Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
C/09/594675 / HA ZA 20-586
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer vervroegde onteigening en bespreking onjuist geformuleerd bijkomend aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/594675 / HA ZA 20-586

Vonnis van 16 december 2020

in de zaak van

PRORAIL B.V., te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. E.W.J. de Groot te Breda,

tegen

[gedaagde] B.V., te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.M.E. Verhaegh te Den Haag,

en

CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY, te Dublin, Ierland,

interveniënt,

advocaat: mr. H.S. Mensonides te Amsterdam.

Partijen worden hierna ProRail, [gedaagde] en Cumberland genoemd.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 augustus 2020;

  • -

    de e-mail van ProRail van 8 oktober 2020;

  • -

    de e-mail van ProRail van 9 november 2020;

  • -

    de e-mail van ProRail van 11 november 2020.

1.2.

Bij akte van 24 juni 2020 heeft ProRail geschreven dat zij een deel van de gronden, bestemd als werkterrein, niet meer in de onteigening wenst te betrekken. Deze akte heeft zij zonder protest van de zijde van [gedaagde] weer ingetrokken, zodat deze geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier.

1.3.

Op 13 november 2020 is meervoudig pleidooi gehouden, waarbij beide partijen aan de hand van pleitaantekeningen hun standpunt hebben toegelicht. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde vervroegde onteigening van de bij Koninklijk Besluit van 13 februari 2020 (hierna het KB) ter onteigening aangewezen gronden, zoals nader omschreven in het tussenvonnis van 12 augustus 2020 (hierna: de gronden). De gronden zijn in het KB ter onteigening aangewezen voor de realisatie van het project PHS Rijswijk – Delft Zuid dat onder meer voorziet in het viersporig maken van het traject Rijswijk tot aan Delft Zuid, met bijkomende werken. Op een deel van de gronden zal het werk (spoorbaan, sloot en talud) worden gerealiseerd, de overige gronden zijn benodigd als werkterrein.

2.2.

[gedaagde] voert aan dat de noodzaak voor de onteigening, dan wel de noodzaak voor de onteigening van de percelen die als werkterrein gaan worden gebruikt ontbreekt.

Noodzaak onteigening

2.3.

De rechtbank is gehouden de rechtmatigheid van het door de Kroon genomen onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, op grondslag van de reeds bij de Kroon tegen de onteigening naar voren gebrachte bezwaren. Deze toetsing is in beginsel marginaal, dat wil zeggen beperkt tot de vraag of de Kroon bij de afweging van de belangen van partijen in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat de onteigening gerechtvaardigd is. Het behoort niet tot de taak van de rechtbank om de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, te beantwoorden. De beoordeling van die vragen is overgelaten aan de Kroon. Naast deze marginale toetsing is slechts plaats voor een zelfstandige beoordeling van de noodzaak tot onteigening, en daarmee van de rechtmatigheid ervan, wanneer zich na de datum van het KB gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden hebben voorgedaan die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de onteigening. In dat geval vindt een volledige toetsing plaats.

2.4.

[gedaagde] stelt dat de rechtbank het KB en daarmee de noodzaak van de onteigening volledig dient te toetsen. Daartoe stelt zij dat sprake is van gewijzigde inzichten aan de kant van ProRail, wat blijkt uit het bijkomend aanbod dat ProRail bij haar akte van 5 augustus 2020 heeft gedaan. Partijen hebben lange tijd getwist over de omstandigheid dat ProRail op de gronden van [gedaagde] een railinzetplaats1 heeft geprojecteerd. In haar akte van 5 augustus 2020 heeft ProRail het bijkomend aanbod gedaan dat [gedaagde] het gehele ter onteigening aangewezen perceel weer terug kan kopen voor de waarde die als onteigeningsvergoeding zal worden vastgesteld. Uit dit bijkomend aanbod blijkt, aldus [gedaagde] , dat ProRail de grond van [gedaagde] na realisatie van het werk niet meer nodig heeft en dat zij kennelijk een andere locatie heeft gevonden voor de railinzetplaats. Hierdoor is de noodzaak voor de onteigening komen te vervallen. [gedaagde] heeft dit aanbod aanvaard, zodat er een overeenkomst tot stand is gekomen. ProRail heeft vervolgens het bestaan van deze overeenkomst ook bevestigd aan [gedaagde] en aan de rechtbank bij e-mail van 8 oktober 2020, aldus nog steeds [gedaagde]

2.5.

