Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
20-2450
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vordering onttrekking aan het verkeer van een auto die en ondeugdelijk is hersteld na zeer zware schade, en vervolgens als deugdelijk is verkocht aan de belanghebbende. De rechtbank overweegt dat met de auto het strafbare feit van oplichting (van de belanghebbende) is gepleegd en dat de auto blijkens deskundigenrapportage van de politie onveilig is, en dus onttrokken dient te worden aan het verkeer. In het licht van ECLI:NL:HR:2018:1156 wordt de eigenaar van de auto gecompenseerd. In opdracht van de politie is de huidige waarde van auto getaxeerd op € 12.000, zodat de rechtbank dit bedrag als tegemoetkoming toewijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Raadkamernummer: 20-2450

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op de vordering ex artikel 552f Wetboek van Strafvordering (Sv) van de officier van justitie bij deze rechtbank,

in de zaak tegen:

[belanghebbende] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

(hierna: belanghebbende)

Inleiding

De vordering van de officier van justitie van 17 september 2020 is ingekomen op de griffie op 17 september 2020.

De vordering strekt ertoe dat wordt onttrokken aan het verkeer een personenauto BMW 320D voorzien van kenteken [kenteken] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer: PL1500-2019086010.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft deze vordering op 1 december 2020 in raadkamer behandeld. Belanghebbende, bijgestaan door mr. N.B. Genemans, advocaat, is in raadkamer gehoord.

Tevens is de officier van justitie, mr. A.L.M. de L’Isle gehoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto aan het verkeer kan worden onttrokken. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Uit een rapportage van de politie van 20 juni 2019 blijkt dat het voertuig in het verleden zeer zware schade heeft geleden, welke schade ondeugdelijk is hersteld. De carrosserie van de auto is gelast op plaatsen waar dit niet had gemogen. Alhoewel er geen dader in beeld is betreft het een voorwerp dat geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit is verkregen of met betrekking tot welke dat feit is begaan. Daarnaast komt, gelet op de staat van het voertuig, de verkeersveiligheid in het geding wanneer de auto in het verkeer gebruikt zou worden. Het ongecontroleerde bezit van het voorwerp is daarom in strijd met het algemeen belang.

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat klager geen recht op een geldelijke tegemoetkoming heeft, nu het een civiele kwestie betreft tussen klager en de verkoper van de auto en het Openbaar Ministerie dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade.

Het standpunt van de belanghebbende

De belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer afgewezen dient te worden. Namens de belanghebbende is daartoe aangevoerd dat er veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de conclusies van het deskundigenrapport, nu de RDW de auto bij invoer wel heeft goedgekeurd. Tevens is de Apk van de auto tot tweemaal toe goedgekeurd. De belanghebbende is daarom van mening dat er geen grond bestaat om het voertuig aan het verkeer te onttrekken.

Subsidiair heeft de belanghebbende aangevoerd dat hij onevenredig zal worden getroffen bij het uitblijven van een geldelijke tegemoetkoming en dat het derhalve redelijk is om hem een tegemoetkoming toe te kennen ter hoogte van de dagwaarde van het voertuig in juni 2020 (€ 12.000,00).

Het oordeel van de rechtbank

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 13 februari 2019 is een personenauto van het merk BMW 320D voorzien van kenteken [kenteken] onder belanghebbende in beslag genomen. De verbalisant heeft toen een afwijking geconstateerd aan het Voertuig Identificatie Nummer en belanghebbende is toen aangehouden als verdachte ter zake van heling. Deze zaak is geseponeerd met als reden dat belanghebbende onterecht als verdachte is aangemerkt.

Op 31 maart 2019 is het voertuig opnieuw door de politie in beslag genomen. Uit een analyse van operationeel expert [naam] van de politie eenheid Den Haag d.d. 19 juni 2020 is gebleken dat de auto zwaar beschadigd is geweest en ondeugdelijk is hersteld, waardoor de auto een sloopverklaring zou moeten hebben.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om een voorwerp waarmee een strafbaar feit is gepleegd, te weten oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht). Dat er voor dit feit geen verdachte in beeld is, maakt dat niet anders. Verder neemt de rechtbank de conclusies uit het rapport van de politie ten aanzien van het ondeugdelijke herstel van de auto over. De rechtbank merkt daarbij op dat het gaat om een onderzoek door een expert dat specifiek gericht is op het opsporen van dergelijke gebreken, hetgeen niet vergelijkbaar is met bijvoorbeeld een Apk-keuring. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het ongecontroleerde bezit van de personenauto in strijd is met het algemeen belang, nu als gevolg van het ondeugdelijke herstel het gebruik van het voertuig in het verkeer de verkeersveiligheid ernstig in gevaar brengt. De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ingevolge artikel 33c, tweede lid, in verbinding met artikel 36b, tweede lid, Sr. kent de rechter een geldelijke tegemoetkoming toe indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van een voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder andere worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en wat de waarde van het onttrokken voorwerp is. De rechtbank merkt daarbij op dat een geldelijke tegemoetkoming niet hetzelfde is als een volledige vergoeding van de geleden schade.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier is gebleken dat belanghebbende de auto te goeder trouw heeft gekocht. Verder is gebleken dat de belanghebbende geen verdachte is in een strafzaak met betrekking tot het voertuig. De enkele omstandigheid dat de belanghebbende zijn schade via civielrechtelijke weg kan verhalen, doet niet af aan het feit dat hij, in dit geval, bij het uitblijven van een geldelijke tegemoetkoming onevenredig zal worden getroffen (zie ook ECLI:NL:HR:2018:1156).

De waarde van het voertuig is op dit moment de sloopwaarde nu is vastgesteld dat het voertuig een sloopverklaring had moeten hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit normaal gesproken een bedrag tussen de € 500,00 en € 1000,00 is. De rechtbank acht een dergelijke tegemoetkoming in het onderhavige geval echter niet passend, gelet op het feit dat de meeste onderdelen van het voertuig nog relatief nieuw zijn. In een taxatierapport d.d. 29 juni 2020, uitgevoerd in opdracht van de politie-eenheid Den Haag, werd geconcludeerd dat de liquidatiewaarde van het voertuig, op het moment waarop de taxatie werd uitgevoerd, € 12.000,00 was. De rechtbank heeft geen aanleiding om van dit bedrag af te wijken en acht dus een vergoeding van € 12.000,00 passend om aan de belanghebbende toe te kennen als tegemoetkoming.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart onttrokken aan het verkeer een personenauto BMW 320D voorzien van kenteken [kenteken] ;

- wijst het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming toe en stelt de hoogte van deze tegemoetkoming vast op een bedrag van € 12.000,00 (zegge: twaalfduizend euro )

Aldus gedaan te Den Haag door mr. P. Burgers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.R. van der Klugt, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 december 2020.