Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14390

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/1763
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking votr, zwaar inreisverbod, artikel 3.86, artikel 8 van het EVRM

Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging. Eiser heeft zich na de waarschuwing door verweerder bij het besluit van 24 februari 2015 schuldig gemaakt aan in totaal 8 misdrijven, waarvan 6 ernstige geweldsmisdrijven gepleegd op 13 oktober 2017 en 24 januari 2018. Op 13 oktober 2017 heeft eiser zijn twee minderjarige dochters en echtgenote mishandeld en een hulpofficier van Justitie gedreigd hem van het leven te beroven en hem vernederd door hem te bespugen. Op 24 januari 2018 heeft eiser in het ziekenhuis zijn net bevallen dochter mishandeld door haar in de buik te slaan en zijn schoonzoon en de moeder van zijn schoonzoon mishandeld. Bovendien zijn de misdrijven gepleegd in 2017 en 2018 geen op zichzelf staande incidenten. Daaraan is een veelvoud van zware geweldsmisdrijven vooraf gegaan. Zijn eerste geweldsmisdrijf heeft eiser gepleegd op 10 oktober 1986 (mishandeling en openlijke geweldpleging). In de periode van 1986 tot en met 2018 heeft eiser 42 misdrijven gepleegd waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld voor (in totaal) 115 maanden (ca. 9,5 jaar) gevangenisstraf. Gelet op het veelvoud van ernstige (gewelds)misdrijven dat eiser heeft gepleegd, heeft verweerder mogen stellen dat de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit een bedreiging vormen voor fundamentele belangen van de samenleving. Nu eiser zijn gezinsleden heeft betrokken bij het plegen van misdrijven, zijn gezinsleden in 2017 en 2018 ernstig heeft mishandeld, in beroep heeft verklaard niet meer samen te wonen met zijn gezinsleden en van zijn vrouw feitelijk te zijn gescheiden, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vertrek uit Nederland een negatieve invloed zal hebben op zijn gezinsleden ven is er geen sprake van een schending van het recht op gezins- en familieleven. Evenmin is er sprake van schending van eisers recht op privéleven. Weliswaar verblijft eiser 41 jaar in Nederland, maar heeft hij sinds jonge leeftijd (14/15 jaar) bij herhaling ernstige misdrijven gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld voor in totaal 115 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1763

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Wortel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder:

  1. eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 26 februari 2013;

  2. bepaald dat eiser Nederland en de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten;

  3. tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van 10 jaar.

Bij besluit van 6 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Naar eigen zeggen is eiser afkomstig uit Macedonië en is hij in 1977 naar Nederland gekomen.

1.2.

Met ingang van 10 oktober 1989 is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en op 4 september 1995 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zonder beperkingen.

1.3.

Eiser heeft sinds 1985 strafbare feiten gepleegd en is sindsdien herhaaldelijk bij onherroepelijk geworden rechterlijke vonnissen veroordeeld voor het plegen van misdrijven.
Het betreffen onder meer veroordelingen voor misdrijven gericht tegen de lichamelijke en persoonlijke integriteit: mishandeling, openlijke geweldpleging, poging tot zware mishandeling, diefstal met geweld in vereniging, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of verkrachting en/of brandstichting, poging tot doodslag, mishandeling van een politieagent gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn functie en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, huiselijk geweld en wederspannigheid.
Daarnaast heeft eiser meerdere zware vermogensdelicten gepleegd: (gekwalificeerde) diefstallen, witwassen en (woning)inbraken alsook meerdere beledigingsdelicten tegen openbare gezagsdragers (al dan niet gepaard gaande met geweld en/of bedreigingen).
Voorts heeft eiser een aantal verkeersdelicten gepleegd, zoals het rijden onder invloed en het verlaten van een plaats na een ongeval.

1.4.

Op 9 april 2014 heeft verweerder eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn eisers verblijfsvergunning in te trekken en tegen hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uit te vaardigen. Met inachtneming van eisers zienswijze van 1 augustus 2014 en het verhandelde tijdens een hoorzitting van 29 januari 2015 heeft verweerder bij brief van 24 februari 2015 eiser bericht om niet tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en uitvaardiging van een inreisverbod over te gaan. Daarbij heeft verweerder eiser er wel op gewezen dat indien hij opnieuw onherroepelijk wordt veroordeeld wegens een misdrijf opnieuw zal worden beoordeeld of dat gevolgen moet hebben voor zijn verblijfsrecht.

1.5.

Vervolgens heeft eiser op 13 oktober 2017 en 24 januari 2018 misdrijven gepleegd waarvoor hij bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 24 juli 20181 is veroordeeld.

1.6.

