Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
C/09/548154, C/09/563906 en C/09/586161
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

"Verzoeken m.b.t. afstamming, gezag, hoofdverblijfplaats en omgang aangehouden in afwachting van nieuw DNA-onderzoek en raadsonderzoek."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 18-1140, 18-8711 en 19-9820

Zaaknummers: C/09/548154, C/09/563906 en C/09/586161

Datum beschikking: 5 maart 2020

Afstamming, gezag, hoofdverblijfplaats en omgang

Beschikking op de op 15 februari 2018 (548154), op 23 november 2018 (563906) en op 24 december 2019 (586161) ingekomen inleidende verzoekschriften van/tegen de volgende vier belanghebbenden:

[X] en [partner van X] ,

de moeder [X] wonende op een geheim adres in [woonplaats 1] ,

haar partner [partner van X] formeel wonende te [woonplaats 2] , maar verblijvende bij [X] te [woonplaats 1] ,

advocaten: mr. W.H.J.W. de Brouwer en mr. S. van Buuren, kantoorgenoten te Rotterdam.

tegen

[Y] en [grootmoe vz]

de juridische vader [Y] wonende te [woonplaats 3]

de juridische grootmoeder aan vaderszijde elders wonende te [woonplaats 4]

advocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten te Den Haag.

De rechtbank merkt als informanten aan:

  1. de stichting Jeugdbescherming west Haaglanden te Den Haag, als GI tot 4 maart 2020 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS) van de minderjarige [minderjarige] , geboren [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,

  2. de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, als GI vanaf 4 maart 2020 belast met de verdere OTS van de minderjarige [minderjarige] , en

  3. de Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag, dossiernummer [nummer]

Procedures

De rechtbank heeft kennis genomen van alle processtukken met producties tot dusver in de bovenstaande drie samenhangende en daarom tegelijkertijd behandelde procedures. Met instemming van de advocaten aan beide zijden heeft de rechtbank ook kennisgenomen van de inhoud van alle processtukken in de in eerste aanleg door de rechtbank al afgedane samenhangende procedure met zaaknummer C/09/567973 (gezag en omgang).

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van alle processtukken in de samenhangende en ter zitting tegelijkertijd behandelde twee procedures met de zaaknummers C/09/587184 (verlenging OTS) en C/09/587782 (vervanging GI).

Ter gecombineerde zitting van 5 februari 2020 heeft de rechtbank de vijf samenhangende nog lopende procedures met de bovenstaande vijf zaaknummers tegelijkertijd behandeld.

Verschenen zijn ter gecombineerde zitting van 5 februari 2020:

- de moeder [X] en haar partner [partner van X] , bijgestaan door de advocaat mr. De Brouwer;

- de juridische vader [Y] en zijn moeder (de juridische grootmoeder aan vaderszijde) [grootmoe vz] , bijgestaan door de advocaat mr. Siemerink-Looten;

- de heer [medewerker GI] namens de GI Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna JBW;

- mevrouw [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna ook RvdK.

Bij afzonderlijke beschikking van 4 maart 2020 heeft de rechtbank in de samenhangende twee procedures met de zaaknummers C/09/587184 en C/09/587782 samengevat besloten:

  • -

    de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] te verlengen van 18 maart 2020 tot 18 maart 2021;

  • -

    de stichting JBW te Den Haag per direct te vervangen door de WSS te Amsterdam als GI die is belast met de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;

  • -

    de hoofddoelen van de verdere ondertoezichtstelling van [minderjarige] te herformuleren op de wijze zoals in die beschikking van 4 maart 2020 is bepaald.