ProRail betwist de stelling van [gedaagde] dat sprake is van gewijzigde inzichten en dat door aanvaarding van het bijkomend aanbod van 5 augustus 2020 een overeenkomst tot stand is gekomen. Zij stelt daartoe dat sprake is geweest van een ernstige en pijnlijke vergissing van ProRail waardoor het bijkomend aanbod van 5 augustus 2020 te ruim is geformuleerd. Het omvat immers ook gronden die definitief nodig zijn voor het werk en wel voor het realiseren van een railinzetplaats. Door het verweer van [gedaagde] tegen de onteigening loopt het werk vertraging op, die grote schadelijke financiële gevolgen voor ProRail en de omgeving oplevert. ProRail heeft daarom naar mogelijkheden gezocht om [gedaagde] te bewegen het verweer in te trekken door verschillende varianten van uitvoering van het werk te onderzoeken. Waarschijnlijk door miscommunicatie, mede te wijten aan bemoeilijkte afstemming door corona, verkeerde de afdeling grondverwerving van Prorail vermoedelijk in de – verkeerde – veronderstelling dat een variant mogelijk was waarbij de spoorsloot kwam te liggen tegen de grens van het perceel [I] en waarbij de railinzetplaats grotendeels achterwege kon blijven. Dit is echter technisch onjuist en niet mogelijk. Deze onjuiste veronderstelling heeft tot een achteraf bezien onjuist geformuleerd bijkomend aanbod geleid. Ondanks de aanvaarding van [gedaagde] is ProRail van mening dat dit aanbod kan worden gecorrigeerd. De reden daarvoor is dat de wil van ProRail er nooit op gericht is geweest om gronden met daarop spoorweginfrastructuur aan een particulier te leveren. De wil is daarop niet gericht en dat is wel nodig om van een rechtshandeling (aanbod) te kunnen spreken. Voorts was het voor [gedaagde] duidelijk dat de wil daar niet op gericht was en is, althans mocht zij redelijkerwijs – alle omstandigheden in acht genomen – ook niet hiervan uitgaan . Aldus is geen overeenstemming tot standgekomen over het bijkomende aanbod. Daarbij komt dat, zou onverhoopt naar het oordeel van de rechtbank toch sprake zijn van een overeenkomst, ProRail die overeenkomst onmogelijk kan nakomen. De railinzetplaats kan niet op een andere locatie worden gerealiseerd en de gronden die niet als werkterrein zijn aangeboden zijn permanent nodig. Van teruglevering aan [gedaagde] van deze gronden kan daarom nooit sprake zijn.

Toetsing KB

2.6.

Aan de rechtbank ligt als eerste vraag voor hoe het KB dient te worden getoetst: marginaal of volledig. Anders van [gedaagde] stelt is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gewijzigde inzichten aan de zijde van ProRail die een volledige toetsing rechtvaardigen. Er hebben zich weliswaar nieuw feiten voorgedaan – het bijkomend aanbod van ProRail – maar dit aanbod berust naar het oordeel van de rechtbank niet op een gewijzigd inzicht omtrent het werk waarvoor onteigening wordt gevorderd. ProRail heeft gemotiveerd gesteld dat de railinzetplaats nog steeds niet op een andere locatie kan worden geplaatst en dat geen sprake is (geweest) van een andere situatie dan destijds aan de Kroon is voorgelegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook het kennelijk onjuist geformuleerde bijkomende aanbod van ProRail met zich brengt dat eerst onteigend dient te worden teneinde het werk te kunnen realiseren. Wanneer [gedaagde] nakoming van het aanbod van 5 augustus 2020 vordert, maakt het uitspreken van de vervroegde onteigening deel uit van het uitvoeren van dit aanbod. Daarmee is niet te rijmen de stelling van [gedaagde] dat de noodzaak tot onteigening thans ontbreekt.

[gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat de omstandigheden zijn gewijzigd omdat het railvervoer niet zo sterk zal groeien als werd gedacht. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd en te algemeen, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat

De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden die moeten leiden tot een meer dan marginale rechtmatigheidstoets van het KB. Daarmee resteert enkel de vraag of de Kroon in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen dat de gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen, op grondslag van bij de Kroon ingediende bezwaren.

2.7.

Bij de Kroon heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat zij (i) de noodzaak van onteigening van de percelen die als werkterrein gaan worden gebruikt, betwist, (ii) vraagtekens heeft bij de vorm ervan en (iii) meent dat realisatie van de railinzetplaats elders mogelijk is. Dit verweer zal de rechtbank marginaal toetsen.

2.8.

De Kroon heeft in het KB de noodzaak en urgentie van de onteigening toegelicht. Ten aanzien van het specifieke verweer van [gedaagde] is als volgt overwogen:

Uit de Ons overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht, blijkt dat de gronden aan de oost- en de westzijde van het te verbreden spoor niet gemist kunnen worden en nodig zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden om de verbreding met bijkomende werken mogelijk te kunnen maken. Wij kunnen reclamanten dan ook niet volgen in hun betoog dat er meer grond ter onteigening wordt aangewezen dan voor de uitvoering van het project noodzakelijk is. Reclamanten stellen terecht dat het Tracébesluit, naast ruimte aan de oostzijde van het spoor, ook ruimte aan de westzijde van het spoor biedt om de railinzetplaats te projecteren. Dat er uiteindelijk voor gekozen is om de railinzetplaats aan de oostzijde te realiseren vloeit voort uit het feit dat de railinzetplaats moet voorzien in het plaatsen van materieel in het noordelijke spoor.

In de hoorzitting heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat alle in de onteigening betrokken gronden benodigd zijn op het werk waarvoor onteigend wordt te kunnen realiseren. Het daarvoor benodigde ruimtebeslag is niet ingegeven door de wens van de gemeente Rijswijk om deze gronden in te richten. Ook heeft verzoeker kenbaar gemaakt niet voornemens te zijn de werkterreinen nadat het werk is gerealiseerd te leveren aan de gemeente Rijswijk. De zienswijze van reclamanten geeft Ons geen aanleiding hieraan te twijfelen.

2.9.

ProRail heeft ter zitting nog toegelicht op basis van welke argumenten de locatie voor de plaatsing van de railinzetplaats is uitgekozen. Omdat de railinzetplaats in verband met veiligheidsvoorschriften niet over vier sporen mag worden geplaatst moeten, anders dan eerst voorzien, ter plaatse twee verschillende railinzetplaatsen worden gerealiseerd, één aan de Westzijde en één aan de Oostzijde van het spoor. De locatie voor de railinzetplaats aan de Westzijde is elders langs het spoor mogelijk. Voor de railinzetplaats aan de Oostzijde brengen de veiligheidsvoorschriften geen gewijzigd inzicht mee. Aan die zijde is de locatie bij [gedaagde] voor ProRail, planologisch gezien, de enige toegankelijke mogelijkheid. Bij plaatsing van de railinzet op een andere locatie aan de Oostzijde langs het spoor zou ook een weg naar de railinzetplaats moeten worden gerealiseerd, hetgeen planologisch niet is voorzien, weer andere bezwaren en aanzienlijke kosten met zich zou brengen. De locatie van de railinzetplaats aan de Oostzijde was bovendien al vastgesteld in het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer viersporigheid Rijswijk- Delft Zuid. Dit Tracébesluit is inmiddels onherroepelijk. In het KB is over de noodzaak van de railinzetplaats op die locatie aan de Oostzijde een afgewogen besluit genomen.

2.10.

