Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14205

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
20/2303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Procedure ex. 29f Sv op voordacht r-c: Langdurige inactiviteit in de vervolging aan de zijde van het Openbaar Ministerie na herhaalde navraag door de verdediging en termijnstelling door de rechter-commissaris. De strekking van art. 29f Sv is niet alleen om aan onzekerheid bij de verdachte een einde te maken maar ook om in dat kader te waken tegen nodeloze vertraging in de strafvervolging. Onder de gegeven omstandigheden is sprake geweest van een dusdanige inactiviteit van de kant van het Openbaar Ministerie dat de vervolging niet is voortgezet, het onredelijk is dat de vervolging nog doorgang vindt en de zaak als beëindigd moet worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 29f Sv. Het feit dat de officier van justitie tijdens de raadkamerprocedure alsnog met een datum voor een inhoudelijke behandeling is gekomen, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer : 09/808741-17

Raadkamernummer : 20/2303

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op een voordracht van de rechter-commissaris ex artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te ‘ [geboorteplaats] ,

wonende op het adres: [adres] ,

(hierna: de verdachte).

Inleiding

Tegen de verdachte is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan primair het medeplegen van zware mishandeling en subsidiair een poging daartoe. De rechter-commissaris heeft de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 180 lid 3 Sv ter voorgedragen aan de rechtbank om te doen verklaren dat de zaak geëindigd is.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft de voordacht van de rechter-commissaris op 20 oktober 2020 en 3 november 2020 in raadkamer behandeld. Op 20 oktober 2020 is de zaak aangehouden ter oproeping van de belanghebbende [naam] .

De verdachte is – hoewel daartoe goed opgeroepen – niet in raadkamer verschenen. Aanwezig was zijn raadsman, mr. J.L. Baar. De belanghebbende [naam] is – hoewel daartoe goed opgeroepen voor de zitting van 3 november 2020 – niet in raadkamer verschenen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota, welke hij aan de rechtbank en officier van justitie heeft overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd. De pleitnota is als bijlage aan deze beslissing gehecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak niet is geëindigd. Het gaat om een ernstig feit met grote gevolgen voor het slachtoffer. Het belang om de zaak aan te brengen bij de rechtbank weegt zwaarder dan het belang van de verdachte. In de strafmaat kan rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De zaak kan worden aangebracht op de MK van 7 december 2020 te 10:40 uur.

Beoordeling van het verzoekschrift

Juridisch kader

Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het openbaar ministerie tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten, in het bijzonder door jegens de verdachte een strafbeschikking uit te vaardigen of hem te dagvaarden, zonder dat het openbaar ministerie daaromtrent zelf al duidelijkheid heeft verschaft aan de verdachte in de vorm van een (sepot)beslissing als bedoeld in art. 167 of 242 Sv dan wel anderszins. Mede vanwege het door art. 255, eerste lid, Sv aan de verklaring dat de zaak is geëindigd verbonden rechtsgevolg, betreft het hier een tot terughoudendheid nopende maatstaf. Bij de toepassing daarvan kan de rechter in voorkomende gevallen onder meer in aanmerking nemen dat het openbaar ministerie nalatig is geweest gevolg te geven aan een door de rechter-commissaris op grond van art. 180, derde lid, Sv gestelde termijn tot beëindiging van het opsporingsonderzoek. 1

Procesverloop

De rechtbank gaat uit van de volgende gang van zaken.

De verdachte is op 9 juli 2017 aangehouden en op 12 juli 2017 is in bewaring gesteld, welk bevel met ingang van diezelfde dag is geschorst. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis is op 22 juli 2020 opgeheven op verzoek van de verdediging.