Bij brief van 22 oktober 2018 heeft verweerder eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn de verblijfsvergunning in te trekken en tegen hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uit te vaardigen. Met inachtneming van onder meer de door eiser gepleegde strafbare feiten, eisers zienswijze van 19 november 2018 en het verhandelde tijdens een hoorzitting van 7 maart 2019 heeft verweerder het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit genomen.

2. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 26 februari 2013 vanwege de door eiser gepleegde misdrijven.
Verweerder heeft tegen eiser ook een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd. Volgens verweerder vormt eisers persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Volgens verweerder is het besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning en tot het uitvaardigen van het inreisverbod niet in strijd met het recht op respect voor het familieleven en het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Gelet op de ex tunc toetsing in beroep die geldt in zaken zoals de onderhavige, laat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing de door eiser gestelde, ná het bestreden besluit opgetreden feiten en omstandigheden.

Intrekking van de verblijfsvergunning

4. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep niet heeft weersproken dat verweerder gelet op artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), de duur van eisers verblijf in Nederland en de totale duur van de straffen die eiser zijn opgelegd, in beginsel bevoegd was zijn verblijfsvergunning in te trekken.

5. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder daarvan op grond van artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a., van het Vb af had moeten zien, omdat niet is gebleken van een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit en omdat de eerdere strafbare feiten die verweerder heeft aangehaald, telkenmale niet tot intrekking van eisers vergunning hebben geleid.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat eisers beroep op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb niet slaagt, nu hij meerdere geweldsmisdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, in het vonnis van 24 juli 2018 onder meer heeft overwogen dat eiser zijn naasten heeft mishandeld, dat eiser inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw en kinderen en dat zij eiser bijzonder kwalijk neemt dat hij zelfs op de kraam- en verlosafdeling in een ziekenhuis zich te buiten laat gaan aan ongeremde agressie tegen naasten, in het bijzonder tegen zijn zojuist bevallen dochter. De rechtbank begrijpt deze overwegingen aldus dat de rechtbank Gelderland de mishandeling van eisers slachtoffers beschouwt als een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, zoals thans bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het WvSr. Dat een aantal van de door eiser gepleegde misdrijven voor verweerder eerder geen aanleiding waren geweest om zijn verblijfsvergunning in te trekken, maakt niet dat deze misdrijven niet meer betrokken mogen worden bij de beoordeling van eisers beroep op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb, in samenhang met artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Zwaar inreisverbod van 10 jaar

7. De rechtbank stelt vast dat door eiser niet is betwist dat verweerder bij het uitvaardigen van het inreisverbod tegen eiser toepassing heeft gegeven aan het Europeesrechtelijke openbare orde criterium. Volgens eiser heeft verweerder dit criterium echter op onjuiste wijze toegepast en is niet voldaan aan de voorwaarden om een zwaar inreisverbod van tien jaar uit te vaardigen. Een enkele strafrechtelijke veroordeling in het verleden is onvoldoende voor de conclusie dat er sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft uitsluitend gekeken naar de delicten die eiser in het verleden heeft gepleegd, terwijl alle feitelijke en juridische gegevens en persoonlijke gedragingen in de overweging dienen te worden meegenomen, waaronder in ieder geval de ernst van het feit en het tijdsverloop. In het geval van eiser dateert het laatste misdrijf van ruim twee jaar geleden (2018). Volgens eiser is in zijn geval geen sprake van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging nu hij recentelijk geen misdrijven heeft gepleegd. Thans zit er zeer geruime tijd tussen de delicten, de detentie en het heden. Bovendien vormt eiser geen ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Een geweldsmisdrijf tegen familieleden tast volgens eiser niet per se een schending van een fundamenteel belang van de samenleving aan. Bovendien woont hij niet langer samen met zijn familieleden waardoor die bedreiging sowieso is weggevallen. De bedreiging en de belediging van de hulpofficier van justitie op 13 oktober 2017 kunnen volgens eiser geenszins worden gezien als een schending van een ‘fundamenteel’ belang voor de samenleving.

Actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving

8. Uit het arrest Z. Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van 11 juni 20152 volgt dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In de uitspraak van 20 november 20153 heeft de ABRvS uit het arrest Z. Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover thans van belang, verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische omstandigheden moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet verweerder bij zijn beoordeling in acht nemen dat vorenbedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de ABRvS van 2 juni 20164.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

