Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
C/09/58972/HARK 20-/135
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder rechtsgeldig gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0274
OR-Updates.nl 2021-0103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV/CD

Zaaknummer: C/09/58972 / HA RK 20/135

4 november 2020

Beschikking van de rechtbank in de zaak van:

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

Verzoekster in de hoofdzaak en de incidenten,
gemachtigde: mr. O. Diels,

tegen

de besloten vennootschap Apandam Europe B.V.,

statutair gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
verweerster in de hoofdzaak en de incidenten,

gemachtigde: mr. H.A.A. Voermans.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “Apandam”.

1 De procedure

1.1.

Op 20 maart 2020 heeft [verzoekster] een verzoekschrift (met producties) ingediend. Het verzoek strekt primair tot vernietiging van het ontslag op staande voet en subsidiair tot de veroordeling van Apandam tot betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. In het verzoekschrift heeft [verzoekster] de rechtbank ook verzocht een voorlopige voorziening (op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) te treffen tot veroordeling van Apandam om het loon gedurende de procedure aan [verzoekster] door te betalen. Op 14 mei 2020 heeft [verzoekster] een aanvullend verzoekschrift (met nadere producties) ingediend. Daarin heeft [verzoekster] – kort gezegd – haar oorspronkelijke verzoek gewijzigd, althans aangevuld. Apandam heeft op 15 mei 2020 een verweerschrift (met producties) ingediend. [verzoekster] heeft daarna op 18 mei 2020 (opnieuw) een aanvullend verzoekschrift ingediend en haar verzoek gewijzigd. Zij heeft toen ook opnieuw aanvullende producties overgelegd.

1.2.

Op 19 mei 2020 heeft in deze zaak een zitting plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn mr. E.M. van der Niet en mr. O. Diels verschenen. Namens Apandam zijn [A] en [B] verschenen, bijgestaan door mr. H.A.A. Voermans. Van de zijde van Apandam zijn tijdens deze zitting pleitaantekeningen overgelegd. Van het overige dat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Deze aantekeningen bevinden zich in het procesdossier. Partijen zijn na de zitting in de gelegenheid gesteld om het geschil in der minne op te lossen.

1.3.

Op 9 juni 2020 heeft [verzoekster] per e-mail een nieuw verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarna is een nieuwe zitting bepaald op 23 september 2020. Voorafgaand aan die zitting heeft Apandam op 21 september 2020 een aanvullende productie overgelegd. Dat heeft [verzoekster] ook gedaan op 22 september 2020.

1.4.

Op de zitting van 23 september 2020 is mr. S. Yang namens [verzoekster] verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. O. Diels. Namens Apandam zijn opnieuw [A] en [B] verschenen. Zij werden bijgestaan door mr. H.A.A. Voermans. Van de zijde van Apandam zijn tijdens deze zitting (nieuwe) pleitaantekeningen overgelegd. Van het overige dat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, heeft de griffier ook bij deze zitting aantekeningen gemaakt. Deze aantekeningen bevinden zich ook in het procesdossier.

1.5.

De uitspraak in de hoofdzaak en de voorlopige voorzieningen is vervolgens bepaald op 4 november 2020.

2 De feiten in de hoofdzaak en in de incidenten

2.1.

Apandam is op 15 juli 2016 opgericht door Ningbo O&B Trading Ltd. (hierna: Ningbo). Ningbo was op dat moment enig aandeelhouder van Apandam. Zij was gevestigd in de stad Ningbo te China (provincie Zhinjang). [mevrouw X] was op dat moment de enig aandeelhouder en statutair bestuurder van Ningbo. [verzoekster] is bij de oprichting van Apandam benoemd tot bestuurder van Apandam.

2.2.

In de statuten van Apandam is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“(…)

Artikel 13. Levering van aandelen (…)

1. Voor de levering van een aandeel (…) is vereist een daartoe bestemde ten overstaan van een in Nederland standplaats hebbende notaris verleden akte waarbij de betrokkenen partij zijn.

(…)

Artikel 17. Benoeming, schorsing en ontslag.

(…)

2. Iedere directeur kan te allen tijde door de algemene vergadering worden geschorst en ontslagen.

(…)

Artikel 30. Besluitvorming met instemming van alle vergadergerechtigden.

Indien aan een of meer van de in de wet of statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet is voldaan, kunnen in een algemene vergadering slechts geldige besluiten worden genomen indien alle vergadergerechtigden ermee hebben ingestemd dat de besluitvorming plaatsvindt en de directeuren voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid zijn gesteld om advies uit te brengen.

(…)

Artikel 34. Besluitvorming buiten vergadering.

Aantekeningen.

1. Besluitvorming kan ook op andere wijze dan in een vergadering geschieden, mits alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming hebben ingestemd. De stemmen worden schriftelijk uitgebracht. (…) De directeuren worden voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.

(…)”

2.3.

Op 1 november 2018 is [verzoekster] in dienst getreden bij Apandam als managing director. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is in ‘section 6’ bepaald dat [verzoekster] voor haar werkzaamheden een bedrag van € 6.000,- per maand (exclusief emolumenten) aan salaris ontvangt.

2.4.

Op 16 december 2019 is Ningbo in China ontbonden.

2.5.

Op 16 januari 2020 is bij de Kamer van Koophandel een opgave gedaan om [verzoekster] uit te schrijven als bestuurder van Apandam.

2.6.

In een op 17 januari 2020 gedateerd besluit is [verzoekster] met onmiddellijke ingang ontslag als bestuurder en als werknemer aangezegd. In het (ontslag)besluit is onder meer te lezen dat [verzoekster] wordt verweten dat zij frauduleuze handelingen heeft verricht. Het besluit is genomen door Ningbo en ondertekend door [mevrouw X].