Verzoeken

In de langstlopende bodemprocedure met zaaknummer C/09/548154 moet de rechtbank naar zij althans begrijpt nu samengevat de volgende, recent ook weer gewijzigde verzoeken van de advocaten aan beide zijden beoordelen en daarover beslissen:

  • -

    het verzoek namens de moeder [X] tot eenhoofdig gezag over [minderjarige] :

  • -

    het verzoek namens de moeder [X] tot ontzegging of sterke beperking van de omgang tussen [minderjarige] en de juridische vader [Y] ;

  • -

    het primaire tegenverzoek namens de juridische vader [Y] om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem ( [Y] ) te bepalen en het gezag van de moeder [X] over [minderjarige] sterk te beperken;

  • -

    het subsidiaire tegenverzoek van de juridische vader [Y] tot opnieuw vaststelling van een onbegeleide of eerst begeleide zorgregeling tussen [minderjarige] en hem ( [Y] ).

In de langlopende bodemprocedure met zaaknummer C/09/563906 moet de rechtbank nu het volgende verzoek van de advocaten van de huidige informele stiefvader (en volgens [X] en [partner van X] ook de biologische vader) [partner van X] beoordelen:

- het verzoek van de stiefvader (en biologische vader?) [partner van X] tot benoeming van een nieuwe bijzonder curator van [minderjarige] ex art. 1:212 BW, met als achterliggende doelen naar de rechtbank begrijpt aldus alsnog te kunnen komen tot een vernietiging van de vroegere erkenning van [minderjarige] door de juridische vader [Y] , tot ouderlijk medegezag over [minderjarige] door [partner van X] en tot wijziging van de achternaam van [minderjarige] van “ [Y] ” in “ [X] ” of “ [partner van X] ”.

In de recent gestarte nieuwe bodemprocedure C/09/586161 moet de rechtbank tenslotte beslissen over:

- het verzoek namens de juridische (en tot medio 2018 sociale) grootmoeder aan vaderzijde [grootmoe vz] tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] wekelijks elke woensdagmiddag uit school 12.30 uur tot woensdagavond 19.00 uur.

In alle bodemprocedures wordt namens de belanghebbenden aan de andere zijde gemotiveerd verweer gevoerd. Voor de weergave van de tot dusver onverenigbare standpunten aan beide zijden volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van alle processtukken met producties, van alle beschikkingen van de rechtbank tot dusver en van het verhandelde ter gecombineerde regiezitting van 5 februari 2020. Het proces-verbaal daarvan heeft de rechtbank op 2 maart 2020 vastgesteld. De rechtbank zal dat proces-verbaal tegelijkertijd met deze beschikking van 5 maart 2020 aan de advocaten aan beide zijden doen toezenden.

Feiten

  • -

    Op [geboortedatum 1] 2014 is te Den Haag uit de moeder [X] geboren de minderjarige [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] heeft aan moederszijde een oudere halfbroer [halfbroer mj] geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 2] , die in [woonplaats halfbroer mj] woont en opgroeit bij zijn grootouders [geslachtsnaam grootouders] aan zijn vaderszijde. [halfbroer mj] verblijft om het weekend bij zijn moeder [X] en zijn halfbroer [minderjarige] .

  • -

    De moeder [X] heeft in 2014 een achteraf bezien relatief korte affectieve relatie gehad met de juridische vader [Y] . [Y] heeft [minderjarige] op 1 augustus 2014 (een dag dus na de geboorte van [minderjarige] ) erkend als zijn kind maar is niet de biologische vader van [minderjarige] . De moeder [X] en de juridische vader [Y] zijn per 4 september 2014 op eigen verzoek gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

  • -

    De moeder [X] heeft na de partnerbreuk met [Y] een affectieve relatie gehad en met [minderjarige] (deels) samengewoond met een andere man, van wie de naam niet uit de processtukken blijkt. Die toenmalige woning van [X] , [minderjarige] en haar toenmalige partner in [plaatsnaam 1] is in 2017 ontruimd wegens een daar aangetroffen hennepkwekerij.

  • -

    De moeder [X] heeft daarna sinds januari 2018 een affectieve relatie met haar nieuwe partner [partner van X] en woont sinds 1 april 2018 feitelijk ook met [partner van X] samen.

