Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14264

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
NL20. 16443
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, geen rechtmatig verblijf, voldoende gronden, lichter middel onvoldoende gemotiveerd, motiveringsgebrek dat niet na oplegging maatregel kan worden hersteld, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

-----------------------------

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20. l 6443

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Mateo Diaz, als waarnemer voor zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Venezolaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1998] .

De bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4c heeft betwist. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de zware grond onder 3d niet langer aan de maatregel ten grondslag wordt gelegd. Verweerder handhaaft de overige zware gronden. Verweerder kan bij de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volstaan met een toelichting waaruit de feitelijk juistheid van die grond blijkt.3 Eiser heeft de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a, 3b en 3c niet betwist en deze bewaringsgronden zijn samen voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze drie gronden kunnen de maatregel dus al dragen. De rechtbank bespreekt daarom de lichte grond onder 4c niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser voert verder aan dat een lichter middel dan bewaring kan worden toegepast. Eiser stelt dat hij bij zijn moeder en broertjes kan verblijven onder oplegging van een meldplicht.

5. Uit de uitspraken van de ABRvS van 10 april 20154 en van 13 mei 20155 volgt, kort samengevat, dat verweerder reeds in de maatregel van bewaring kenbaar moet motiveren dat niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan. Ook volgt hieruit dat verweerder in aanvulling op de bewaringsgronden moet beoordelen of de vreemdeling bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken.

6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"( ...). Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.

4 ECLI:NL:RVS:2015:1309.

5 ECLI:NL:RVS:2015:1593.

betrokkene is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.

Door de vreemdeling zijn geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel.

Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor betrokkene onevenredig bezwarend maken.(...). "

7. De rechtbank stelt vast uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 3 september 2020 blijkt dat aan eiser is gevraagd of er redenen zijn om aan hem een lichter middel dan de bewaring op te leggen.

Eiser heeft deze vraag als volgt beantwoord:

"( ... ). Ik probeer een goed burger te zijn en ik wil werken en naar school gaan en uiteraard mijn moeder en mijn broertjes.(...) "

De rechtbank oordeelt dat verweerder deze omstandigheden, die eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring naar voren heeft gebracht, ten onrechte niet in de maatregel kenbaar in zijn afweging of op eiser een afdoende, minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen, heeft betrokken. Gelet op de voornoemde jurisprudentie is sprake van een motiveringsgebrek dat niet na de oplegging van de maatregel kan worden hersteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is. Gelet hierop behoeft de overige beroepsgrond met betrekking tot het zicht op uitzetting geen bespreking.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 september 2020.

9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 105,- (verblijf politiecel) en 10 x € 80,- (verblijf detentiecentrum)=€ 1.010,-.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 september 2020;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.010,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

zaaknummer: NL20. l 6443 5

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 4 SEP. 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.