Actuele bedreiging

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat eiser een actuele bedreiging vormt en dat er sprake is van recidivegevaar. Eiser heeft zich na de waarschuwing door verweerder bij het besluit van 24 februari 2015 schuldig gemaakt aan in totaal 8 misdrijven, waarvan 6 ernstige geweldsmisdrijven gepleegd op 13 oktober 2017 en 24 januari 2018. Op 13 oktober 2017 heeft eiser zijn twee minderjarige dochters en echtgenote mishandeld en een hulpofficier van Justitie gedreigd hem van het leven te beroven en hem vernederd door hem te bespugen. Op 24 januari 2018 heeft eiser in het ziekenhuis zijn net bevallen dochter mishandeld door haar in de buik te slaan en zijn schoonzoon en de moeder van zijn schoonzoon mishandeld. Bij de beoordeling van de persoonlijke actuele bedreiging heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser weigert mee te werken aan een oplossing voor de problemen binnen zijn gezin die tot het geweld hebben geleid. In het feit dat eiser niet meer met zijn gezin samenwoont, ziet de rechtbank geen reden waarom hij niet mee wil werken aan een oplossing, nu hij immers in de gronden van beroep en ook ter zitting heeft aangegeven nog veel contact met zijn vrouw en thuiswonende kinderen te hebben. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar aanleiding van vragen van de rechtbank toegelicht dat er direct na de mishandelingen in 2017 hulpverlening is gestart voor de echtgenote en de minderjarige kinderen, maar dat deze hulpverlening niet is gericht op eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser een gebrekkig normbesef heeft, hetgeen blijkt uit het feit dat hij de geweldsmisdrijven van 2017 en 2018 afdoet als ‘ruzie’. Over de mishandeling van zijn vrouw in 2017 heeft eiser verklaard: “Het was een gewone ruzie met mijn vrouw”. Ook uit het feit dat eiser het niet nodig vindt om begeleiding te krijgen gericht op gedragsverandering laat zien dat eiser geen besef heeft van de ernst van de misdrijven die hij heeft gepleegd.

Werkelijke en voldoende ernstige bedreiging

Dat eiser een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, heeft verweerder voldoende gemotiveerd door erop te wijzen dat de misdrijven gepleegd in 2017 en 2018 geen op zichzelf staande incidenten zijn en ernstig van aard zijn. Daaraan is een veelvoud van zware geweldsmisdrijven vooraf gegaan. Zijn eerste geweldsmisdrijf heeft eiser gepleegd op 10 oktober 1986 (mishandeling en openlijke geweldpleging). In de periode van 1986 tot en met 2018 heeft eiser 42 misdrijven gepleegd waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld voor (in totaal) 115 maanden (ca. 9,5 jaar) gevangenisstraf. Gelet op het veelvoud van ernstige (gewelds)misdrijven dat eiser heeft gepleegd, heeft verweerder mogen stellen dat de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit een bedreiging vormen voor fundamentele belangen van de samenleving. Eisers betoog dat de geweldsmisdrijven gepleegd in 2017 en 2018 niet per se de fundamentele belangen van de samenleving raken faalt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat ook misdrijven gepleegd tegen familieleden een ernstige schending van de lichamelijke integriteit vormen en de openbare orde en veiligheid bedreigen. Bovendien zijn de misdrijven in 2018 gepleegd op een kraam- en verlosafdeling in een ziekenhuis, waarbij het geweld gepleegd door eiser de rust die juist daar hoort te gelden op ernstige wijze heeft verstoord. Dat eiser zich in een dergelijke situatie niet kon beheersen, duidt, zoals verweerder terecht heeft gesteld, temeer op de werkelijke bedreiging die van hem uitgaat. Naast de vele geweldsmisdrijven heeft verweerder terecht ook gewezen op de vele woninginbraken die eiser met zijn gezinsleden heeft gepleegd, die naast financiële schade ook gevoelens van angst en onrust bij het slachtoffer veroorzaken en bestaande gevoelens over onveiligheid in de samenleving verergeren.

Artikel 8 van het EVRM

11. Eiser heeft aangevoerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het uitgevaardigde inreisverbod in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser is de inmenging in zijn familie- en gezinsleven niet proportioneel en had de belangenfweging in zijn voordeel dienen uit te vallen. Daarbij acht eiser de volgende omstandigheden van belang: de strafbare feiten zijn niet ernstig, eiser verblijft 41 jaar in Nederland en zijn vertrek uit Nederland zal negatieve effecten hebben op zijn gezinsleden.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onterechte en voldoende gemotiveerd gesteld dat de bestreden besluitvorming niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat de inmenging in eisers familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken de in het arrest van Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 20015 en in het arrest Üner6 tegen Nederland gedefinieerde criteria. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle hem in de bestuurlijke fase bekend geworden en door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden in de belangenafweging meegewogen, waaronder ook de aard en de ernst van de door eiser gepleegde misdrijven. Anders dan eiser heeft betoogd heeft verweerder terecht gesteld dat sprake is van ernstige misdrijven. Verweerder heeft voldoende dragend gemotiveerd waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitpakt.