Tegen de achtergrond van hetgeen partijen hebben aangevoerd acht de rechtbank het oordeel van de Kroon begrijpelijk. De Kroon heeft in redelijkheid tot dat besluit kunnen komen. In hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd vindt de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het verweer van [gedaagde] tegen de onteigening treft geen doel.

Het bijkomende aanbod uit de akte van 5 augustus 2020

2.11.

Dan rest de vraag of ProRail kan worden veroordeeld tot gestanddoening van haar bijkomend aanbod zoals dat is geformuleerd in de akte van 5 augustus 2020. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. ProRail heeft gemotiveerd uiteengezet hoe zij tot het onjuiste aanbod is gekomen en dat bij haar nooit de wil heeft bestaan om tot een overeenkomst te komen waarbij gronden aan [gedaagde] terug worden geleverd die ProRail ten behoeve van het werk, waaronder de realisatie van de railinzetplaats, permanent nodig heeft. [gedaagde] stelt dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het aanbod van ProRail en dat zijn aanvaarding tot een overeenkomst heeft geleid waarop ProRail niet terug kan komen. De rechtbank acht dit standpunt van [gedaagde] niet houdbaar. Partijen hebben lange tijd met elkaar onderhandeld zonder tot enig resultaat te komen, terwijl ProRail daarbij naarmate de tijd vorderde een steeds groter belang had. Als het mogelijk was de railinzetplaats elders te lokaliseren, acht de rechtbank het waarschijnlijk dat dit al veel eerder zou zijn besproken en onderzocht. Uit de aanbieding van ProRail van 5 augustus 2020 valt niet af te leiden dat voor het pijnpunt van de discussie tussen partijen een oplossing was gevonden. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen zich ervan te vergewissen of het aanbod van ProRail zo begrepen mocht worden dat ProRail het werk inderdaad zodanig kon wijzigen dat gronden die eerder permanent nodig waren en daartoe in een langdurig en zorgvuldig onteigeningstraject waren aangewezen, opeens na realisatie van het werk konden worden terug geleverd. Nu [gedaagde] dat klaarblijkelijk heeft nagelaten, is de rechtbank dan ook van oordeel dat [gedaagde] geen beroep kan doen op het gerechtvaardigd vertrouwen, dat een overeenkomst tot stand was gekomen. Bij dit oordeel weegt mee dat ProRail al binnen een aantal weken nadat [gedaagde] had geschreven het aanbod te aanvaarden tot de conclusie is gekomen dat sprake was van een pijnlijke vergissing. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat [gedaagde] in die periode, erop vertrouwend dat een overeenkomst tot stand was gekomen, handelingen heeft verricht die niet zonder schade ongedaan kunnen worden gemaakt. Een en ander betekent dat geen overeenkomst tot stand is gekomen. ProRail zal daarom niet worden veroordeeld tot gestanddoening van de bijkomende aanbieding zoals geformuleerd in haar akte van 5 augustus 2020.

Onteigening

2.12.

Het verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde vervroegde onteigening is verworpen. De rechtbank is van oordeel is dat alle op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. Reden waarom de vordering van ProRail tot vervroegde onteigening voor toewijzing gereed ligt.

2.13.

[gedaagde] heeft de aangeboden schadeloosstelling verworpen. ProRail heeft aangeboden dat het voorschot op de schadeloosstelling kan worden bepaald op 100% van het aanbod, zodat nadere zekerheidsstelling achterwege kan blijven. Het voorschot op de schadeloosstelling zal daarom worden bepaald op 100% van het aanbod, te weten een bedrag van € 468.000,-. Cumberland heeft gesteld dat het gehele voorschot aan haar toekomt als hypotheekhouder van de onteigende gronden. ProRail en [gedaagde] hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.

2.14.

[gedaagde] heeft gevorderd dat ProRail op grond van artikel 38 Ow ook het gehele aangrenzende perceel [II] dient over te nemen omdat gebouwen worden doorsneden.

2.15.