2.7.

Op 6 februari 2020 heeft de gemachtigde van Apandam een brief verzonden aan [verzoekster] en is aan haar kenbaar gemaakt dat zij in een aandeelhoudersbesluit is ontslagen.

2.8.

Op 17 februari 2020 heeft [verzoekster] een bezwaarschrift ingediend bij de Kamer van Koophandel. Dit bezwaarschrift is gericht tegen de uitschrijving bij de Kamer van Koophandel van [verzoekster] als bestuurder van Apandam.

2.9.

[verzoekster] heeft op 19 februari 2020 een brief verzonden aan Apandam. In die brief heeft zij zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het van 17 januari 2020 gedateerde besluit niet rechtsgeldig is genomen.

2.10.

Op 24 april 2020 is een nieuw besluit genomen om [verzoekster] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder en als werknemer van Apandam. Het besluit is genomen en ondertekend door [mevrouw X].

2.11.

Op 28 april 2020 heeft de gemachtigde van Apandam een e-mail verzonden aan [verzoekster] . In die e-mail wordt [verzoekster] door Apandam (opnieuw) verweten dat zij frauduleuze handelingen heeft verricht. In de e-mail is verder te lezen dat Apandam voornemens is om [verzoekster] te ontslaan. Apandam heeft [verzoekster] in deze e-mail ook verzocht om vóór 1 mei 2020 te reageren op dit voornemen. [verzoekster] heeft diezelfde dag op deze e-mail geantwoord. In haar e-mail schrijft [verzoekster] dat er nog steeds geen aandeelhouder geregistreerd is bij Apandam. Het is volgens [verzoekster] daarom niet mogelijk om een rechtsgeldige aandeelhoudersvergadering te organiseren. Daarnaast heeft [verzoekster] zich in haar e-mail op het standpunt gesteld dat zij niet frauduleus heeft gehandeld.

2.12.

Op 7 mei 2020 is opnieuw een besluit genomen om [verzoekster] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder en als werknemer van Apandam. Het besluit is wederom genomen door [mevrouw X].

2.13.

In een (Nederlandse) notariële akte van 11 mei 2020 is het volgende, voor zover relevant, opgenomen:

“(…) TRANSFER OF SHARES

Apandam Europe B.V.

On the eleventh day of May two thousand twenty appeared before me, (…) [mevrouw X] (…)

The appearing person, (…), declared as follows:

WHEREAS

- (…) Apandam Europe B.V., hereinafter also referred to as: “The Company”;(…)

- the issued share capital of the Company consists of five hundred (500) ordinary shares, each share having a par value of one hundred euro (€ 100), (…)

- on the sixteenth day of December two thousand nineteen, NingBo O&B Trading Co. Ltd has been dissolved;

- as appears form a legal opinion from Brighteous Law Firm, attached to this deed as Annex II , all the assets of NingBo O&B Trading Co. Ltd have passed by universal title of succession (onder algemene titel) to its last shareholder, being Mrs [mevrouw X].

CONFIRMATION AND TRANSFER

For the execution of the aforementioned, the appearing person, acting in het aforementioned capacity, hereby declares that on the basis of the aforementioned (…) opinion the Shares have passed under universal title of succession to [mevrouw X].

In order to comply with the legislation of the Netherlands and with the articles of association of the Company, the confirmation of the transfer of the Shares is hereby acknowledged in a Dutch notarial deed. As far as necessary, the Shares are accepted on behalf of [mevrouw X].

[mevrouw X] will be considered to be holder of the Shares as off the sixteenth day of December two thousand nineteen.

(…)

ACKNOWLEDGEMENT

Also appeared before me, (…):

Ms. […] (…) acting on behalf of [mevrouw X], (…) declares, that it acknowledges the above-mentioned confirmation and transfer of the Shares to [mevrouw X] and that it shall register the same in the Company’s shareholders’ register.

The shareholders’ resolution, evidencing the appointment of Mrs [mevrouw X] as managing the director of the Company under the condition precedent, will be attached to this deed as Annex III .(…)”

2.14.

Bij de notariële akte van 11 mei 2020 is een bijlage gevoegd. In die bijlage (“Annex III”) heeft [mevrouw X] namens Apandam een nieuw besluit genomen om zichzelf te benoemen als bestuurder van Apandam en [verzoekster] te ontslaan als bestuurder van Apandam.

2.15.

Op 15 mei 2020 heeft de Kamer van Koophandel in een beschikking beslist om de opgave van 16 januari 2020, om [verzoekster] uit te schrijven als bestuurder van Apandam, te weigeren.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. te verklaren voor recht dat het besluit van 17 januari 2020, althans 16 januari 2020, nietig is;

II. te verklaren voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 16 januari 2020 is blijven voortduren;

III. te verklaren voor recht dat het besluit van 24 april 2020 nietig is;

IV. het besluit van 24 april 2020 voor zover nodig te vernietigen;

V. te verklaren voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 24 april 2020 is blijven voortduren;

VI. te verklaren voor recht dat het besluit van 7 mei 2020 nietig is;

VII. het besluit van 7 mei 2020 voor zover nodig te vernietigen;

VIII. te verklaren voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 7 mei 2020 is blijven voortduren;

IX. te verklaren voor recht dat het besluit van 9 mei 2020 nietig is;

X. het besluit van 9 mei 2020 voor zover nodig te vernietigen;

XI. te verklaren voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 9 mei 2020 is blijven voortduren;

XII. het ontslag op staande voet voor zover nodig te vernietigen;

XIII. Apandam te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoekster] vanaf 1 januari 2020 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter hoogte van 50% en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