Vanaf augustus 2017 is namens de verdachte diverse malen navraag gedaan naar de stand van zaken. Daarop kwam geen inhoudelijke reactie. Op 10 januari 2019 heeft de raadsman namens de verdachte de rechter-commissaris verzocht de voortgang van het opsporingsonderzoek te beoordelen en de officier van justitie een termijn te stellen voor de beëindiging van het opsporingsonderzoek. Op 30 januari 2019 werd door de rechter-commissaris aangegeven dat de officier van justitie de zaak nog eens bij de politie onder de aandacht zou brengen en dat op korte termijn een vervolgingsbeslissing genomen zou kunnen worden. Toen een reactie uitbleef, heeft de raadsman op 8 juli 2019 de rechter-commissaris verzocht een termijn te stellen of de zaak voor te dragen voor de beëindiging. Toen een reactie van de officier van justitie wederom uitbleef, heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 7 augustus 2019 aan de officier van justitie een termijn gesteld van 10 dagen voor beëindiging van het opsporingsonderzoek met dien verstande dat uiterlijk op vrijdag 16 augustus 2019 een vervolgingsbeslissing zou dienen te worden genomen. Op 14 augustus 2019 ontving de rechter-commissaris van de officier van justitie het bericht dat de verdachte op korte termijn zou worden gedagvaard met daarbij de opmerking dat er een aanvullend dossier zou komen. Het aanvullende dossier werd op 3 september 2019 ontvangen. De raadsman heeft vervolgens op 25 oktober 2019 en op 2 december 2019 naar de stand van zaken gevraagd en heeft daarbij aangegeven geen onderzoekswensen te hebben. De officier van justitie gaf hierop aan dat de zaak op zitting zou worden gepland. Op 3 februari 2020 en op 14 juni 2020 is er navraag gedaan door de raadsman bij de officier van justitie, maar daarop is, blijkens de door de raadsman bijgevoegde e-mails, niet gereageerd. Op 9 juli 2020 heeft de raadsman de rechter-commissaris verzocht om de zaak voor te dragen voor beëindiging. De rechter-commissaris heeft op 27 augustus 2020 op de voet van art. 180 lid 3 Sv de rechtbank voorgedragen te verklaren dat de zaak is geëindigd. In haar beslissing heeft de rechter-commissaris opgenomen dat zij het verzoek van de raadsman van 9 juli 2020 aan de officier van justitie heeft doorgezonden met de mogelijkheid tot reactie, maar dat de officier van justitie daarop niet heeft gereageerd. Ook na de beslissing van de rechter-commissaris is niets van de officier van justitie vernomen. De officier van justitie heeft eerst in raadkamer aangegeven dat de zaak kan worden gepland op 7 december 2020 om 10:40 uur.

Beoordeling

Artikel 180 lid 3 Sv geeft de rechter-commissaris de bevoegdheid om een termijn stellen waarbinnen de officier van justitie het opsporingsonderzoek moet hebben beëindigd, dan wel om de zaak voor te leggen aan de rechtbank voor een einde-zaakverklaring ex artikel 29f Sv. Volgens de wetgever zal de rechtbank tot een einde-zaakverklaring komen indien gelet op de inactiviteit van de kant van het Openbaar Ministerie of de zeer lange duur van het onderzoek, onredelijk is dat de vervolging nog doorgang vindt. De strekking van art. 29f Sv is niet alleen om aan onzekerheid bij de verdachte een einde te maken maar ook om in dat kader te waken tegen nodeloze vertraging in de strafvervolging.

Uit het procesverloop blijkt ten eerste dat, na de schorsing van de voorlopige hechtenis in juli 2017, amper onderzoek van de politie heeft plaatsgevonden. Na herhaalde verzoeken van zowel de raadsman als de rechter-commissaris naar de stand van zaken is in het najaar van 2019 weliswaar een aanvullend dossier verstrekt aan de verdediging, maar dit betrof enkel een bundeling van processen-verbaal uit de zomer van 2017 die nog niet eerder aan het dossier waren toegevoegd. Van enige vervolgingshandeling na de zomer van 2017 is evenmin gebleken. En tot slot heeft de officier van justitie niet of nauwelijks gereageerd op (herhaalde) navraag van de zijde van zowel de verdachte als de rechter-commissaris met betrekking tot de stand van zaken.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is geweest van een dusdanige inactiviteit van de kant van het Openbaar Ministerie dat de vervolging niet is voortgezet, het onredelijk is dat de vervolging nog doorgang vindt en de zaak als beëindigd moet worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 29f Sv.

Pas na de (eerste) raadkamerzitting van 20 oktober 2020, klaarblijkelijk na het moment dat de officier van justitie ‘wakker werd geschud’, werd van het OM het bericht ontvangen dat de zaak inhoudelijk kon worden gepland op 7 december 2020. De opvatting van de officier van justitie dat het verzoek ex. art. 29f Sv dan moet worden afgewezen omdat verdachte daarmee alsnog zekerheid heeft verkregen over het vervolg van de zaak, gaat naar oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet op. In de kern wordt met een zodanige rechtsopvatting over dat wegnemen van onzekerheid als enige strekking van art. 29f Sv namelijk afbreuk gedaan aan strekking die art. 29f Sv ook heeft: het bewaken van de voortgang van de strafvervolging, c.q. het waken tegen nodeloze vertraging. Als de officier van justitie in een zaak als de onderhavige, na een dusdanige periode van inactiviteit en een dusdanig aantal onbeantwoorde verzoeken van zowel de verdediging als de rechter-commissaris, haar vervolging nog zou kunnen redden door pas tijdens de raadkamerprocedure in het kader van artikel 29f Sv een daad van vervolging aan te kondigen, zou artikel 29f Sv enkel op papier nog een wapen tegen nodeloze vertraging in onderzoek en vervolging zijn. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de strekking van deze bepaling zich tegen een dergelijke toepassing verzet.

Gelet op het bovenstaande, in samenhang bezien, zal de rechtbank het verzoek toewijzen en de zaak geëindigd verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart dat de zaak tegen verdachte met parketnummer 09/808741-17 is geëindigd.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. P.G. Salvadori, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van de Wetering, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 november 2020.

1 HR 01-10-2019, ECLI:NL:HR:2019:1472.