Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14345

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
C-09-595346-KG ZA 20-609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Zijn er wel of niet dwangsommen verbeurd? Geconcludeerd wordt dat eiser met de publicatie van een artikel in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in het vonnis gedurende de door gedaagde gestelde periode. Ingrijpen door de voorzieningenrechter is dan alleen nog mogelijk als gedaagde zich door de executie schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Niet is echter gebleken dat daarvan sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/595346 / KG ZA 20-609

Vonnis in kort geding van 31 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. T.J. Stapel te Haarlem,

tegen:

[gedaagde] te [plaats 2] ,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en [gedaagde] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door [gedaagde] overgelegde conclusie van antwoord/schriftelijke reactie;

- de op 17 augustus 2020 gehouden mondelinge behandeling. Deze behandeling is aan het begin enige tijd geschorst geweest om [eiser] en zijn advocaat in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van de door [gedaagde] overgelegde conclusie van antwoord, met producties, nu zij hiervan nog geen kennis hadden genomen. Daarna is de mondelinge behandeling hervat en de zaak ter zitting behandeld.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In een bij de rechtbank Amsterdam gevoerde procedure tussen partijen is, voor zover thans relevant, [eiser] bij vonnis van 7 mei 2018 gelast om publicaties met betrekking tot [gedaagde] binnen 24 uur na betekening van dat vonnis te verwijderen en verwijderd te houden van zijn websites en twitteraccount, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.625,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 1.000.000,00.

2.2.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 7 mei 2018 het volgende overwogen:

“8. De publicaties van [eiser] zijn, zoals [gedaagde] stelt, onrechtmatig. [eiser] heeft weliswaar in omvangrijke stukken uiteengezet waarom en op welke manier, volgens hem, Zionisten hebben bijgedragen aan de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, maar heeft verzuimd enig bewijs te leveren dat [gedaagde] , voor zover de theorie van [eiser] al waar zou zijn, daaraan heeft bijgedragen. Het enkele feit dat [gedaagde] bestuurslid is van de [Organisatie X] is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Nu de Tweede Wereldoorlog vóór de geboorte van [gedaagde] was, is het bovendien ongeloofwaardig dat [gedaagde] hieraan heeft bijgedragen. Ook heeft [eiser] nagelaten enige aanwijzing te overleggen dat [gedaagde] zich thans bezig zou houden met het beramen van misdrijven tegen Joden. Sterker, uit de feiten blijkt juist dat [gedaagde] zich actief bezig houdt met het voorkomen van antisemitisme. De publicaties zijn derhalve niet in het minste geënt op de waarheid.

9. Hoewel [gedaagde] als bestuurslid van de [Organisatie X] zich een en ander wellicht eerder zal moeten laten welgevallen, zijn de aantijgingen in de publicaties van [eiser] zo absurd en grievend, juist voor iemand die zich publiekelijk inzet tegen antisemitisme, dat het recht op bescherming van de eer, de goede naam en de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde] vóór gaat op de vrijheid van meningsuiting van [eiser] . Daarbij geldt dat [eiser] weet dat hij mensen niet mag beschuldigen op basis van zijn theorie, aangezien hij hiervoor al meerdere keren is veroordeeld.”

2.3.

Het vonnis is op 12 mei 2018 aan [eiser] betekend.

2.4.

Bij deurwaarderexploot van 9 juli 2018 is namens [gedaagde] aan [eiser] aangezegd dat [eiser] niet tijdig en/of volledig heeft voldaan aan de in het vonnis van 7 mei 2018 aan [eiser] gegeven last. Aan het exploot is een print gehecht van een door [eiser] geschreven artikel, getiteld “ [het Artikel] ” (hierna: het artikel). Onder het artikel staat vermeld: “by [eiser] – last modified 09-04-2018 06:00”. Het op de print vermelde webadres luidt: [webadres] . In de vier-na-laatste alinea van het artikel staat vermeld “(…) Daarin zegt de “Protestrabbiner” over Joden en het Jodendom van de Zionisten, mede middels de antisemitische hetze van [gedaagde] tegen het […] op [website] , doelbewust in de doofpot stoppen: (…)” In de laatste alinea staat vermeld: “(…) [gedaagde] , de Führer van de [Organisatie X] , vindt het niet relevant in zijn civiele zaak tegen hét […] op [website] . (…)” De deurwaarder doet in het exploot namens [gedaagde] bevel aan [eiser] om binnen twee dagen een bedrag van € 96.625,- aan verbeurde dwangsommen te voldoen aan [gedaagde] , met aanzegging dat bij niet-, niet-tijdige en/of niet behoorlijke voldoening het vonnis verder ten uitvoer zal worden gelegd.