XIV. Apandam te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de billijke vergoeding ter hoogte van € 500.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XV. Apandam te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XVI. Apandam te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

zowel primair als subsidiair:

XVII. Apandam te veroordelen tot afgifte aan [verzoekster] van deugdelijke salarisspecificaties over de periode van januari 2020 tot heden, althans een door de rechtbank te bepalen periode, binnen drie dagen na deze beschikking, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag;

XVIII. Apandam te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende – samengevat – ten grondslag. Op 17 januari 2020 is door Ningbo een besluit genomen om [verzoekster] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder van Apandam. Dit besluit is ondertekend door [mevrouw X] en [Y]. Het besluit is volgens [verzoekster] in strijd met artikel 2:244 BW en artikel 17, tweede lid, van de statuten van Apandam en is daarom niet rechtsgeldig genomen. Noch Ningbo, noch [mevrouw X] of [Y] waren op dat moment namelijk aandeelhoudster van Apandam. Daarna zijn op 24 april, 7 mei en 9 mei 2020 besluiten genomen door [mevrouw X] om [verzoekster] te ontslaan als bestuurder en [B] te benoemen als bestuurder van Apandam. Volgens [verzoekster] zijn ook deze besluiten nietig. Op 24 april en 7 mei 2020 waren de aandelen van (de op 16 december 2019 geliquideerde Chinese vennootschap) Ningbo namelijk niet overgegaan naar [mevrouw X], zodat zij namens Apandam geen rechtsgeldig besluit kon nemen. Hierbij speelt volgens [verzoekster] ook mee dat niet aan de overige wettelijke en/of statutaire vereisten is voldaan. Zo is [verzoekster] niet gehoord en is zij niet in de gelegenheid gesteld om haar raadgevende stem in (of buiten) de algemene vergadering te gebruiken. Ten aanzien van het besluit dat op 9 mei 2020 is genomen, heeft [verzoekster] naar voren gebracht dat er ook op dat moment geen sprake is van een rechtsgeldige overdracht van de aandelen. De notariële akte van 11 mei 2020 voldoet volgens [verzoekster] niet aan de vereisten van artikel 2:196, eerste lid, BW. [verzoekster] verzoekt de rechtbank daarom om een verklaring voor recht dat de besluiten van 16 januari, 24 april, 7 mei en 9 mei 2020 nietig zijn, althans om deze besluiten te vernietigen. [verzoekster] stelt zich daarbij op het standpunt dat de vennootschappelijke verhouding en de arbeidsovereenkomst zijn blijven voortduren. Zij verzoekt daarom ook de vernietiging van het ontslag op staande voet en tot de doorbetaling van haar loon vanaf 16 januari 2020 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde komt.

3.3.

Voor zover (één van) de besluiten wel rechtsgeldig is genomen, verzoekt [verzoekster] op grond van artikel 7:681 lid 1 onder a, artikel 7:672 lid 10 en artikel 7:673 lid 1 BW om ten laste van Apandam respectievelijk een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding aan haar toe te kennen. Ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoeding, heeft [verzoekster] aangevoerd dat er sprake is van een schimmig spel door Apandam en dat haar dienstverband nog minimaal tot 31 augustus 2022 had voortgeduurd. Ook heeft [verzoekster] in dit kader naar voren gebracht dat haar verblijfsvergunning in Nederland mogelijk niet verlengd zal worden door het gegeven ontslag.

3.4.

Apandam verweert zich tegen het verzoek van [verzoekster] . Op dat verweer zal hierna – voor zover noodzakelijk – worden ingegaan.

In de incidenten

3.5.

[verzoekster] heeft de rechtbank ook verzocht om twee voorlopige voorzieningen te treffen. In de eerste plaats heeft zij verzocht om tijdens de duur van het geding Apandam te veroordelen tot betaling van het loon vanaf januari 2020 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Daarnaast heeft [verzoekster] verzocht om Apandam – kort gezegd – te veroordelen om kenbaar te maken welke relaties van Apandam vanaf 19 mei 2020 informatie hebben ontvangen over de opschorting, staking van samenwerking, gerechtelijke procedure en/of liquidatiesituatie van de onderneming.

3.6.

Aan de stellingen die [verzoekster] aan de incidenten ten grondslag heeft gelegd alsmede op de verweren die Apandam daartegen heeft gevoerd, zal hierna – voor zover nodig – worden ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

De gewijzigde verzoeken

4.1.

Apandam heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de gewijzigde verzoeken, zoals door [verzoekster] zijn ingesteld in haar verzoekschriften van 14 mei en 18 mei 2020, te laat zijn ingediend en dat Apandam zich daar niet tijdig tegen heeft kunnen verweren. Apandam stelt zich daarom op het standpunt dat zij is geschaad in haar processuele positie. Deze stelling zal worden verworpen. Naast de zitting op 19 mei 2020, heeft er een vervolgzitting plaatsgevonden op 23 september 2020. Apandam heeft tijdens die tweede zitting uitvoerig verweer gevoerd op de nieuwe gewijzigde verzoeken van [verzoekster] . Omdat zij voldoende in de gelegenheid is geweest om zich tegen de gewijzigde verzoeken te verweren, is Apandam niet geschaad in haar procesbelangen.

4.2.