ProRail verzet zich tegen deze vordering en heeft uiteengezet waarom het overblijvende perceel niet onder artikel 38 Ow valt. Het gebouw dat wordt geraakt is een zelfstandig gebouw dat geen constructief geheel vormt met de overige gebouwen op perceel [II] , waardoor lid 1 van artikel 38 Ow niet op de overige gebouwen van toepassing is. Alleen het geraakte gebouw kan onder het bereik van artikel 38 lid 1 Ow vallen, maar overname van alleen dit gebouw heeft [gedaagde] niet gevorderd.

2.16.

[gedaagde] heeft tegen deze stellingen van ProRail geen verweer gevoerd. Ook heeft zij niet aangevoerd dat en zo ja waarom op basis van één van de andere leden van artikel 38 Ow overname van perceel [II] aan de orde zou zijn. De rechtbank zal deze vordering tot overname dan ook afwijzen.

2.17.

Toen ProRail bemerkte dat zij zich vergist had voor wat betreft haar aanbod zoals opgenomen in de akte van 5 augustus 2020, heeft zij een gecorrigeerd bijkomend aanbod aan [gedaagde] gedaan. Tijdens de zitting heeft zij dit gecorrigeerd bijkomend aanbod herhaald. ProRail biedt bij wege van schadebeperking aan om het werkterrein met kadastraal nummer [nummer 1] , aangeduid met grondplannummer [nummer 2] ter totale grootte van [aantal 1] hectare aan [gedaagde] na onteigening te verkopen en terug te leveren na uitvoering van het werk voor de waarde zoals die in rechte als onderdeel van de onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld en verkregen. Gezien de met inschrijving samenhangende termijnen doet ProRail dit aanbod gestand gedurende één maand na het wijzen van het vonnis tot vervroegde onteigening. De rechtbank zal ProRail veroordelen tot gestanddoening van deze aanbieding, voor een termijn van vier weken na dit onteigeningsvonnis.

2.18.

De rechtbank dient zich ingevolge artikel 54j Ow te laten voorlichten door deskundigen, aan wie de opdracht wordt gegeven de schadeloosstelling te begroten. Bij beschikking van 18 februari 2020 zijn mr. I.P.A. van Heijst, ing. P.H. Reinders Folmer en C.G. Plomp tot deskundigen benoemd. De opneming heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat het in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/585941 / HA RK 19-732 uit te brengen voorlopig oordeel zal gelden als een concept-deskundigenrapport in deze onteigeningsprocedure. De rechtbank zal de deskundigen verzoeken om, zodra dit mogelijk is, een voorstel voor een tijdpad van het deskundigenonderzoek vanaf conceptrapport tot en met het definitieve rapport aan de rechtbank te doen toekomen.

2.19.

Ten slotte zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt vervroegd de onteigening uit ten name en ten behoeve van ProRail van:

- het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectie xx] , nummer [nummer 1] , ter grootte van [aantal 2] hectare;

vrij van alle lasten en rechten;

3.2.

stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op een bedrag van € 468.000,-, zijnde 100% van het aanbod van Prorail, welk bedrag door ProRail in zijn geheel wordt uitgekeerd aan Cumberland;

3.3.

veroordeelt ProRail tot gestanddoening van het bijkomend aanbod zoals omschreven onder 2.17., gedurende één maand na dit vonnis;

3.4.

verzoekt de deskundigen om, zodra dit mogelijk is, een voorstel voor een tijdpad van het deskundigenonderzoek van conceptrapport tot en met het definitieve rapport aan de rechtbank te doen toekomen;

3.5.

wijst het “AD/Haagsche Courant” en “Groot Rijswijk” aan als nieuws- en advertentieblad waarin de griffier van deze rechtbank de onder 3.1 vermelde beslissing bij uittreksel zal plaatsen;

3.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, mr. I.A.M. Kroft en mr. W. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.2

1 Railinzetplaats: een plek op de vrije baan, het emplacement of raccordement waar voertuigen in het spoor kunnen worden gezet, bijvoorbeeld aannemersmateriaal of hulpverlening bij calamiteiten.

2 type: 2184