Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14277

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
NL20.16154
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT - derde asielaanvraag Afghanistan - Bureau Documenten kan van Talibanbrief de authenticiteit niet vaststellen - geen nieuw gebleken feit - beroep ongegrond. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:14276)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16154

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nuummer]

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.16155, plaatsgevonden op 11 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Hussein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eerdere aanvragen

  1. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.

  2. Eiser heeft op 13 juli 2015 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Oezbeekse bevolkingsgroep en dat hij soennitisch moslim is. Eiser werd gedurende lange tijd lastiggevallen door een half oom genaamd [A] . Deze half oom was bij de Taliban en wilde dat eiser zich daar ook zou aansluiten. Eiser is een aantal keer mishandeld door deze oom. Ook eisers vader is mishandeld en daaraan overleden. Eiser heeft een jaar gewerkt voor het bedrijf [bedrijfsnaam] . Vanwege het werk heeft eiser van de Taliban een dreigbrief ontvangen op 27 mei 2015. Na vertrek van eiser is de broer van eiser ontvoerd door de half oom en de Taliban. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig bevonden en de aanvraag bij besluit van 10 februari 2017 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Bij uitspraak van 13 februari 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is het daartegen ingestelde

beroep ongegrond verklaard (AWB 17/5444). Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 29 maart 2018 is laatstgenoemde uitspraak van deze rechtbank bevestigd.

3. Op 17 juli 2019 heeft eiser een tweede aanvraag ingediend, waarbij (ongedateerde) kopieën van facebookberichten met Nederlandse vertaling zijn overgelegd. Deze stukken heeft verweerder niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Bij besluit van 15 november 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 12 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep tegen het besluit van 15 november 2019, ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld.

Onderhavige aanvraag

4. Op 17 juli 2020 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ter ondersteuning van zijn asielaanvraag heeft eiser een Talibanbrief van 24 maart 2020 overgelegd. Eiser heeft aangegeven dat het nieuwe beleid Afghanistan WBV 2020/17 toegepast moet worden omdat hij tot een minderheid behoort uit het gebied waar hij vandaan komt.

5. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Uit het rapport Bureau Documenten van 24 juli 2020 blijkt dat het Bureau niet over voldoende referentiemateriaal beschikt om uitspraak te doen over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud van de door eiser overgelegde Talibanbrief. Om die reden kan de Talibanbrief niet worden beschouwd als nieuw feit. Over het nieuwe beleid Afghanistan WBV 2020/17 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet heeft gesteld dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn etnische afkomst.

Gronden beroep

6. Eiser voert in beroep aan dat hij er alles aan heeft gedaan om de authenticiteit van de dreigbrief van de Taliban van 24 maart 2020 te onderbouwen. Eiser stelt dat zijn broer de brief persoonlijk heeft ontvangen. Dat er onvoldoende betrouwbaar referentiemateriaal is, maakt niet dat het document niet authentiek is. Uit het rapport van Bureau Documenten van 24 juli 2020 volgt dat de brief origineel is en dat er geen zichtbare sporen zijn van gewijzigde gegevens. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 23 april 2019, volgt dat er geen deskundige is die met zekerheid een oordeel kan geven over de authenticiteit van dreigbrieven van de Taliban.1 Dit kan niet voor eisers rekening komen, ook omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser is aangenomen. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 18 december 2017.2 Indien het wel voor eisers risico komt, heeft dit volgens eiser tot gevolg dat geen enkele asielzoeker die stelt te zijn bedreigd door de Taliban dit niet met een document zou kunnen aantonen. Eiser verzoekt de rechtbank om hem in de gelegenheid te stellen om een contra-expertise te laten opstellen door de expert [B] .

1. ECLI:NL:RBDHA:2019:12637.

2 ECLI:NL:RVS:2017:3468.

Toetsingskader

7. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld. Het ligt op de weg van de vreemdeling de authenticiteit van de aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde stukken aan te tonen. Verweerder kan de vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de stukken te laten beoordelen, zonder daarmee echter afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Als de authenticiteit van zodanige stukken niet in de bestuurlijke fase is komen vast te staan, is het aan de vreemdeling dit in beroep alsnog aan te tonen.3

8. De rechtbank overweegt als volgt. Van belang is dat sprake is van een herhaalde asielaanvraag van eiser. De rechtbank is van oordeel dat in die situatie geldt dat het risico van het niet kunnen vaststellen van de authenticiteit van de aan de opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegde stukken in beginsel bij degene ligt die de herhaalde aanvraag indient. In de situatie van eiser betekent dit dat het risico van het niet kunnen vaststellen van de authenticiteit van de Talibanbrief bij eiser ligt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Talibanbrief als ondersteunend bewijs voor het asielrelaas van eiser zou moeten gelden. Dit asielrelaas is echter ongeloofwaardig bevonden in eerdere procedures, welk oordeel door de ABRvS is bevestigd in hoger beroep. Onder die omstandigheden is geen sprake van ondersteunend bewijs. Verder slaagt het beroep van eiser op de uitspraak van de ABRvS van 18 december 2017 naar het oordeel van de rechtbank niet. Anders dan in de situatie van eiser ging het in die zaak om een eerste asielaanvraag van de vreemdeling. Bovendien bestond er in die zaak bij verweerder geen concrete twijfel ten aanzien van de authenticiteit van de documenten, waarvan de authenticiteit niet door Bureau Documenten kon worden vastgesteld. Dat is in de zaak van eiser anders. Over de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 23 april 2019 merkt de rechtbank op dat in die zaak sprake was van een andere uitkomst van het onderzoek naar de documenten door Bureau Documenten. De conclusie van Bureau Documenten luidde in die zaak dat de dreigbrieven van de Taliban hoogstwaarschijnlijk/mogelijk niet door bevoegde instantie waren opgemaakt. In de situatie van eiser kwam Bureau Documenten tot een andere conclusie, namelijk dat er vanwege het ontbreken van betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen oordeel kan worden gegeven over de echtheid van het document. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen. Gelet op deze omstandigheden in samenhang bezien, ziet de rechtbank ook geen reden om eiser nader in de gelegenheid te stellen om een contra-expertise in te brengen. Het verzoek om aanhouding van het beroep wijst de rechtbank dan ook af.

9. Onder verwijzing naar de conclusie van Bureau Documenten dat de Talibanbrief niet op authenticiteit is te onderzoeken en de authenticiteit van de brief daarmee niet is vast te stellen, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de Talibanbrief daarom niet als nieuw gebleken feit kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat eiser de brief heeft ontvangen van zijn broer, maakt niet dat de Talibanbrief als authentiek aangemerkt kan worden.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:664).

Horen

10. Verder voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser had meer kunnen verklaren over de wijze waarop de Talibanbrief is ontvangen door eisers broer en wat die broer heeft gemaakt. Deze werkwijze is volgens eiser niet in overeenstemming met de Werkinstructie 2019/9.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit van het horen van eiser heeft kunnen afzien, nu sprake was van een herhaalde aanvraag.

Conclusie

12. Wat hierboven is overwogen leidt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen wat betreft de door eiser bij zijn aanvraag gevoegde Talibanbrief.

12. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting.

Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

24 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.