Daarnaast stelt Apandam zich op het standpunt dat de gewijzigde verzoeken – de verzochte verklaringen voor recht om de besluiten nietig te verklaren, althans te vernietigen – niet in een verzoekschriftprocedure, maar in een dagvaardingsprocedure dienen te geschieden. Ook deze stelling zal worden verworpen. Het inleidende verzoekschrift is gericht tegen het gegeven ontslag op staande voet, meer in bijzonder tegen de vernietiging daarvan op grond van artikel 7:681 BW. Een dergelijk geding dient op grond van artikel 7:686a, tweede lid, BW te verlopen via een verzoekschriftprocedure. Op grond van het derde lid van het hiervoor genoemde wetsartikel, kunnen de daarmee verband houdende andere vorderingen ook worden ingediend met een verzoekschriftprocedure. Het in deze procedure gedane verzoek om de (aandeelhouders)besluiten nietig te verklaren, althans te vernietigen, houdt bij uitstek verband met de procedure om het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Als de besluiten immers worden vernietigd, althans nietig worden verklaard, zal dat namelijk ook betekenen dat het gegeven ontslag op staande voet vernietigd wordt.

4.3.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de gewijzigde verzoeken ontvankelijk zijn. De rechtbank zal de verzoeken daarom hierna inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijk

4.4.

Tussen partijen bestaat in de hoofdzaak discussie over de vraag of de door Ningbo en/of [mevrouw X] genomen besluiten nietig, dan wel vernietigbaar, zijn. Hierna zal per besluit beoordeeld worden of deze rechtsgeldig zijn genomen.

Het besluit van 16 (of 17) januari 2020

4.5.

Het staat in deze procedure vast dat [verzoekster] bij de oprichting van Apandam op 15 juli 2016 is benoemd tot statutair bestuurder van Apandam. Ook staat het vast dat (Chinese vennootschap) Ningbo vanaf dat moment enig aandeelhouder was van Apandam. Als onweersproken staat verder vast dat Ningbo op of omstreeks 16 december 2019 in China is ontbonden. Desondanks heeft [mevrouw X] namens (de op dat moment geliquideerde buitenlandse vennootschap) Ningbo op 16 (of 17) januari 2020 een besluit genomen om [verzoekster] te ontslaan. [verzoekster] stelt dat het besluit nietig is omdat Ningbo en [mevrouw X] geen aandeelhouder (meer) waren van Apandam. Zij waren volgens [verzoekster] daarom niet bevoegd om het besluit te nemen om haar te ontslaan. Ook stelt [verzoekster] dat zij niet door Ningbo of [mevrouw X] is gehoord en dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van haar raadgevende stem. Mocht het besluit wel rechtsgeldig zijn, dan is het volgens [verzoekster] daarom alsnog vernietigbaar.

4.6.

Apandam stelt dat de aandelen van Ningbo in Apandam aan [mevrouw X] zijn overgedragen toen Ningbo op 16 december 2019 werd geliquideerd. Volgens Apandam is het besluit van 16 januari 2019 ten onrechte namens Ningbo door [mevrouw X] ondertekend. Het dient er volgens Apandam voor worden gehouden dat [mevrouw X] de besluiten namens zichzelf heeft genomen. Het besluit van 16 januari 2019 is daarom volgens Apandam wel rechtsgeldig genomen. Het besluit is verder niet vernietigbaar omdat [verzoekster] op 15 januari 2020 per e-mail is gevraagd om haar reactie en advies over het voornemen om haar te ontslaan.

4.7.

Op grond van artikel 2:14, eerste lid, BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon nietig wanneer het besluit in strijd is met de wet of de statuten. Artikel 2:15, eerste lid, BW bepaalt daarnaast dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is indien het besluit (a) in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Een besluit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid als een statutair bestuurder niet is gehoord over zijn voorgenomen ontslag. Verder heeft een statutair bestuurder een raadgevende stem in de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van artikel 2:227 lid 7 BW, hetgeen een regel van dwingend recht is (zie: HR 10 maart 1995, NJ 1995/595). Deze regel geldt óók bij besluitvorming buiten vergadering op grond van artikel 2:238 lid 2 BW (zie: HR 22 december 2009, JOR 2010/40).

4.8.

De stelling van Apandam dat [mevrouw X] op 16 januari 2020 enig aandeelhouder was in Apandam en dat zij daarom gerechtigd was om het besluit te nemen, zal worden verworpen. Artikel 13 van de statuten van Apandam bepaalt immers dat “voor de levering van een aandeel (…) is vereist een daartoe bestemde ten overstaan van een in Nederland standplaats hebbende notaris verleden akte waarbij de betrokkenen partij zijn”(onderstreping toegevoegd). Het staat vast dat aan dit vereiste uit de statuten niet is voldaan. Omdat Ningbo op 16 januari 2020 de enig aandeelhouder was, was zij (formeel gezien) als enige bevoegd om een besluit te nemen. Het nemen van een besluit was voor Ningbo vanaf 16 december 2019 echter niet meer mogelijk omdat die vennootschap op die datum ontbonden is. Het besluit van 16 januari 2020 dient daarom op grond van artikel 2:14, eerste lid, BW nietig te worden verklaard. Het in dit kader gedane beroep op artikel 2:19, vijfde lid, BW kan Apandam daarbij overigens niet baten. Ningbo was immers geen Nederlandse vennootschap, maar een Chinese, zodat niet het Nederlandse vennootschapsrecht van Boek 2, maar het Chinese vennootschapsrecht van toepassing is. Het is daarbij niet gesteld en ook anderszins niet gebleken dat het Chinese vennootschapsrecht het mogelijk maakt dat een ontbonden vennootschap blijft bestaan voor zover dat nodig is voor het vereffenen van het vermogen.

