Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
C/09/598939 / FA RK 20-6177
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Mondeling verzoek tijdens teruggeleidingsprocedure (C/09/596384) om een voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Familie

Zaaksgegevens: C/09/598959, JE RK 20-2106

Datum uitspraak: 10 september 2020

Beschikking van de meervoudige kamer

Afwijzing spoedvoorziening voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 7 september 2020 mondeling gedane en op diezelfde datum schriftelijk bevestigde verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

betreffende:

  • -

    [minderjarige 1] geboren op
    6 september 2005 te [geboorteplaats 1] , Egypte, verder: [minderjarige 1] , en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op
    13 juli 2011 te [geboorteplaats 2] , Egypte, verder: [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats] , Canada,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

en

[X] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 8 september 2020 van de zijde van de moeder;

- de brief van 8 september 2020 van de zijde van de vader.

Op 7 september 2020 is de behandeling van het teruggeleidingsverzoek van de vader (C/09/596384, FA RK 20-4678) ter videozitting (door de maatregelen in verband met het coronavirus) van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij waren digitaal aanwezig / telefonisch aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaten mr. M.M. van Maanen en mr. M.Q.M. Mosk en een tolk;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;

  • -

    de bijzondere curator, [naam]

  • -

    namens de Raad voor de Kinderbescherming mevrouw [medewerker RvdK]

Ter zitting heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht met onmiddellijke ingang een voorlopige ondertoezichtstelling over de kinderen uit te spreken en voorwaardelijk, in het geval de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding toewijst, een voorlopige voogdij uit te spreken.

Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling is op 7 september 2020 door de Raad schriftelijk bevestigd en bij de rechtbank geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/598959, JE RK 20-2106. De beslissing op het verzoek tot teruggeleiding en het voorwaardelijk verzoek tot het treffen van een voorlopige voogdijmaatregel is bepaald op
21 september 2020.

De beslissing op het onderhavige verzoek is telefonisch aan de advocaten en de Raad medegedeeld op 10 september 2020.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden, met toepassing van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De Raad heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De Raad gaat er vooralsnog vanuit dat beide ouders, na echtscheiding, met het gezag zijn belast. De ouders zijn verwikkeld in een teruggeleidingsprocedure, waarin de verhalen van de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. De ouders zijn sinds 2015 uit elkaar en vast staat dat er sinds augustus 2018 geen contact meer is geweest tussen de kinderen en de vader. Uit de rapportage van de bijzondere curator volgt dat de kinderen spreken over negatieve ervaringen met de vader, zoals mishandeling. De vader ontkent deze aantijgingen. De moeder stelt bang te zijn voor de vader, maar wel de kinderen te hebben gestimuleerd tot contactonderhoud met de vader. [minderjarige 1] geeft aan zelf te willen bepalen in hoeverre zij nog het contact met de vader wil aangaan. [minderjarige 2] geeft te kennen dat zij geen vertrouwen heeft in de vader. De Raad is van mening dat de ontwikkelingsbedreiging ziet op het volgende:

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met de moeder vanuit Egypte naar Nederland gekomen en hebben sinds augustus 2018 geen contact meer met de vader;

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben mogelijk onveilige situaties gekend in de contacten die zij met de vader hebben gehad;

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemen een zwart/witbeeld, namelijk bij de moeder en haar partner in Nederland is alles goed, terwijl de vader negatief wordt neergezet;

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen problemen krijgen met hun zelfbeeld, identiteitsontwikkeling en in het aangaan van relaties;

  • -

    [minderjarige 1] heeft volgens de moeder EMDR ontvangen vanwege trauma;

  • -

    [minderjarige 2] heeft volgens de moeder gesprekken gehad met een psychologe;

  • -

    ouders strijden met elkaar en zijn niet in staat om naar oplossingen te zoeken in het belang van de kinderen.

De Raad is van mening dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, nu de ouders verwikkeld zijn in een strijd waarbij zij de belangen van de kinderen uit het oog dreigen te verliezen. Er dient hulpverlening ingezet te worden, die zich richt op ingewikkelde systeemdynamieken, in de hoop dat deze doorbroken kunnen worden. De moeder lijkt de keuze van de kinderen om hun vader niet meer te zien te accepteren en hoewel zij aangeeft de kinderen te stimuleren om het contact met de vader aan te gaan is de Raad van mening dat de moeder dit niet uitstraalt naar de kinderen, nu de moeder zelf heeft aangegeven bang te zijn voor de vader. De moeder heeft ter zitting aangegeven wel in overleg te willen met de vader, echter de Raad betwijfelt of de moeder dit ook omzet in handelen, daar er reeds twee jaar geen contact is geweest tussen moeder en de vader en de vader en de kinderen. Er is per direct een jeugdbeschermer nodig, die de belangen van de kinderen voorop stelt en als neutrale tussenpersoon kan fungeren.