  • -

    [minderjarige] woont dus sinds 1 april 2018 bij zijn moeder [X] en bij zijn (informele) stiefvader [partner van X] op een geheim adres in [woonplaats 1] . Volgens [X] en [partner van X] is [partner van X] ook de biologische vader van [minderjarige] , maar dat staat tot dusver niet vast.

  • -

    De juridische vader [Y] en zijn moeder (de juridische grootmoeder aan vaderszijde) [grootmoe vz] hebben vanaf begin 2015 na de partnerbreuk tussen [X] en [Y] omgang en family life met [minderjarige] gehad en [minderjarige] mede opgevangen, verzorgd en opgevoed, totdat de moeder [X] dat alles vanaf 1 april 2018 stopzette.

  • -

    Er liepen en lopen bij deze rechtbank vele procedures tussen enerzijds [X] en [partner van X] en anderzijds [Y] en [grootmoe vz] over de nu ruim 5-jarige [minderjarige] betreffende samengevat afstamming, gezag, hoofdverblijfplaats, gezagsgeschillen, omgang, ondertoezichtstelling, vervanging GI en machtiging uithuisplaatsing. Samengevat heeft deze rechtbank daarin tot dusver op chronologische volgorde het volgende beslist.

  • -

    Bij beschikking van 22 februari 2018 heeft deze rechtbank op verzoek van de moeder [X] als bijzonder curator van [minderjarige] ex art. 1:212 BW mr. [naam bijzondere curator] benoemd.

  • -

    Bij beschikking van 18 juni 2018 heeft deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van JBW van 18 juni 2018 tot 18 september 2018 en daarbij ook een voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige] en zijn juridische vader [Y] vastgesteld.

  • -

    Bij kort geding vonnis van 12 juli 2018 heeft deze rechtbank de moeder [X] veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 18 juni 2018 vastgestelde voorlopige zorgregeling op straffe van een dwangsom. Alle overige vorderingen in kort geding van de vader [Y] zijn toen afgewezen.

  • -

    Bij mondelinge uitspraak in kort geding van 30 juli 2018 heeft deze rechtbank de vorderingen in kort geding van de moeder [X] tot vervangende toestemming voor een paspoort en een zomervakantie 2018 naar Suriname van [minderjarige] afgewezen.

  • -

    Bij beschikking van 17 september 2018 heeft deze rechtbank [minderjarige] op advies van de RvdK vervolgens onder toezicht gesteld van JBW van 18 september 2018 tot 18 september 2019, met de in die beschikking vermelde elf doelstellingen voor [minderjarige] .

  • -

    Bij beschikking van 15 oktober 2018 heeft deze rechtbank samengevat bepaald dat de werkzaamheden van de bijzondere curator mr. [naam bijzondere curator] in eerste aanleg zijn beëindigd en dat de bijzondere curator het niet in het belang acht van [minderjarige] dat de erkenning door de vader [Y] wordt vernietigd, zodat de rechtbank daarover niets hoeft te beslissen. Verder heeft de rechtbank toen beslist dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats heeft bij zijn moeder [X] , een zorgregeling van [minderjarige] met zijn vader [Y] vastgesteld tot en met de herfstvakantie 2018 en voor het overige de duur en frequentie van de verdere zorgregeling overgelaten aan JBW in het kader van de OTS, en het verzoek tot eenoudergezag van de moeder [X] ten slotte pro forma aangehouden.

  • -

    Bij beschikking van 12 juni 2019 heeft deze rechtbank bepaald dat de ouders van [minderjarige] samengevat naar het Wilmahuis te [plaatsnaam 2] moeten gaan voor begeleide omgang tussen [minderjarige] en zijn vader [Y] met een duur en frequentie zoals in die beschikking is bepaald. Ook heeft de rechtbank toen bepaald dat de moeder [X] de vader [Y] eens per twee maanden via email informatie over en een foto van [minderjarige] moet toesturen, onder afwijzing van al het toen over en weer meer of anders verzochte.