4.9.

Los van het voorgaande, is het besluit van 16 januari 2020 ook vernietigbaar. Apandam stelt weliswaar dat zij [verzoekster] op 15 januari 2020 een e-mail heeft verzonden en dat zij [verzoekster] toen heeft gehoord alsmede dat zij haar in de gelegenheid heeft gesteld om gebruik te maken van haar raadgevende stem, maar Apandam heeft nagelaten om deze e-mail of andere stukken in het geding te brengen. Dit had echter wel van Apandam verwacht mogen worden omdat [verzoekster] gemotiveerd heeft betwist dat zij is gehoord en dat zij gebruik heeft kunnen maken van haar raadgevende stem. Mocht er op 15 januari 2020 al een e-mail zijn verzonden naar [verzoekster] dan nog acht de rechtbank een termijn van slechts één dag te kort om deugdelijk te kunnen reageren op een voorgenomen besluit om [verzoekster] te ontslaan. Omdat niet is komen vast te staan (1) dat [verzoekster] is gehoord over het voornemen om haar te ontslaan en ook niet (2) dat [verzoekster] deugdelijk in de gelegenheid is gesteld om gebruik te maken van haar raadgevende stem, is het besluit van 16 januari 2020 vernietigbaar.

4.10.

Omdat de nietigheid van het besluit verderstrekkende gevolgen heeft dan het vernietigen van het besluit, zal de gevorderde verklaring voor recht in die zin worden toegewezen dat het besluit van 17 januari 2020, althans 16 januari 2020, nietig is. Omdat het besluit van 16 (of 17) januari 2020 nietig is, heeft zowel de vennootschappelijke relatie als de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Apandam na de dag van dat besluit nog voortgeduurd. Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst is daarbij van belang dat als het besluit, waarin de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, nietig is, dat met zich meebrengt dat de opzegging nietig is. De in dit kader verzochte verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen.

De besluiten van 24 april en 7 mei 2020

4.11.

Ten aanzien van de bovengenoemde besluiten staat het in deze procedure vast dat deze besluiten zijn genomen door [mevrouw X]. Op zowel 24 april en 7 mei 2020 was er echter (nog steeds) niet voldaan aan het formele vereiste van artikel 13 uit de statuten (zoals dat reeds is besproken in rechtsoverweging 4.8.). Alle aandelen van Apandam waren op die momenten dus (formeel gezien) nog steeds in bezit van Ningbo, althans niet rechtsgeldig overgedragen aan [mevrouw X]. Niet [mevrouw X], maar Ningbo (als enig aandeelhouder van Apandam) was daarom als enige bevoegd om het besluit te nemen om [verzoekster] als bestuurder te ontslaan. Nu vaststaat dat het besluit niet door Ningbo, maar door [mevrouw X] is genomen, zijn de genomen besluiten van 24 april en 7 mei 2020 op grond van artikel 2:14, eerste lid, BW nietig. De verzochte verklaringen voor recht om deze besluiten nietig te verklaren, zullen dan ook worden toegewezen. De vennootschappelijke relatie tussen [verzoekster] en Apandam heeft daarom ook na 7 mei 2020 voortgeduurd. Datzelfde geldt voor de arbeidsovereenkomst tussen Apandam en [verzoekster] . Ook de in dit verband verzochte verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen.

Het besluit van 11 mei 2020

4.12.

Ten aanzien van het besluit van 11 mei 2020 bestaat tussen partijen discussie over de vraag of er sprake is van een rechtsgeldige notariële leveringsakte zoals bepaald in artikel 2:196, eerste lid, BW en artikel 13 van de statuten.

4.13.

Artikel 2:196, eerste lid, BW bepaalt dat voor de levering van aandelen een akte nodig is, waarbij de betrokkenen partij zijn, en die ten overstaan van een in Nederland standplaats hebbende notaris wordt verleden. Een soortgelijke bepaling is, zoals reeds hiervoor is besproken, opgenomen in artikel 13 van de statuten van Apandam. In het tweede lid van artikel 2:196 BW worden een aantal onderwerpen genoemd die in ieder geval in de akte moeten worden vermeld. Zo zijn in een notariële leveringsakte vereist (a) de titel van de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de levering en op welke wijze de aandelen zijn verkregen; (b) de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, woonplaats en adres van de natuurlijke personen die bij levering partij zijn; (c) de rechtsvorm, naam, woonplaats en adres van de rechtspersonen die bij de levering partij zijn; (d) het aantal en de soort

aandelen welke geleverd worden; en, tot slot (e) de naam, woonplaats en adres van de vennootschap waarop de levering van de aandelen betrekking heeft.

4.14.

