Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
NL20.16113
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT - Ivoorkust - Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de betrokken punten maken dat twee elementen ongeloofwaardig zijn bevonden. - Beroep gegrond. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:14274)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16113

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.16114, plaatsgevonden op 11 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Jalloh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Asielmotieven

  1. Eiser stelt van Ivoriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Ivoorkust op veertienjarige leeftijd is gestoken door [A] , een chef van drugsdealers, omdat eiser weigerde om drugs voor hem te verkopen. Nadien heeft [A] eiser tot aan eisers vertrek uit Ivoorkust lastig gevallen, door eiser te slaan, te schoppen en te bedreigen omdat eiser geen drugs voor hem wilde verkopen. Eiser is een paar jaar later, toen hij zeventien of achttien jaar oud was, met [B] naar Nederland gereisd. Eenmaal in Nederland aangekomen wilde [B] seks met eiser, waarop eiser uit het huis van [B] is gevlucht en asiel heeft aangevraagd.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst.

  • -

    Problemen met drugsdealer.

  • -

    Vlucht en problemen met [B] .

Bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit worden de relevante elementen problemen met drugsdealer en vlucht en problemen met [B] ongeloofwaardig geacht, op basis waarvan de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst vooralsnog geloofwaardig worden geacht. De problemen met de drugsdealer [A] acht verweerder niet geloofwaardig gelet op vier punten. Ten eerste heeft eiser wisselend verklaard om welke reden hij de medewerkster van het Rode Kruis, die namens hem aangifte heeft gedaan van het steekincident in 2014, niet heeft gevraagd waarom de politie niets zal doen met deze aangifte. Ten tweede stelt verweerder dat eiser naar een ander politiebureau dan het bureau waar niets zou zijn gedaan met de aangifte had kunnen gaan om alsnog bescherming tegen [A] in te roepen. Ten derde heeft eiser volgens verweerder kennelijk tegenstrijdig verklaard over de duur van de problemen met [A] . Eiser heeft enerzijds verklaard dat de problemen zijn gestopt nadat eiser in 2014 naar de politie is gegaan en dat het lang geleden is dat hij te maken heeft gehad met [A] . Anderzijds heeft eiser verklaard dat de problemen met [A] zijn doorgegaan tot het moment dat eiser met [B] uit Bouaké is vertrokken. Ten vierde heeft eiser volgens verweerder wisselend verklaard over de rol die eisers vrienden hebben gespeeld in de problemen die eiser had met [A] . Het derde element van de vlucht en de problemen met [B] heeft verweerder ongeloofwaardig geacht op drie punten. Ten eerste zouden eiser en [B] geen afspraken hebben gemaakt over de betaling van de reis, hetgeen volgens verweerder gelet op de duur, kosten en risico’s voor [B] van de reis onwaarschijnlijk is. Ten tweede wordt onwaarschijnlijk geacht dat eiser er pas in Nederland achter kwam dat [B] seks met eiser als wederdienst wilde. Ten derde acht verweerder het ongeloofwaardig dat [B] de hele reis voor eiser zou hebben geregeld, zonder dat eiser ooit authentieke óf valse reisdocumenten zou hebben gehad, of zonder dat eiser weet hoe [B] dit heeft geregeld. De problemen die eiser zou krijgen met [B] in Ivoorkust zijn gebaseerd op vermoedens en niet onderbouwde speculaties.

Problemen met drugsdealer (element twee)

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de argumenten die in de zienswijze ten aanzien van element twee naar voren zijn gebracht. Het bestreden besluit is in die zin onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft aangevoerd dat hij in 2014, toen hij na het steekincident in het ziekenhuis lag, veel pijn had en dat hij onder die omstandigheden geen zin of behoefte had om aan de Rode Kruis medewerkster te vragen waarom de politie niets met zijn aangifte zou doen. Verder heeft eiser geen nieuwe aangifte gedaan bij een ander politiebureau omdat hij heeft gezien dat [A] geld aan de politie gaf. Ook was het voor eiser als straatjongen zonder geld zinloos om aangifte te doen, aangezien de politie in Ivoorkust corrupt is. In dit verband verwijst eiser naar het EASO rapport over Ivoorkust van juni 2019. Ten aanzien van de duur van de problemen met [A] stelt eiser dat hij niet wisselend heeft verklaard. Eiser heeft tijdens het gehoor eerst bedoeld te verklaren dat hij geen andere problemen dan de problemen met [A] heeft gehad. Eiser is een ongeschoold met een beperkte intelligentie. Dat hij daardoor niet adequaat kan verwoorden wat hij bedoelt is begrijpelijk. Dat eiser wisselend zou hebben verklaard over zijn vrienden is niet