  • -

    Bij kort geding vonnis van 8 augustus 2019 heeft deze rechtbank de RvdK met spoed verzocht een onderzoek te verrichten zoals vermeld in dat kort geding vonnis en daarover te rapporteren en te adviseren in de door de moeder [X] nog te starten bodemprocedure. Ook heeft de kort geding rechter de moeder [X] veroordeeld tot nakoming van de begeleide omgangsregeling via het Wilmahuis zoals bij beschikking van 12 juni 2019 is bepaald op straffe van een dwangsom en tot alsnog behoorlijke nakoming van de informatieregeling uit die beschikking zonder dwangsom. Al het over en weer in kort geding toen meer of anders gevorderde is afgewezen.

  • -

    Bij beschikking van 3 september 2019 heeft deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 18 september 2019 tot 18 maart 2020, met behoud van de stichting JBW als GI en onder afwijzing van het zelfstandig verzoek van [Y] tot vervanging van JBW als GI.

  • -

    Bij beschikking van 25 november 2019 heeft deze rechtbank een regierechter voor [minderjarige] benoemd en een gecombineerde regiezitting bepaald op 5 februari 2020, met de daarin vermelde procesinstructies aan de advocaten aan weerszijden en aan JBW.

  • -

    Bij beschikking van 4 maart 2020 heeft deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 18 maart 2020 tot 18 maart 2021, voorts JBW vervangen door de WSS als de GI die is belast met de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , en tot slot de vier hoofddoelen van de verdere OTS van [minderjarige] geherformuleerd.

Beoordeling

Nieuw DNA-onderzoek Verilabs BV

[X] en [partner van X] hebben kort voor de gecombineerde regiezitting van 5 februari 2020 een evident vervalst rapport van een in hun eigen opdracht verricht DNA-onderzoek door Verilabs BV te Gouda doen indienen door hun advocaat mr. Van Buuren. Ter zitting van 5 februari 2020 hebben de toen aanwezige advocaten aan beide zijden desverzocht toestemming geven aan de rechtbank om het complete originele rapport van Verilabs bij Verilabs op te vragen en daarvan kennis te nemen met kopie aan beide advocaten, zoals ook door Verilabs BV voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank was aangeboden. De advocaat mr. De Brouwer van [X] en [partner van X] heeft die toestemming echter na de zitting weer ingetrokken.

Alles afwegende is het naar het oordeel van de rechtbank van groot belang voor alle direct betrokkenen en vooral voor [minderjarige] - en ook van belang voor de door de rechtbank te nemen eindbeslissingen in eerste aanleg - dat via een rechtsgeldig DNA-onderzoek zo mogelijk alsnog komt vast te staan met welke mate van waarschijnlijkheid (met welk statistisch percentage) de heer [partner van X] nu wel of niet de biologische vader van [minderjarige] is. Na onderzoek door de rechtbank blijkt dat Verilabs BV op dit moment anders dan voorheen de enige instantie is voor rechtsgeldige DNA-vaderschapstesten in Nederland. De rechtbank zal daarom een nieuw DNA-onderzoek en DNA-rapport door Verilabs BV te Gouda bevelen, maar ditmaal in de vorm van een deskundigenbericht in opdracht van de rechtbank na een door [X] en/of [partner van X] te betalen voorschot. Dit alles op de nadere wijze en termijn zoals de rechtbank hierna bij de beslissingen zal bepalen. De rechtbank wijst de procespartijen [X] en [partner van X] er voor de goede orde op dat de rechtbank bij hun onverhoopte niet of onvoldoende medewerking aan dit nieuwe DNA-onderzoek door Verilabs BV daaraan in het vervolg van deze samenhangende procedures de nadelige gevolgen voor [X] en [partner van X] zal kunnen verbinden die de rechtbank gepast oordeelt.