Het staat vast dat een Nederlandse notaris op 11 mei 2020 een akte heeft gepasseerd. In deze akte is – kort gezegd – te lezen dat (1) [mevrouw X] op 11 mei 2020 is verschenen en dat zij heeft verklaard dat (2) Ningbo op 16 december 2019 is ontbonden. Ook is te lezen dat [mevrouw X] heeft verklaard dat (3) het vermogen van Ningo op 16 december 2019 onder algemene titel is overgegaan naar [mevrouw X] en dat zij daarmee de aandelen in Apandam heeft verworven. Verder is in die akte te lezen dat (5) [mevrouw X] heeft verklaard dat door de overgang onder algemene titel van het vermogen van Ningbo aan [mevrouw X] en met de notariële akte van 11 mei 2020 is voldaan aan de vereisten in de Nederlandse wetgeving en de statuten van Apandam, alsmede dat [mevrouw X] de aandelen heeft geaccepteerd.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de hiervoor besproken akte en de daarin opgenomen gegevens voldaan aan de genoemde vereisten uit artikel 2:196, eerste en tweede lid, BW, alsmede uit de vereisten van artikel 13 van de statuten van Apandam. De akte vermeldt immers de titel (ontbinding van Ningbo) die ten grondslag ligt aan de levering van de aandelen alsmede dat de aandelen onder algemene titel zijn verworven door [mevrouw X]. Ook noemt de akte alle (persoons)gegevens van [mevrouw X] en de betrokken rechtspersonen (Ningbo en Apandam). Verder staat in de akte welke en hoeveel aandelen geleverd worden (‘500 ordinary shares’). Dat [verzoekster] in de notariële akte niet is genoemd als bestuurder van Apandam, is niet relevant, nu die gegevens volgens artikel 2:196, tweede lid, BW niet vereist zijn. [verzoekster] is als natuurlijk persoon bovendien geen betrokken partij wanneer het gaat om (sec) de overgang van de aandelen in Apandam van Ningbo aan [mevrouw X]. Daarmee zijn de aandelen op 11 mei 2020 naar het oordeel van de rechtbank rechtsgeldig overgegaan van Ningbo op [mevrouw X].

4.16.

Omdat er vanaf 11 mei 2020 voldaan is aan de formele vereisten, was [mevrouw X] vanaf die datum bevoegd om (als enig aandeelhouder) voor Apandam besluiten te nemen. Het besluit dat is bijgevoegd als bijlage 3 van de notariële akte en waarin [mevrouw X] zichzelf benoemt en [verzoekster] ontslaat als bestuurder van Apandam, is weliswaar volgens de datering opgesteld op 9 mei 2020 maar is, blijkens de verwijzing in de akte daarmee, rechtsgeldig op 11 mei 2020 genomen. Daarbij weegt mee dat [verzoekster] op dat moment al meerdere keren in de gelegenheid gesteld is om van haar raadgevende stem gebruik te maken en dat [verzoekster] toen al meerdere keren is gehoord over het voornemen van Apandam om haar te ontslaan. De vennootschappelijke relatie tussen Apandam en [verzoekster] is dan ook vanaf 11 mei 2020 geëindigd. Omdat de vennootschappelijk relatie tussen Apandam en [verzoekster] vanaf die datum is geëindigd en er door [verzoekster] niet gesteld is dat er sprake is van een wettelijk ontslagverbod, is daarmee ook de arbeidsovereenkomst geëindigd (zie: HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030, rov. 3.4.3.). Dit betekent dat de verzochte verklaring voor recht om het besluit van 9 mei 2020 nietig te verklaren, althans te vernietigen, zal worden afgewezen.

Tussenconclusie

4.17.

Hiervoor is overwogen dat de besluiten van 16 (of 17) januari, 24 april en 7 mei 2020 nietig zijn. Dat geldt niet voor het besluit dat op 11 mei 2020 is genomen. Omdat de arbeidsovereenkomst pas op de laatstgenoemde datum is geëindigd, heeft [verzoekster] tot die datum in beginsel recht op loon. Het is door [verzoekster] als onweersproken gesteld dat zij vanaf 1 januari 2020 geen salaris meer heeft ontvangen en dat haar salaris € 6.000,- (exclusief 8% vakantietoeslag) bruto per maand bedraagt. Dit betekent dat [verzoekster] over de periode vanaf 1 januari tot 11 mei 2020 een bedrag van € 28.219,35 (€ 25.920 aan loon over januari tot en met april 2020 plus € 2.299,35 aan loon over 11 dagen in mei 2020) aan loon toekomt. Apandam zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [verzoekster] te betalen. Omdat Apandam ook geen (onderbouwd) verweer heeft gevoerd tegen de verzochte wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen de gemaximeerde wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente worden toegewezen over het bedrag van € 28.219,35 (te berekenen vanaf de respectieve data van verschuldigdheid).

Het gegeven ontslag

4.18.

Hiervoor is overwogen dat de arbeidsovereenkomst per 11 mei 2020 is geëindigd door de opzegging van Apandam, meer in het bijzonder door [mevrouw X]. De vervolgvraag die beantwoord dient te worden, is of deze opzegging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

4.19.

Apandam stelt zich op het standpunt dat zij [verzoekster] (op staande voet) mocht ontslaan omdat [verzoekster] frauduleuze handelingen heeft verricht. [verzoekster] betwist deze stelling en meent dat het ontslag vernietigd dient te worden.

4.20.

Anders dan bij een ‘normale’ werknemer, komt een ontslagen statutair bestuurder (zoals [verzoekster] ) geen beroep toe op de vernietiging van het ontslag op staande voet. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een bestuurder namelijk op grond van artikel 7:671 lid 1, onder e, BW rechtsgeldig opzeggen, zonder dat daarvoor een instemming van die bestuurder is vereist. De opzegging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst met een bestuurder kan dus niet in strijd zijn met artikel 7:671 BW. Er kan daarom ook geen vernietiging van die opzegging op grond van artikel 7:681 lid 1, onder a, BW worden verzocht (zie: Hof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2283).

4.21.

Een werknemer die ook bestuurder was kan op grond van artikel 7:682 lid 3 BW wel een billijke vergoeding verzoeken. Dit is mogelijk indien er geen redelijke grond aanwezig was voor de opzegging, de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever of als er geen sprake was van een dringende reden was voor de opzegging.

4.22.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden (op grond van artikel 7:677 BW), moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (zie: HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203, rov. 3.5.1).

4.23.

Gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan Apandam (als werkgever) om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit afgeleid kan worden dat [verzoekster] frauduleus heeft gehandeld en dat er dus sprake was van een dringende reden voor de opzegging.

4.24.

Apandam heeft ter onderbouwing van de stelling dat [verzoekster] frauduleus heeft gehandeld een schriftelijke verklaring van [C] overgelegd. Daarin valt te lezen dat hij onderzoek heeft gedaan naar [verzoekster] en dat hij heeft geconstateerd (1) dat [verzoekster] diverse privé-uitgaven heeft laten vergoeden door Apandam, (2) dat [verzoekster] haar huurlasten heeft laten vergoeden door Apandam, (3) dat er over de jaren 2017 tot en met 2019 betalingen zijn verricht met de creditcard van Apandam door [verzoekster] , (4) dat er facturen zijn verstuurd aan klanten van Apandam waarop het rekeningnummer van [verzoekster] is genoemd, (5) dat [verzoekster] een leaseauto heeft aangeschaft met een cataloguswaarde van € 127.000,- en (6) dat [verzoekster] valse verklaringen heeft afgelegd. Bij de verklaring zijn een groot aantal afschriften en bonnetjes toegevoegd.

4.25.

[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen de stelling dat zij frauduleus heeft gehandeld. Volgens [verzoekster] heeft zij, althans haar persoonlijke vennootschap [B.V. I] (hierna: [B.V. I]) nog een bedrag tegoed van € 569.520,- van Apandam. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [verzoekster] alle bankafschriften overgelegd waarop te zien is dat er veelvuldig (grote) bedragen zijn overschreven van de bankrekening van [B.V. I] naar Apandam.

4.26.

Gelet op het gemotiveerde verweer dat [verzoekster] heeft gevoerd tegen de stelling dat zij frauduleus heeft gehandeld en het feit dat er veelvuldig bedragen zijn afgeschreven van de bankrekening van [B.V. I] naar Apandam, had het op de weg van Apandam gelegen om haar stelling met nadere feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dat heeft Apandam niet gedaan. Apandam volstaat met de schriftelijke verklaring van [C]. Uit die verklaring valt echter niet af te leiden dat [C] in zijn onderzoek rekening heeft gehouden met de vele bankoverschrijvingen van [B.V. I] naar Apandam. De rechtbank heeft daarom niet kunnen vaststellen of er door [verzoekster] geldmiddelen van Apandam zijn aangewend voor privédoeleinden dan wel dat er sprake was van een ‘vergoeding’ voor het geld dat [B.V. I] aan Apandam heeft betaald. Of [verzoekster] frauduleuze handelingen heeft verricht, kan de rechtbank dan ook niet vaststellen. Daarmee is de dringende reden voor ontslag niet komen vast te staan. Hieronder dient daarom beoordeeld te worden of, en zo ja tot welk bedrag, [verzoekster] een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding toekomt.

Gefixeerde schadevergoeding

4.27.

De gevorderde gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is Apandam die vergoeding verschuldigd aan [verzoekster] , nu Apandam de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Nu de arbeidsovereenkomst korter dan vijf jaar heeft geduurd, bedraagt de opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 2, onderdeel a, BW één maand. Dit betekent dat Apandam over de periode vanaf 11 mei 2020 tot en met 30 juni 2020 een gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging is verschuldigd. De rechtbank begroot dit bedrag op € 10.660,65 bruto (20 resterende dagen in mei 2020 x 1/31e van € 6.480,- bruto aan salaris met vakantiegeld plus het maandsalaris van € 6.480,- in juni 2020). Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 11 mei 2020.

Transitievergoeding

4.28.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt verder dat Apandam een transitievergoeding verschuldigd is aan [verzoekster] , nu – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst door Apandam is opgezegd. Gelet op de lengte van het dienstverband (met inachtneming van 1 november 2018 als de datum van indiensttreding en 11 mei 2020 als einddatum van de arbeidsovereenkomst) en de hoogte van het bruto maandsalaris van € 6.480,- (inclusief 8% vakantietoeslag) begroot de rechtbank deze vergoeding op een bedrag van € 3.304,92 bruto. Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW is Apandam over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 11 mei 2020.

Billijke vergoeding

4.29.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013/2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Uit het New Hairstyle-arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) volgt evenwel dat dit niet hoeft te betekenen dat de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding geen rol mogen spelen in een geval waarin de wet een werknemer een aanspraak geeft op zo'n vergoeding omdat de werkgever een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de reden dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. Bij de begroting van de billijke vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Uitgaande van het voorgaande zal de rechtbank de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag € 29.095,08 bruto waarbij de volgende omstandigheden en schadecomponenten in aanmerking worden genomen.

4.30.

Met de vaststelling dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag, is het ernstig verwijtbaar handelen van Apandam een gegeven. Hiervoor dient [verzoekster] gecompenseerd te worden. Dat geldt te meer nu Apandam, zoals in deze procedure is komen vast te staan, tot driemaal toe een besluit heeft genomen, althans heeft laten nemen, door een (rechts)persoon die daartoe niet bevoegd was en [verzoekster] zich telkens heeft moeten verweren tegen die (nietige) besluiten. Er zijn geen richtlijnen voor het bepalen van deze component van de billijke vergoeding, wat de wetgever overigens ook zo heeft gewenst. Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval een bedrag van € 12.960,- (twee maandsalarissen) een billijke compensatie voor deze component van de billijke vergoeding.

4.31.

