Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14273

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7299
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker 1 had een afspraak bij de RNI balie gemaakt. Verweerder heeft de afspraak per- mail afgezegd en heeft daarbij een reden voor het afzeggen gegeven.

Verzoekers hebben beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat verweerder wordt bevolgen verzoekers in te schrijven in het RNI. Het beroepschrift is aangemerkt als een bezwaarschrift en met toepassing van artikel; 6:15, tweede lid, van de Awb doorgezonden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

De voorzieningenrechter heeft het e-mailbericht aangemerkt als een besluit in de zin van artijkel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hoewel verzoeker 1 formeel geen aanvraag heeft ingediend is het e-mailbericht wel gericht op rechtsgevolg. Met de mededeling in het e-mailbericht wordt wel beoogd de juridische status van verzoeker vast te stellen. Aan hem wordt in feite meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor inschrijving in het RNI.

Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan niet van verzoeker 1 kan worden verlangd de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten. Verzoeker 1 staat ingeschreven in de BRP. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek van verzoeker 2 is niet-ontvankelijk, omdat verzoeker 2 niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/7299

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] , te [woonplaats] , verzoeker 1

[verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoeker 2, tezamen verzoekers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2. Op 9 november 2020 heeft verzoeker 1 telefonisch een afspraak gemaakt met de gemeente Leiden inzake de inschrijving in het Register Niet-ingezetenen (RNI). Op dezelfde datum heeft de gemeente een digitale afspraakbevestiging gezonden met als tijd en datum afspraak: 15:40 uur op 12 november 2020.

Op 12 november 2020 heeft de gemeente de afspraak bij de RNI balie afgezegd. In het e-mailbericht van 12 november 2020 van 11:49 uur heeft de Operationeel Manager Publiekszaken, van het Cluster Publiekszaken, Handhaving & Veiligheid toegelicht dat de reden voor het afzeggen van de afspraak is dat verzoeker staat ingeschreven op het adres [adres] en hij in het bezit is van een Burger Servicenummer (BSN) en daarom niet bij de balie RNI terecht kunt. Deze balie is alleen bedoeld voor burgers die nog niet in het bezit zijn van een BSN en korter dan vier maanden in Nederland verblijven.

Verzoekers hebben tegen het e-mailbericht van 12 november 2020 beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat verweerder wordt bevolen verzoekers in te schrijven in het RNI.

3. Verweerder stelt zich in het verweerschrift onder andere op het standpunt dat er geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is genomen.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt. Het bezwaar moet dus gericht zijn tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het woord “rechtshandeling” in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bedoeld wordt dat het moet gaan om een handeling die gericht is op een rechtsgevolg. Kenmerkend voor een zodanige rechtshandeling is dat het om een handelen gaat waarmee het bestuursorgaan geacht moet worden enig zelfstandig rechtsgevolg te hebben beoogd. Daarvan is sprake indien is beoogd om een bevoegdheid, een recht of een verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroepschrift dient te worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen de e-mail van 12 november 2020. De voorzieningenrechter zal het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb aan verweerder doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift.

4.3.

De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom beoordelen als zijnde connex aan voornoemd bezwaarschrift.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het indienen van de aanvraag om inschrijving in de RNI dient de aanvrager in persoon bij één van de 19 gemeenten met een RNI-loket in Nederland te verschijnen. Verzoeker 1 heeft geen aanvraag kunnen indienen omdat zijn afspraak door de gemeente is afgezegd. Hoewel verzoeker 1 formeel geen aanvraag heeft ingediend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het e-mailbericht van 12 november 2020 wel is gericht op rechtsgevolg. Met de mededeling in het e-mailbericht wordt wel beoogd de juridische status van verzoekers vast te stellen. Aan verzoeker wordt immers in feite meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor inschrijving in het RNI.

Het e-mailbericht van 12 november 2020 moet daarom worden aangemerkt als een besluit in ze zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend.

4.5.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is sprake als niet gewacht kan worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak, in dit geval de behandeling van het bezwaarschrift van verzoeker 1.

4.6.

Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan niet van verzoeker 1 kan worden verlangd de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten. Verzoeker 1 staat volgens verweerder op grond van zijn eigen aangifte ingeschreven op het adres [adres] [huisnummer] te [plaats] . Ook is zijn BSN sinds 26 september 1995 opgenomen in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan deze informatie te twijfelen. Voor zover de inschrijving op het adres [adres] [huisnummer] te [plaats] niet langer actueel is, kan verzoeker 1 zich wenden tot de gemeente waar hij verblijft met het verzoek het adres te wijzigen.

4.7.

De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker 1 wijst de voorzieningenrechter daarom af.

4.8.

Het verzoek om een voorlopige voorzieningen van verzoeker 2 verklaart de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk, omdat verzoeker 2 niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Anders dan verzoeker 1 heeft verzoeker 2 geen afspraak voor het indienen van een verzoek om inschrijving in het RNI. Het e-mailbericht van 12 november 2020 is ook niet aan hem gericht. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verzoeker 2 geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 12 november 2020. Dit betekent dat tegen het e-mailbericht voor verzoeker 2 geen bezwaar openstaat.

5. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker 1 af;

- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker 2 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.