval niet kan worden gesproken over een familieleven in de zin van artikel 8 EVRM.1 Reden hiervoor is dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent.

3. Eisers hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder de bijkomende elementen van afhankelijkheid in hun geval onvoldoende in onderling verband heeft gewogen. Verweerder kent volgens hen ten onrechte doorslaggevend belang toe aan de vraag of eisers exclusief afhankelijk zijn van referent en aan de omstandigheid dat eisers sinds het vertrek van referent in 2015 hebben kunnen overleven. Aldus miskent verweerder dat in hun situatie weldegelijk sprake is van relevante elementen van afhankelijkheid. Eisers hebben in beroep nogmaals gewezen op hun leeftijd, hun medische omstandigheden en het feit dat zij vóór het vertrek van referent naar Nederland altijd door hem zijn verzorgd. Verweerder heeft volgens hen onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat zij nu dakloos zijn en dat zij, als gevolg van de oorlogssituatie in Syrië, geen duurzame ondersteuning krijgen van derden. In Syrië kunnen zij ook geen verdere medische behandeling krijgen. Eisers verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 april 20182 en naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 31 januari 2020.3

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Om de in dit geval gevraagde verblijfsvergunning te kunnen verlenen moet sprake zijn van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat de IND familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aanneemt tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties).

6. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 4 april 2019 overwogen dat uit de (in die uitspraak genoemde) rechtspraak van het EHRM4 moet worden afgeleid dat de vraag naar deze afhankelijkheid van feitelijke aard is en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Onder meer financiële of materiële afhankelijkheid kan van belang zijn. Verder blijkt daaruit dat verweerder zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Of eisers in dit geval exclusief afhankelijk zijn van referent is dan ook terecht door verweerder in zijn beoordeling betrokken.

7. Uit de door eisers overgelegde medische informatie blijkt dat eisers met gezondheidsklachten kampen. Eiser heeft een hernia en eiseres heeft versleten kniegewrichten. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat uit de overgelegde informatie niet is af te leiden dat zij niet in staat zijn om zonder zorg van eiser te functioneren. Daarnaast heeft verweerder het relevant kunnen vinden dat eisers zich feitelijk sinds 2015 zonder referent hebben kunnen handhaven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit verklaringen van eisers volgt dat zij daarbij ondersteuning hebben van derden. Zij hebben niet onderbouwd dat deze zorg niet toereikend is. De zorg die referent vóór zijn vertrek aan eisers verleende was verder van gebruikelijke aard (begeleiden bij bezoek aan artsen, het kopen van medicijnen en ondersteuning bij mobiliteit). Dat het een cultureel gegeven is dat de oudste zoon voor zijn ouders zorgt, doet hier niet aan af. Voor zover feitelijk sprake is van enige afhankelijkheid aan de zijde van eisers, heeft verweerder niet ten onrechte vastgesteld dat deze niet resulteert in een meer dan normale persoonlijke band tussen hen als ouders en referent als hun volwassen kind.

8. Eisers worden niet gevolgd in hun stelling dat verweerder uitsluitend heeft gekeken naar de vraag of zij exclusief van referent afhankelijk zijn. Het beroep op de uitspraak van deze zittingsplaats van 31 januari 2020 slaagt daarom niet.

Verweerder heeft er immers op gewezen dat eisers de gestelde afhankelijkheid ook niet overigens hebben aangetoond. Eisers hebben geen bewijs geleverd van de stelling dat hun huis is verwoest. De in dit verband eerst in beroep getoonde algemene foto’s van verwoeste huizen volstaat daarvoor niet. Evenmin hebben eisers aangetoond dat zij financieel worden ondersteund door referent. De ter zitting overgelegde bewijzen van overboekingen door referent zijn niet aan eisers te relateren. De toelichtende eigen verklaring van referent maakt dat niet anders.

9. Gegeven het bovenstaande leidt een beroep op de algemene veiligheidssituatie in Syrië, noch de algemene toegankelijkheid van de medische zorg in dat land tot de aanname van hechte persoonlijke banden tussen eisers en referent. De positie van eisers is in zoverre namelijk niet anders dan die van anderen in Syrië.

10. Bij gebrek aan familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is de aanvraag terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Zohrabian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 ECLI:RVS:2019:1003.

3 ECLI:NL:RBDHA:2020:1065.

4 Europees Hof voor de rechten van de mens