Naast de aangevoerde ontslagredenen is niet gebleken dat [verzoekster] niet naar behoren functioneerde. Het is dus niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou eindigen. Anderzijds is een arbeidsovereenkomst, en zeker een arbeidsovereenkomst van een hoger geplaatste werknemer zoals [verzoekster] , geen levensverzekering en kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat [verzoekster] nog minimaal tot 31 augustus 2022 bij Apandam werkzaam was gebleven. [verzoekster] kan het Apandam dan ook niet met vrucht tegenwerpen dat haar verblijfsvergunning mogelijk niet wordt verlengd. Alles overwegende schat de rechtbank de (theoretische) duur die het dienstverband anders nog zou hebben geduurd op drie maanden. De rechtbank begroot het bedrag aan gevolgschade dan ook op € 19.440,- (drie maal € 6.480,- bruto).

4.32.

De schade van € 19.440,- wordt echter deels gecompenseerd door de transitievergoeding van € 3.304,92. De transitievergoeding is bedoeld als een tegemoetkoming in de kosten van activiteiten om weer een baan te vinden en de inkomensschade. De rechtbank acht het redelijk dat de transitievergoeding in mindering wordt gebracht op de hiervoor becijferde gevolgschade, zodat een gevolgschade van € 16.135,08 resteert.

4.33.

De wettelijke rente over de billijke vergoeding van € 29.095,08 zal worden toegewezen vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Het beroep op verrekening als verweer

4.34.

Apandam heeft een beroep op verrekening als verweer gedaan. In deze procedure is echter niet komen vast te staan dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze handelingen. Daarmee ontbreekt vooralsnog een rechtsgrond voor een eventuele vordering die Apandam meent te hebben op [verzoekster] . Het beroep op verrekening als verweer zal daarom worden verworpen.

De salarisspecificaties

4.35.

Tot slot heeft [verzoekster] verzocht om te bepalen dat Apandam wordt verplicht om alle salarisspecificaties aan haar te verstrekken over de periode vanaf januari 2020 tot heden.

4.36.

Apandam is, als werkgever, op grond van artikel 7:626 BW verplicht om salarisspecificaties te verstrekken aan [verzoekster] . Het staat als onbestreden vast dat Apandam dat vanaf januari 2020 niet (meer) heeft gedaan. Het in dit kader gedane verzoek zal daarom worden toegewezen. Gelet op het feit dat Apandam ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ziet de rechtbank voldoende aanleiding om aan de verplichting om salarisspecificaties te verstrekken (als prikkel) een dwangsom te verbinden. Meer in bijzonder zal worden bepaald dat Apandam een dwangsom van € 250,- per dag verschuldigd is aan [verzoekster] indien Apandam niet binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking voldoet aan de verplichting om de salarisspecificaties te verstrekken aan [verzoekster] , met dien verstande dat het maximale bedrag aan te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 25.000,-.

In de incidenten

4.37.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [verzoekster] tot doorbetaling van loon, is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen om Apandam daartoe (opnieuw) te veroordelen. Bij het incident om Apandam te verplichten om kenbaar te maken welke relaties van Apandam vanaf 19 mei 2020 informatie hebben ontvangen over de opschorting, staking van samenwerking, gerechtelijke procedure en/of liquidatiesituatie van Apandam, heeft [verzoekster] geen rechtens te respecteren belang meer. Zowel de vennootschappelijke relatie als de arbeidsovereenkomst tussen Apandam en [verzoekster] zijn immers vanaf 11 mei 2020 geëindigd. Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten in de hoofdzaak en de incidenten

4.38.

Apandam zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedures.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de hoofdzaak:

5.1.

verklaart voor recht dat het besluit van 17 januari 2020, althans 16 januari 2020, nietig is;

5.2.

verklaart voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 16 januari 2020 zijn blijven voortduren;

5.3.

verklaart voor recht dat het besluit van 24 april 2020, nietig is;

5.4.

verklaart voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 24 april 2020 zijn blijven voortduren;

5.5.

verklaart voor recht dat het besluit van 7 mei 2020, nietig is;

5.6.

verklaart voor recht dat de zowel de vennootschappelijke verhouding als de arbeidsovereenkomst na 7 mei 2020 zijn blijven voortduren;

5.7.

veroordeelt Apandam om een bedrag van € 28.219,35 aan [verzoekster] te betalen ter zake het salaris van [verzoekster] vanaf 1 januari 2020 tot 11 mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het BW hoogte van 50% en de wettelijke rente, waarbij de wettelijke verhoging en wettelijke rente dienen te worden berekend vanaf de respectieve data van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

5.8.

veroordeelt Apandam tot betaling aan [verzoekster] van de billijke vergoeding ter hoogte van € 29.095,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.9.

veroordeelt Apandam tot betaling aan [verzoekster] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 10.660,65 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.10.

veroordeelt Apandam tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding ter hoogte van € 3.304,92 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.11.

veroordeelt Apandam tot afgifte aan [verzoekster] van deugdelijke salarisspecificaties over de periode van januari 2020 tot 11 mei 2020, binnen twee weken na de betekening van deze beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat Apandam (vanaf de vijftiende dag na de betekening van deze beschikking) hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, met dien verstande dat de verbeurde dwangsommen in totaal een bedrag van € 25.000,- niet te boven zullen gaan;

In de incidenten:

5.12.

wijst het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen af;

In zowel de hoofdzaak als de incidenten:

5.13.

veroordeelt Apandam in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 1.933,- waarvan € 1.629,- als het aan de gemachtigde van [verzoekster] toekomende salaris;

5.14.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordelingen hiervoor onder 5.7., 5.8., 5.9., 5.10., 5.11, en 5.13. uitvoerbaar bij voorraad;

5.15.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020 in bijzijn van de griffier.