Nieuw onderzoek en advies RvdK

De strijd tussen enerzijds [X] en [partner van X] (en vermoedelijk hun naaste familieleden) en anderzijds [Y] en [grootmoe vz] (en vermoedelijk hun naaste familieleden) over de nu ruim 5-jarige [minderjarige] is inmiddels ernstig geëscaleerd en verhard. Ook bestaan er nog steeds ernstige zorgen van de rechtbank over de schadelijke gevolgen daarvan voor [minderjarige] en over zijn ontwikkeling, sociaal probleemgedrag, veiligheid en stabiliteit in meer algemene zin. Natuurlijk kan een kind anno 2020 meerdere volwassen hechtingsfiguren, verzorgers en opvoeders hebben, maar meerdere opvolgende partners van zijn moeder “pappa” moeten en/of willen noemen lijkt in deze atypische en complexe opvoedsituatie niet te bevatten, niet haalbaar en dus schadelijk voor [minderjarige] . Reeds daarom ziet de rechtbank ook niets in het door Intermetzo aan JBW geadviseerde standaard groepstraject Kinderen uit de Knel. De rechtbank hoopt dat de regie van de nieuwe GI WSS anders dan de vorige GI JBW tijdens de verdere OTS van [minderjarige] alsnog een relevante samenwerking tussen en een praktische oplossing voor alle over [minderjarige] nu strijdende volwassenen en vooral voor [minderjarige] zelf kan bewerkstelligen, maar beseft dat dit geen eenvoudige opgave voor de WSS is.

Evenals de advocaten aan weerszijden is de rechtbank van oordeel dat deze samenhangende bodemprocedures bij de rechtbank nu op een kantelpunt zijn beland en dat er dus zo mogelijk nog in 2020 vermoedelijk harde eindbeslissingen in eerste aanleg voor [minderjarige] moeten worden genomen, linksom of rechtsom, indien de strijd over [minderjarige] blijft voortduren. De rechtbank wil alles afwegende deze eindbeslissingen echter pas nemen na een nieuw actueel onderzoek en advies van de RvdK over de kernvragen in deze bodemprocedures, ditmaal anders dan in het eerdere advies van de RvdK van 7 september 2018 ook met een gemotiveerd advies van de RvdK over de verdere rol van de huidige informele stiefvader en de mogelijke biologische vader [partner van X] in het leven van [minderjarige] naast die van de juridische vader [Y] . Twee vaders en een moeder zijn immers in strijd met de uitgangspunten van internationale verdragen, de Nederlandse wet en de Nederlandse rechtspraktijk en niet te bevatten voor een minderjarige zoals [minderjarige] , die toch al kwetsbaarder is en meer probleemgedrag zoals agressie vertoont dan een gemiddeld kind van zijn leeftijd.

Ook ligt het voor juristen - zoals ter zitting van 5 februari 2020 ook al is aangestipt - enerzijds voor de hand om de moeder [X] nu af te rekenen op haar voortdurend negeren van beslissingen van de rechtbank en adviezen van de RvdK en JBW tot contactherstel van [minderjarige] met de vader [Y] , op haar voortdurend negeren van het ouderlijk gezag van [Y] door schoolwisselingen en verhuizingen van [minderjarige] zonder overleg met en toestemming van de vader, op samengevat haar belaste verleden en op haar ook voor een kind zoals [minderjarige] zeer zorgelijke patroon van telkens weer niet de hele waarheid zeggen, een hennepkwekerij met een jong kind in huis, mogelijke bijstandsfraude en nu weer indiening van een evident vervalst DNA-rapport bij de rechtbank. Anderzijds echter is het zeer ingrijpend op de korte en op de lange termijn voor [minderjarige] vanuit pedagogisch en/of kinderpsychologisch perspectief om hem daarom dan nu maar - zoals door de advocaat mr. Simerink-Looten ter zitting is bepleit net als in het verleden [minderjarige] oudere halfbroer [halfbroer mj] - na ruim vijf jaar gezinsverband uit huis te doen halen bij zijn moeder [X] en na twee jaar gezinsverband bij zijn informele stiefvader (en mogelijke biologische vader) [partner van X] , en om zijn hoofdverblijfplaats daarna te bepalen bij zijn niet biologische vader [Y] of in een neutraal onpartijdig pleeggezin.