2.5.

[eiser] heeft niet aan dat bevel voldaan, waarop [gedaagde] in augustus 2018 executoriaal beslag heeft laten leggen ten laste van [eiser] onder, kort gezegd, het UWV te Amsterdam (hierna: het beslag). Ter uitvoering van het beslag zijn sindsdien maandelijks bedragen ingehouden op een uitkering die [eiser] van het UWV ontvangt.

2.6.

[eiser] is bij de kantonrechter van deze rechtbank een procedure gestart strekkende tot, kort gezegd, opheffing van het beslag, staking van de executie van het vonnis van 7 mei 2018 en terugbetaling van de ingevorderde bedragen. De kantonrechter heeft zich bij vonnis van 13 december 2018 onbevoegd verklaard van de vorderingen kennis te nemen en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag, afdeling civiel (voorzieningenrechter).

2.7.

Op 1 juli 2020 heeft [eiser] een datum gevraagd voor de behandeling van dit kort geding.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, het beslag op te heffen, [gedaagde] te veroordelen de executie van het vonnis van 7 mei 2018 te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en [gedaagde] te bevelen de van [eiser] ingevorderde bedragen aan hem terug te betalen, dan wel deze bedragen terug te betalen, voor zover deze het bedrag van € 1.625 te boven gaan, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure en in de kosten van de onder 2.6 vermelde procedure bij de kantonrechter te Den Haag.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] maakt misbruik van executierecht. Hij gebruikt de executie namelijk voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om [eiser] te laten stoppen met andere, niet verboden, activiteiten. Verder is het artikel geen artikel met betrekking tot [gedaagde] , zoals bedoeld in het vonnis van 7 mei 2018. [eiser] betwist voorts dat het artikel 57 dagen openbaar toegankelijk is geweest op zijn website. Het artikel was alleen op 9 juli 2018 openbaar toegankelijk en dan ook nog niet eens via de frontpage van de website, maar alleen voor personen die bekend waren met het internetadres van de publicatie.

3.3.

[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat er aan de zijde van [eiser] geen sprake is van een spoedeisend belang. Het is zonder meer juist dat [eiser] na het verwijzingsvonnis van 13 mei 2018 lang heeft gewacht met het aanhangig maken van dit kort geding. De omstandigheid dat er maandelijks een aanzienlijk bedrag wordt ingehouden op zijn uitkering, maakt echter dat [eiser] desondanks een voldoende spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van zijn vorderingen in dit kort geding. Daarbij komt dat de kantonrechter de zaak ook in het bijzonder heeft verwezen naar de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

4.2.

In dit kort geding draait het onder meer om de vraag of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd omdat hij het vonnis van 7 mei 2018 niet of onvoldoende zou hebben nageleefd. De voorzieningenrechter heeft daarbij niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals dit door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.3.

Indien de in het vonnis van 7 mei 2018 vermelde veroordeling wordt bezien in het licht van de in dat vonnis opgenomen overwegingen, zoals geciteerd onder 2.2., is naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk wat is bedoeld met publicaties met betrekking tot [gedaagde] . Het gaat daarbij om publicaties, waarin aantijgingen en beschuldigingen aan het adres van [gedaagde] zijn opgenomen, in het bijzonder op het gebied van het beramen van misdrijven tegen Joden en van antisemitisme. Dat de naam van [gedaagde] daarbij in de kop van het artikel zou moeten staan of in ieder geval in de eerste alinea’s dan wel dat het artikel in de kern over [gedaagde] moet gaan, acht de voorzieningenrechter een te beperkte uitleg van het vonnis.