Hoewel verweerder in 2015 na de in het kader van artikel 8 van het EVRM verrichte belangenafweging juist had besloten om van intrekking van eisers verblijfsvergunning en van uitvaardiging van een zwaar inreisverbod af te zien ter wille van eisers gestelde zorg voor zijn echtgenote, zijn de laatste misdrijven gepleegd in 2017 en 2018 juist gericht geweest op zijn familieleden, onder wie zijn echtgenote en kinderen. Nu eiser zijn gezinsleden heeft betrokken bij het plegen van misdrijven, zijn gezinsleden in 2017 en 2018 ernstig heeft mishandeld, in beroep heeft verklaard niet meer samen te wonen met zijn gezinsleden en van zijn vrouw feitelijk te zijn gescheiden, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vertrek uit Nederland een negatieve invloed zal hebben op zijn gezinsleden. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd van objectieve bronnen, zoals hulpverleners van eisers echtgenote en kinderen, waaruit volgt dat eisers vertrek uit Nederland negatieve gevolgen heeft voor zijn in Nederland verblijvende familie- en/of gezinsleden. Met betrekking tot eisers betoog ter zitting dat zijn aanwezigheid in Nederland met name van belang is voor zijn jongste minderjarige dochter ter voorkoming dat zij nogmaals het slachtoffer wordt van loverboys, overweegt de rechtbank dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zijn dochter slachtoffer is geworden van loverboys, noch dat hij een positieve rol speelt ter voorkoming van het risico dat dit opnieuw zou kunnen gebeuren. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er objectieve belemmeringen zijn om het familie- en gezinsleven in eisers land van herkomst uit te oefenen. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder terecht gesteld dat de belangen van eiser minder zwaar wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eveneens terecht gesteld dat eisers recht op privéleven evenmin is geschonden. Weliswaar verblijft eiser 41 jaar in Nederland, maar heeft hij sinds jonge leeftijd (14/15 jaar) bij herhaling ernstige misdrijven gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld voor in totaal 115 maanden gevangenisstraf. Niet is gebleken, noch is gesteld dat eiser sociale en culturele banden met de Nederlandse samenleving heeft. Eiser is (vrijwel) niet naar school gegaan in Nederland, heeft nooit gewerkt en heeft zelf verklaard moeite te hebben met de Nederlandse omgangsnormen, waardoor er naar eigen zeggen conflicten ontstaan. Bovendien is noch gesteld noch gebleken dat eiser spijt heeft van zijn misdrijven en dat hij probeert zijn leven te verbeteren.

Duur van het inreisverbod

13. Eiser heeft aangevoerd dat gezien het recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven en zijn persoonlijke omstandigheden die hij in dat kader heeft aangevoerd, verweerder de duur van het inreisverbod had moeten beperken.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden besluitvorming voldoende dragend heeft gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden geen reden zijn om de duur van het inreisverbod te verkorten. De rechtbank onderschrijft die motivering. Zie in dit verband ook hetgeen onder 13. is overwogen en geoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Dubbele bestraffing

15. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij het gevoel heeft dat hij met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het uitgevaardigde inreisverbod dubbel wordt gestraft voor de misdrijven gepleegd in 2017 en 2018 waarvoor hij al strafrechtelijk is veroordeeld.

16. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser als een dubbele bestraffing aanvoelt, is daar juridisch gezien geen sprake van. De oplegging van strafrechtelijke sancties verschilt wezenlijk van karakter met de intrekking van eisers verblijfsvergunning en het uitvaardigen van een inreisverbod. Strafrechtelijke sancties hebben in die zin het karakter van leedtoevoeging, terwijl de onderhavige bestuursrechtelijke beslissingen zien op bescherming van de Nederlandse openbare orde. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3 van het EVRM

17. Eiser heeft aangevoerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM, vanwege het gevolg dat eiser terug zou moeten keren naar Macedonië alwaar hij als Roma onmenselijk zal worden behandeld.

18. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft op 2 januari 2020 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In die procedure heeft eiser ook aangevoerd dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Bij besluit van 22 januari 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 4 maart 2020 ongegrond verklaard. In die uitspraak is geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In het enkel herhalen van de in de asielprocedure ingenomen stellingen ter motivering van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen.

19. Nu geen van eisers beroepsgronden slagen, is het beroep ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. J.A. Schuman, voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van drs. S.S. Mazaheri.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

]Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RBGEL:2018:3307 (www.rechtspraak.nl)

2 ECLI:EU:C:2015:377

3 ECLI:NL:RVS:2015:3579

4 ECLI:NL:RVS:2016:1550

5 ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300

6 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099