De moeder voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek. De moeder is van mening dat de Raad te laat is met de indiening van het verzoek, te meer nu de Raad al vanaf de indiening van het verzoek tot teruggeleiding betrokken is bij deze procedure. Voorts is de moeder van mening dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria om te komen tot een voorlopige ondertoezichtstelling. Zoals in iedere teruggeleidingsprocedure zijn er spanningen tussen de ouders. De kinderen worden echter niet dermate ernstig in hun ontwikkeling bedreigd dat dit een voorlopige ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De moeder heeft aangetoond dat zij in het belang van de kinderen handelt en zeker in staat is om de kinderen waar nodig ondersteuning en hulp te bieden. De moeder betwist de door de Raad gestelde ontwikkelingsbedreigingen. Het is juist dat de kinderen sinds augustus 2018 geen contact meer hebben met de vader. Het feit dat zij zich negatief uiten over hem, is op basis van hun eigen ervaringen. (Enige mate van) strijd tussen de ouders is niet uitzonderlijk in dit soort zaken en vormt geen grond voor een voorlopige ondertoezichtstelling. Daarnaast heeft de moeder de indruk dat de voorlopige ondertoezichtstelling uitsluitend tot doel zal hebben het contact met de vader te herstellen. Nu er verder geen zorgen zijn over de kinderen, kan een voorlopige ondertoezichtstelling niet alleen daarom worden uitgesproken.

De vader refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de late indiening van het verzoek door de Raad past bij het spoedkarakter van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft aan het begin van de mondelinge behandeling zorgen geuit over de opvoedsituatie van de kinderen en aan het einde van de zitting geconcludeerd dat er in de visie van de Raad sprake is van een acute en ernstige dreiging op grond waarvan direct ingrijpen via een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De rechtbank acht deze gang van zaken niet ongebruikelijk, nu zorgen tijdens de zitting kunnen worden ontkracht of bevestigd. De rechtbank acht het tijdstip van indiening van het verzoek dan ook niet in strijd met de goede procesorde en zal de Raad ontvangen in zijn verzoek.

Op grond van artikel 1:257 BW kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling zijn vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

De rechtbank stelt voorop dat het in het belang van een evenwichtige identiteitsontwikkeling is dat kinderen onbelast contact kunnen hebben met hun beide ouders. Zij acht het dan ook zeer zorgelijk dat het contact van de kinderen na een vakantie in september 2018 van het ene op het andere moment is stopgezet en dat de moeder zich in de daaropvolgende periode met de kinderen onvindbaar heeft gemaakt voor de vader en nadien zonder overleg met met de kinderen naar Nederland is verhuisd. De rechtbank overweegt voorts dat zij in de teruggeleidingsprocedure heeft kennisgenomen van de inhoud van de berichten die de moeder tijdens de laatste vakantie bij de vader aan [minderjarige 1] heeft gestuurd. Gelet hierop en op hetgeen overigens ter tafel is gekomen is gebleken dat er een ernstige strijd tussen de ouders gaande is en heeft de rechtbank de indruk dat de moeder niet stimulerend is in het contact tussen de vader en de kinderen. De rechtbank acht dit een zorgelijke situatie voor de kinderen, te meer nu de vader zich naar haar oordeel een betrokken vader toont en de situatie in een impasse is geraakt.

Gelet evenwel op het feit dat deze situatie, waarin de kinderen geen contact hebben met de vader, al twee jaar voortduurt en de rechtbank niet is gebleken dat de kinderen op dit moment prominente kindsignalen vertonen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hangend een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht dienen te worden gesteld. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de Raad afwijzen. Dat laat echter onverlet dat het de Raad vrijstaat om nader onderzoek te doen naar de opvoedsituatie van de kinderen.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de Raad om een voorlopige ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020 door mrs. J.Th.W. van Ravenstein, O.F. Bouwman en L. Koper, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Willems als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 21 september 2020.