Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/154 en AWB 20/155
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

verblijfsdocument EU/EER, artikel 20 VWEU. Chavez-Vilchez

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/154 en AWB 20/155

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1982, van Surinaamse nationaliteit, eiseres/verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verwey),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij haar zoon [A] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 (referent). Bij besluit van 26 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Daarnaast heeft verweerder de aan eiseres opgelegde ongewenstverklaring opgeheven.

Bij besluit van 13 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen op 25 mei 2020 geïnformeerd over haar voornemen om de zaak buiten zitting af te doen. Als één van de partijen wel een zitting wilde, moesten zij dit binnen een week aan de rechtbank laten weten.

De gemachtigde van eiseres heeft op 2 juni 2020 toestemming gegeven om deze zaak zonder zitting af te doen op basis van de stukken. Verweerder heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank.

Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft op 5 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft nooit rechtmatig verblijf gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning. In 2007 is eiseres met haar zoon [A (voornaam)] naar Nederland gekomen, in verband met haar berechting en bestraffing van een drugsdelict. Op 11 september 2007 is eiseres veroordeeld wegens drugssmokkel tot 106 dagen gevangenisstraf. Bij besluit van 22 januari 2008 is eiseres ongewenst verklaard. Na haar detentie is eiseres direct uitgezet. [A (voornaam)] is bij zijn Nederlandse vader, [B] , gebleven. Eiseres heeft op 5 oktober 2010 verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring, maar dit verzoek is bij besluit van 25 januari 2013 afgewezen. Bij besluit van 11 juli 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (AWB 13/20681) het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juni 2014 (201404510/1/V2). Eiseres verblijft sinds 15 november 2018 in Nederland. Omdat eiseres stelt verblijfsrecht te kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez1, heeft zij op 10 januari 2019 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder stelt zich in het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken ten behoeve van [A (voornaam)] verricht en dat er tussen eiseres en [A (voornaam)] niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [A (voornaam)] gedwongen zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiseres verblijfsrecht wordt geweigerd.2 Verweerder betrekt daarbij de volgende omstandigheden:

  • -

    [A (voornaam)] verblijft sinds hij ongeveer 2.5 jaar oud was in Nederland bij zijn vader en eiseres verblijft pas sinds 15 november 2018 in Nederland;

  • -

    De vader is de daadwerkelijke dagelijkse primaire verzorger van [A (voornaam)] . Het zwaartepunt in de zorg- en opvoedtaken ligt bij de vader;

  • -

    Er mag van worden uitgegaan dat er tussen [A (voornaam)] en de vader een affectieve pedagogische relatie en hechtingsrelatie bestaat;

  • -

    Het is niet aannemelijk dat [A (voornaam)] in zijn emotionele, geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling wordt bedreigd;

  • -

    Eiseres heeft niet aangetoond dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [A (voornaam)] verricht; en

  • -

    [A (voornaam)] is 17 jaar en dus bijna meerderjarig (namelijk in juli 2020).

3. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de doelstellingen van het arrest Chavez-Vilchez, waarbij op verweerder de onderzoeksplicht rust om op basis van de door eiseres verstrekte gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen eiseres en haar kind(eren), dat bij weigering aan haar verblijfsrecht toe te kennen, het risico bestaat dat het kind gedwongen zal worden het grondgebied dat de Unie te verlaten. Bovendien heeft verweerder bij de beoordeling een onjuiste toetsingsmaatstaf toegepast van het ‘zwaartepunt van de zorg’ terwijl beoordeeld moet worden of de aanvragende ouder ‘al dan niet gezamenlijk met de andere ouder’ opvoedingstaken verricht. Dit laatste is volgens eiseres voldoende aangetoond met de overgelegde stukken. Ten onrechte stelt verweerder zich met betrekking tot die stukken op het standpunt dat deze stukken niet afkomstig zijn uit objectieve bron en dat daarmee de afhankelijkheidsverhouding niet is aangetoond.

De zorgvuldigheid van de besluitvorming

4. De rechtbank stelt vast dat uit het arrest Chávez-Vilchez niet afgeleid kan worden dat de omstandigheid dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen een kind met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie en een onderdaan van een derde land, zonder meer betekent dat aan die onderdaan het afgeleide verblijfsrecht toekomt. De kernvraag die beantwoord dient te worden is of bij weigering van een verblijfsrecht aan een onderdaan van een derde land, het familielid feitelijk genoodzaakt is het grondgebied van de Unie te verlaten. Om te voorkomen dat aan de burger van de Unie het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten wordt ontzegd, wordt ‘niettemin’ aan de onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht toegekend (rechtsoverweging 63 van het arrest Chávez-Vilchez). Het gaat dus om de vraag of [A (voornaam)] daadwerkelijk ‘genoodzaakt’ is het grondgebied van de Unie te verlaten wegens de weigering van een verblijfsrecht aan eiseres. Nu niet betwist is dat [A (voornaam)] sinds de leeftijd van 2.5 jaar bij zijn vader heeft gewoond, heeft verweerder mogen veronderstellen dat de vader de daadwerkelijke dagelijkse primaire verzorger van [A (voornaam)] is en dat het zwaartepunt in de zorg- en opvoedtaken bij de vader ligt. Ook heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat er tussen [A (voornaam)] en zijn vader een affectieve pedagogische relatie en hechtingsrelatie bestaat. Dat de aanwezigheid van eiseres in het gezin een gunstig effect op [A (voornaam)] zou hebben, in de zin dat hij zijn schoolresultaten (iets) positiever zijn geworden en hij minder vaak te laat komt (brief van [C] , docent en mentor op het [naam school] , van 11 juli 2019) en dat [A (voornaam)] met eiseres de kerk zou bezoeken (brief van [D] , voorganger Evangeliegemeente [.] [..] , van 16 juli 2019) is daarvoor onvoldoende. Met deze stukken is niet aannemelijk gemaakt dat [A (voornaam)] in zijn emotionele, geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling wordt bedreigd indien aan eiseres verblijfsrecht wordt ontzegd. Deze omstandigheden in samenhang met de omstandigheid dat [A (voornaam)] bijna meerderjarig is, maken dat verweerder geen nader onderzoek heeft hoeven verrichten naar de afhankelijkheidsverhouding tussen [A (voornaam)] en eiseres.

Ongewenstverklaring: belemmering uitoefening gezinsleven

5. Het betoog van eiseres dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij jarenlang niet de primaire zorg- en opvoedtaken heeft kunnen verrichten, maar dat dit de verantwoordelijkheid is van verweerder die haar ongewenst heeft verklaard, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank betreft deze beroepsgrond geen nadere bespreking, omdat het bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag slechts gaat om de feitelijke situatie en niet om een hypothetische situatie. Daarbij wenst de rechtbank wel op te merken dat eiseres nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning, ook niet in 2007, toen zij hier in Nederland was. Dat was enkel in verband met haar berechting en bestraffing vanwege een drugsdelict.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat door het niet erkennen van het afgeleid verblijfsrecht van eiseres, de rechten van [A (voornaam)] op grond van artikel 20 van het VWEU worden aangetast. Er bestaat dus geen rechtvaardiging voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Verweerder heeft dan ook terecht de aanvraag van eiseres afgewezen al kennelijk ongegrond. Verweerder heeft om die reden ook kunnen afzien van het horen van eiseres.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 11 juni 2020 gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. Mazaheri, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).

2 verweerder baseert zich in dit verband op het beleid als neergelegd in paragraaf B10/2.2, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingencirculaire 2000.