4.4.

Duidelijk is dat in het artikel sprake is van aantijgingen en beschuldigingen zoals hiervoor bedoeld. Hierin wordt immers gerefereerd aan een “antisemitische hetze van [gedaagde] ”. Daarnaast wordt hij de “Führer van de [Organisatie] (voorzieningenrechter: [Organisatie X] ” genoemd. Dit is onrechtmatig zoals bedoeld in het vonnis en een overtreding door [eiser] van het vonnis, dat tot doel had om [eiser] te laten stoppen met zijn beschuldigen aan het adres van [gedaagde] .

4.5.

De stellingen van [eiser] over het feit dat [gedaagde] bij diverse gelegenheden heeft verklaard dat [eiser] aan het vonnis heeft voldaan, acht de voorzieningenrechter niet relevant in het kader van de beoordeling van het onderhavige geschil. Die verklaring kan niet anders dan betrekking hebben op de situatie voor zover bij [gedaagde] op dat moment bekend en voor zover hij dat op dat moment kon beoordelen. [gedaagde] heeft in dit geding ook naar voren gebracht dat hij, toen hij dat verklaarde, niet op de hoogte was van de publicatie van het artikel. [eiser] is bovendien veroordeeld tot “verwijderen en verwijderd houden” en kan dus ook nadat hij in eerste instantie aan het vonnis heeft voldaan, het vonnis daarna alsnog overtreden.

4.6.

[gedaagde] heeft verder met zijn toelichting, bezien in combinatie met de door hem overgelegde stukken, voldoende aannemelijk gemaakt dat het artikel gepubliceerd stond op een publiekelijke toegankelijk deel van de website [website] van 13 mei 2019 tot 9 juli 2019. [eiser] heeft een aantal argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn betoog dat [gedaagde] niet heeft bewezen dat de publicatie die periode openbaar was, meer specifiek dus ook niet i) op het moment in juni waarop dit door een kennis van [gedaagde] werd geconstateerd en hij dit via Twitter aan [gedaagde] berichtte, en ii) op de momenten waarop [gedaagde] dit – blijkens de overgelegde printscreens – zelf op diverse momenten in juni en juli heeft geconstateerd. De voorzieningenrechter acht deze argumenten echter onvoldoende overtuigend in het licht van de toelichting met stukken van [gedaagde] . De voorzieningenrechter acht bovendien ook onwaarschijnlijk dat het artikel, zoals [eiser] stelt, alleen op 9 juli 2020 – zijnde de dag waarop dit door de deurwaarder is geconstateerd en aan [eiser] is meegedeeld –, openbaar toegankelijk was, omdat [eiser] (net) op die dag enkele niet verboden publicaties heeft geselecteerd voor herpublicatie.

4.7.

De voorzieningenrechter acht in het kader van de overtreding niet relevant dat het artikel waarschijnlijk alleen kon worden opgevraagd door personen die beschikten over het betreffende internetadres. Ook dan is er sprake van een openbaar toegankelijke publicatie.

4.8.

Gezien al het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat [eiser] met de publicatie van het artikel in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in het vonnis van 7 mei 2018 gedurende de door [gedaagde] gestelde periode.

4.9.

Ingrijpen door de voorzieningenrechter is dan alleen nog mogelijk als [gedaagde] zich door de executie schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Niet is echter gebleken dat daarvan sprake is. [gedaagde] heeft weliswaar de context geschetst waarom naleving van het vonnis door [eiser] voor hem extra van belang is, maar dat maakt nog niet dat [gedaagde] thans zijn bevoegdheid uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.

4.10.

Voor toewijzing van het gevorderde is gezien al het vorenstaande geen plaats.

4.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Niet valt in te zien waarom [eiser] in dit geding zou moeten worden veroordeeld in de kosten van het reeds geëindigde geding bij de kantonrechter.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 83,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.

ts