Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14371

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
AWB 19/9152 en AWB 19/2546
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

art. 9 document. identiteit en nationaliteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/9152 en AWB 19/2546

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 7 september 2020 in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E.A. Bakker).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor verblijf bij zijn zoon afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer 19/9152:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer 19/2546:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een verblijfsdocument afgewezen, omdat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit zijn identiteit en nationaliteit onomstotelijk blijkt en omdat hij zijn familierechtelijke relatie met zijn zoon [A (voornaam)] niet heeft aangetoond.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij in bewijsnood is geraakt, omdat de Servische autoriteiten hem geen identiteitskaart of paspoort willen geven. Volgens eiser neemt verweerder ten onrechte het standpunt in dat van hem niet kan worden vastgesteld dat hij derdelander is. Verweerder had door onderzoek in het departementale dossier te doen, kunnen vaststellen dat eiser een derdelander is. In het verlengde hiervan doet de handelwijze van verweerder afbreuk aan de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU, als aangehaald in het arrest Chavez-Vilchez en is die in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ten aanzien van de familierechtelijke relatie heeft eiser aangevoerd dat uit de overige stukken volgt dat [A (voornaam)] de zoon van eiser is. Verweerder had dat niet buiten beschouwing mogen laten en heeft hem ten onrechte niet gehoord.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser (nog) niet in bewijsnood verkeert, omdat eiser niet heeft aangetoond dat Servië hem geen paspoort wil verstrekken. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zelf zijn identiteit en nationaliteit moet bewijzen en dat verweerder niet verplicht is om daar onderzoek naar te doen. Als algemeen uitgangspunt in het Unierecht geldt namelijk dat een lidstaat van een vreemdeling mag verlangen dat hij zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maakt als hij op het grondgebied van die lidstaat wil verblijven. Dit volgt onder meer ook uit het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen arrest Oulane, waarin – kortgezegd – is geoordeeld dat van een EU-burger mag worden verwacht dat hij ondubbelzinnig bewijs levert voor zijn identiteit en nationaliteit.1 Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor een derdelander.

Toch heeft verweerder in het departementale dossier van eiser gezocht naar documenten die de identiteit en nationaliteit kunnen aantonen. De daarin aangetroffen kopie van een geboorteakte en verklaring van de stad [plaatsnaam] zijn echter geen identificerende documenten. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat daaruit niet de identiteit en nationaliteit van eiser blijkt.

5. Omdat de identiteit en nationaliteit van eiser niet vaststaat, kan niet beoordeeld worden of hij een derdelander is en of zijn gestelde zoon [A (voornaam)] , die Unieburger is, door het niet verlenen van een verblijfsdocument verplicht wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. Hiermee is gegeven dat de handelwijze van verweerder geen afbreuk doet aan het nuttige effect van het burgerschap van de Unie en niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

6. Reeds vanwege het voorgaande slaagt het beroep van eiser niet en hoeft de beroepsgrond over de familierechtelijke relatie met [A (voornaam)] geen bespreking. Ook van het horen heeft verweerder mogen afzien.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Uitspraak van 17 februari 2005 van het HvJ EU (ECLI:EU:C:2005:95)