Over de huidige situatie van de juridische vader [Y] is nu nog zeer weinig bekend. Ook [Y] heeft in het verleden in strijd met de waarheid lange tijd zijn moeder [grootmoe vz] (en de naaste familie) laten geloven dat [minderjarige] zijn biologische kind en dus haar biologische kleinkind zou zijn. Met de moeder [X] en de stiefvader [partner van X] vraagt de rechtbank zich af of [Y] werkelijk een veilige en stabiele hoofdverblijfplaats en opvoedsituatie aan [minderjarige] zou kunnen bieden, dit gelet op onder meer zijn nog te weinig kindvriendelijke woonsituatie ten tijde van het vorige raadsonderzoek in augustus 2018, zijn feitelijke gebrek aan contact met [minderjarige] sinds medio 2018 en ook zijn huidige werkloosheid en dus onduidelijke toekomstperspectief. Voorts zijn de uitgangspunten van internationale verdragen, de Nederlandse wetgever en de Nederlandse rechtspraktijk het belang van het kind, zo mogelijk het primaat van de twee biologische ouders en het zo veel mogelijk doen aansluiten van de juridische situatie bij de feitelijke situatie van een minderjarig kind.

Voordat de rechtbank een dergelijke harde ingrijpende beslissing voor [minderjarige] neemt, linksom of rechtsom, wil de rechtbank vooral daarover eerst een concreet actueel advies op maat van de RvdK ontvangen in deze atypische en complexe samenhangende bodemprocedures met de voortdurende strijd en spanningen rondom [minderjarige] . Ook weegt daarbij voor de rechtbank mee dat de RvdK tot dusver zonder verdere toelichting, die ontbreekt, blijkbaar niet het door de rechtbank bij kort geding vonnis van 8 augustus 2019 verzochte spoedonderzoek heeft verricht en het verzochte spoedadvies over [minderjarige] aan de rechtbank heeft gegeven. Wellicht is een verklaring daarvoor dat er anders dan de voorzieningenrechter toen heeft overwogen niet eerst nog een bodemprocedure door de moeder moest worden gestart maar dat er allang een bodemprocedure bij de rechtbank liep, maar een bevredigende verklaring is dat voor de rechtbank vooralsnog niet. Mede daarom maar gelet vooral op het tijdsverloop en de escalerende strijd in deze atypische en complexe samenhangende bodemprocedures zal de rechtbank nu alsnog een onderzoek en advies met spoed door de RvdK verzoeken naar en over de huidige en toekomstige belangen en situatie van de minderjarige [minderjarige] [Y] . Dit met in ieder geval een gemotiveerd en concreet actueel advies van de RvdK over de volgende zes concrete vragen van de rechtbank:

  1. Welke concrete afstamming en achternaam van [minderjarige] aan vaderszijde is volgens de RvdK het meest in het belang van [minderjarige] , de huidige erkenning door en achternaam van [Y] of alsnog een erkenning door en achternaam van [partner van X] ? Maakt het daarbij voor de RvdK verschil met welke mate van waarschijnlijkheid [partner van X] uiteindelijk na het deskundigenbericht van Verilabs BV wel of niet de biologische vader van [minderjarige] blijkt te zijn en zo ja, welk concreet verschil?

  2. Welke concrete gezagsvoorziening is volgens de RvdK het meest in het belang van [minderjarige] : eenoudergezag van de moeder [X] , gezamenlijk gezag van [X] en [Y] , gezamenlijk gezag van [X] en [partner van X] , of welke eventuele andere gezagsvoorziening voor [minderjarige] ?

  3. Welke concrete hoofdverblijfplaats en veilige en stabiele opvoedomgeving is het meest in het belang van [minderjarige] : bij de moeder [X] , bij de huidige juridische vader [Y] of elders zoals bijvoorbeeld in een neutraal en stabiel pleeggezin? Maakt het daarbij voor de RvdK verschil of de huidige partnerrelatie en feitelijke samenwoning tussen [X] en [partner van X] wel of niet stand zal houden, en of en met welke mate van waarschijnlijkheid [partner van X] wel of niet de biologische vader van [minderjarige] zal blijken te zijn, en zo ja, welk verschil?