terecht. Hij heeft eerst verklaard dat zijn vrienden [A] op hem hadden afgestuurd, en later dat hij het niet zeker weet. Hij heeft zijn verklaring alleen genuanceerd.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van het tweede element in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vier punten die zijn betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser leiden tot de conclusie dat het ongeloofwaardig is dat eiser problemen heeft gehad met [A] . Ten aanzien van het steekincident in 2014 heeft verweerder eiser gevolgd met betrekking tot de omstandigheid dat een medewerkster van het Rode Kruis aangifte heeft gedaan bij de politie. Dat eiser wel of niet heeft nagevraagd waarom de politie vervolgens niets met de aangifte zal doen, is naar het oordeel van de rechtbank van onderschikt belang voor de vraag of eiser problemen heeft gehad met [A] . Hetzelfde geldt voor het punt dat eiser niet nog een keer heeft geprobeerd aangifte te doen bij een ander politiebureau. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat het van belang is dat eiser nog een keer aangifte zou doen, aangezien eiser stelt te hebben gehoord dat de politie niets met de aangifte zal doen. De uitleg van eiser dat het in zijn ogen zinloos is om aangifte te doen, nu hij heeft gezien dat [A] de politie geld gaf en omdat de politie in de Ivoorkust corrupt is, heeft verweerder onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Ook heeft verweerder de verklaring van eiser over de duur van de problemen onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. In het nader gehoor op 14 augustus 2020 heeft eiser op de vraag ‘Hebt u ooit persoonlijke problemen ondervonden vanwege uw religie, geloofsovertuiging of persoonlijke leefwijze?’ geantwoord: ‘Er was een keer een man. Hij wou dat ik drugs voor hem verkocht. Ik heb dat geweigerd en toen trok hij een mes. Ik ben toen gestoken. Ik ben toen naar de politie gegaan. Daarna heb ik geen problemen ondervonden.’ De verklaring van eiser dat hieruit volgt dat hij geen andere problemen heeft ervaren dan problemen met [A] , komt de rechtbank niet onaannemelijk over. De vraag lijkt te zijn gesteld om alle problemen die eiser heeft ervaren in de Ivoorkust vast te stellen, niet om vast te stellen wat de duur van de problemen met [A] is geweest. In het bestreden besluit heeft verweerder deze verklaring onvoldoende kenbaar betrokken. De rechtbank volgt verweerder wel in het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn vrienden. Uit het verslag van het nader gehoor van 14 augustus 2020, op pagina 10 en 11, blijkt dat eiser eerst heeft verklaard dat zijn vrienden [A] op hem af hebben gestuurd en vervolgens heeft hij verklaard dat hij niet wist of zijn vrienden [A] op hem af hebben gestuurd. Dat dit een nuancering van eiser is van zijn eerdere verklaring, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht dit punt onvoldoende om alleen op grond daarvan uit te gaan van de ongeloofwaardigheid van het relaas ten aanzien van element twee. De beroepsgrond van eiser ten aanzien van het element problemen met [A] slaagt.

Vlucht en problemen met [B] (element drie)

7. Eiser voert aan dat verweerder het element van eisers vlucht en problemen met [B] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het is volgens eiser niet bevreemdend dat [B] pas na aankomst in Nederland zijn bedoelingen met eiser kenbaar gemaakt zou hebben. Het is bovendien niet vreemd dat eiser [B] niet heeft betaald en geen afspraken gemaakt. [B] is namelijk homoseksueel en had een geheime agenda met het smokkelen van eiser naar Nederland. Hij wilde eiser seksueel misbruiken in Nederland en had daar geld voor over. Vanwege deze plannen die [B] had, is het juist begrijpelijk dat [B] eiser geen deelgenoot heeft gemaakt van het voorhanden zijn van (valse) documenten. Voor een groot deel van de reis naar Nederland zijn er geen reisdocumenten getoond. Dat eiser geen documenten heeft gezien is volgens eiser dus aannemelijk.

8. De rechtbank is ten aanzien van element drie van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de drie punten, die hij van belang heeft geacht, tot de conclusie leiden dat het element van de vlucht met [B] naar Nederland en de problemen met [B] ongeloofwaardig wordt bevonden. Verweerder heeft eiser gevolgd dat het voorstelbaar is dat eiser bij [B] in de auto is gestapt om het gevaar voor [A] te ontsnappen. Verweerder heeft het vervolgens ongeloofwaardig gevonden dat eiser tijdens de reis niet op de hoogte was van de voornoemde wederdienst van eiser richting [B] , dat er geen afspraken zijn gemaakt over de reis en dat eiser niets wist over de reisdocumenten die [B] heeft gebruikt. Bij dit element heeft verweerder hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, namelijk dat [B] een geheime agenda had en die pas kenbaar maakte in Nederland, onvoldoende kenbaar betrokken. De uitleg van eiser dat [B] hem naar Nederland heeft gesmokkeld om hem in Nederland seksueel te misbruiken, waardoor het niet vreemd is dat [B] de reis voor hem heeft geregeld zonder dat eiser wist hoe het was geregeld, heeft verweerder evenmin voldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling. In de situatie dat sprake zou zijn van het hebben van een geheime agenda aan de zijde van [B] is het niet onaannemelijk dat [B] eiser niet op de hoogte heeft gesteld van de wederdienst die werd verwacht en dat eiser niet op de hoogte was van alle details over de reis. De beroepsgrond van eiser ten aanzien van het element vlucht en problemen met [B] slaagt.

Conclusie

9. De conclusie is dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en het daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te beoordelen. Ook ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Proceskostenveroordeling

10 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

24 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.