  4. Is indien [minderjarige] zijn hoofverblijfplaats houdt bij de moeder [X] (en bij de stiefvader [partner van X] ), contactherstel en een omgangsregeling met [Y] en [grootmoe vz] gelet op alle gewijzigde omstandigheden en de voortdurende strijd nu nog in het belang van [minderjarige] , en zo ja, op welke concrete wijze en onder welke eventuele voorwaarden?

  5. Welke concrete en voor [minderjarige] haalbare rol kunnen volgens de RvdK in dit specifieke geval de moeder [X] , de stiefvader [partner van X] , de halfbroer [halfbroer mj] , de juridische vader [Y] , de juridische grootmoeder [grootmoe vz] en de eventuele overige naaste familieleden in het leven van [minderjarige] blijven spelen?

  6. Op welke concrete wijze en termijn kan en moet aan [minderjarige] zijn bijzondere en atypische levensverhaal tot dusver worden duidelijk gemaakt, of kan en moet dat niet gebeuren?

Geen nieuwe bijzondere curator

In dit complexe, atypische en geëscaleerde specifieke geval ziet de rechtbank vooralsnog geen of onvoldoende aanleiding om een nieuwe bijzondere curator ex art. 1:212 BW en/of 1:250 BW te benoemen. Dat lijkt immers op voorhand in dit geval al een “mission impossible” voor welke nieuwe bijzondere curator dan ook, mede gelet op de ervaringen met de eerste bijzondere curator mr. [naam bijzondere curator] Bovendien is naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval al aan de strekking van artikel 1:212 BW en artikel 1:250 BW voldaan, doordat (eerst JBW en nu) de WSS, de RvdK en de rechtbank als neutrale instanties al zo goed mogelijk de werkelijke belangen van de minderjarige [minderjarige] in deze atypische, complexe en geëscaleerde situatie zullen trachten te behartigen.

Beslissingen

De rechtbank:

*

beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:

a. a) de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1]

b) de moeder [X] , geboren op [geboortedatum 3] 1991 te [geboorteplaats 3] ,

c) de man [partner van X] , geboren op [geboortedatum 4] 1989 te [geboorteplaats 4]

en legt aan deze deskundige de volgende vragen ter gemotiveerde beantwoording voor:

  1. Met welke mate van waarschijnlijkheid (met welk statistisch percentage) is de heer [partner van X] wel of niet de biologische vader van de minderjarige [minderjarige] ?

  2. Indien uw antwoord op vraag 1) in relevante mate zou afwijken van het resultaat van het eerder in opdracht van [X] en [partner van X] door Verilabs BV verrichte DNA-onderzoek met Verilabs nummer [nr.] , wat is dan daarvoor uw deskundige verklaring?

  3. Heeft u nog andere opmerkingen vanuit uw deskundigheid die u voor de beoordeling door de rechtbank van belang acht, en zo ja welke opmerkingen?

benoemt tot deskundige die het onderzoek zal moeten verrichten en de bovenstaande vragen van de rechtbank gemotiveerd zal moeten beantwoorden:

een deskundige verbonden aan Verilabs BV, [naam deskundige] Gouda (telefoonnummer [tel. nr] ;

beveelt dat de procespartijen [partner van X] en [X] binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak moeten maken met Verilabs BV voor het bovenstaande DNA-onderzoek door een deskundige van Verilabs BV;

Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft.

Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging.

bepaalt dat de deskundige van Verilabs BV de werkzaamheden pas mag aanvangen nadat de procespartijen [partner van X] en [X] een voorschot ter grootte van € 900,-7 Bij behandeling ter terechtzitting: -aan partijen voorleggen dat deskundige het onderzoek pas aanvangt na storting door (een/ieder der) partijen -in de beschikking aan te wijzen- van een voorschot –met partijen het maximum voorscht bespreken. Na de zitting neemt de gerechtsecretaris telefonisch contact op met de deskundige om te vragen of de deskundige bereid id het onderzoek te verrichten en wat de begrote kosten zijn. Indien het kosten met partijen besproken maximum overschrijden moet nader (telefonisch) overleg met partijen plaatsvinden. inclusief BTW hebben betaald op de kosten van het deskundigenonderzoek en de griffier de deskundige en de advocaten aan weerszijden van de ontvangst van dat voorschot op de hoogte heeft gesteld; ter betaling van het genoemde voorschot zullen de procespartijen [partner van X] en [X] zo spoedig mogelijk factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) op hun voor derden geheime adres in [woonplaats 1] en zij moeten het factuurbedrag daarvan binnen drie weken na ontvangst van deze factuur betalen;

bepaalt dat de deskundige de griffier zal moeten verzoeken om vaststelling van een concreet extra voorschot indien en zodra in de loop van het onderzoek en de rapportage van de deskundige zal blijken dat dit meer zal gaan kosten dan het voorschot van € 900,- inclusief BTW zoals dat nu door de rechtbank is begroot; in dat geval zal eerst een extra factuur van het LDCR aan de procespartijen [partner van X] en [X] volgen en zal de deskundige de werkzaamheden pas mogen voortzetten nadat bericht van de griffier is ontvangen dat het extra voorschot voor de deskundige is betaald;

223 lid 2 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend

of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: “Nu aan de ... een

toevoeging is verleend (m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van het

deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.” En hieronder ex art. 225 lid 3 Rv in

DICTUM het volgende bepalen - voor de betreffende partij of voor beide pp (het laatste i.p.v. de

bepaling tot betaling van het voorschot) -:

bepaalt dat indien het voorschot en/of het eventuele extra voorschot niet tijdig geheel wordt of worden betaald, de advocaat van de wederpartij van degene die dat voorschot niet tijdig geheel betaalt de rechtbank kan verzoeken een eindbeschikking te geven;

bepaalt dat de benoemde deskundige van Verilabs BV een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend rapportEen termijn van 3 maanden na dagtekening beschikking over het onderzoek en de conclusies daarvan, vergezeld van de einddeclaratie zal moeten zenden naar de ondergetekende griffier mr. I.B. van Angeren van de rechtbank Den Haag, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag met vermelding van het zaaknummer C/09/563906, dit zo mogelijk uiterlijk op 1 juli 2020;

bepaalt dat de administratie van deze rechtbank zo spoedig mogelijk een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal moeten zenden;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming met spoed een nieuw actueel onderzoek te verrichten, daarover aan de rechtbank te rapporteren en een concreet en gemotiveerd advies op maat uit te brengen over in ieder geval de hiervoor bij het kopje “nieuw onderzoek en advies RvdK” door de rechtbank vermelde zes concrete vragen van de rechtbank over de minderjarige [minderjarige] [Y] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te Den Haag;

bepaalt dat de griffier daartoe zodra mogelijk een afschrift van alle processtukken tot dusver op chronologische volgorde in de vier samenhangende bodemprocedures tot dusver over [minderjarige] aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 juli 2020 pro forma; uiterlijk op die datum moet de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies hebben uitgebracht

aan de rechtbank, met gelijktijdige kopie aan de vier belanghebbenden en hun advocaten;

*

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming en ná ontvangst van het deskundigenbericht van Verilabs BV, de behandeling ter volgende zitting van de regierechter mr. H. Wien op een nog nader te bepalen datum en tijdstip in zo mogelijk augustus of september 2020 zal worden voortgezet, in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming en de (per 4 maart 2020 nieuwe) gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam;

*

houdt iedere verdere beslissing over samengevat afstamming, gezag, hoofdverblijfplaats, zorg- of omgangsregeling voor de minderjarige [minderjarige] en over de voortgang van deze drie samenhangende bodemprocedures nu aan tot 1 juli 2020 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door de kinderrechter mr. H. Wien, bijgestaan door de griffier
mr. I.B. van Angeren, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 maart 2020.